Zacharia 1:1-21

7 mei [2]

1:1

In de achtste maand, in het tweede jaar van Darius,…

1:3

bekeert u tot Mij, luidt het woord van de HERE der heerscharen,…

1:5

Uw vaderen waar zijn zij? En de profeten, leven zij eeuwig?

1:6

Mijn woorden evenwel en mijn inzettingen,… hebben die uw vaderen niet achterhaald,…?

1:8

zie een man, gezeten op een rood paard, en staande tussen de mirten in de diepte, en achter hem rode, voskleurige en witte paarden.

1:10

Dit zijn zij, die de HERE heeft gezonden om de aarde te doorkruisen.

1:11

en zie, de gehele aarde verkeert in volkomen rust.

1:12

waarop Gij nu reeds zeventig jaren toornig zijt?

1:14

Ik ben voor Jeruzalem en voor Sion in grote ijver ontbrand,…

1:15

de overmoedige volken, die, terwijl Ik maar een weinig vertoornd was, meehielpen ten kwade.

1:16

Ik keer in erbarming tot Jeruzalem weder;…

1:17

nóg zal de HERE Sion troosten, Jeruzalem nóg verkiezen.

1:19

Dit zijn de horens die Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben.

1:21

maar zij zijn gekomen…, om neer te slaan de horens van de volken, die hun horen hebben verheven tegen het land Juda, om het te verstrooien.

Ja, zij gingen in ballingschap. Ze hadden gezondigd. Tevoren waren profeten gekomen om hen te waarschuwen en hen op te roepen tot bekering. Maar ze bekeren zich niet. Ze blijven offeren aan de afgoden. Ze offeren hun kinderen aan de Moloch. Vreselijk, dat is dan wel het einde. Er heerst hoererij, ontucht, toverij, enz. Alle zonden van de volkeren van rondom. Geen wonder dat de maat vol is en ze in ballingschap gaan. Nu zijn ze in ballingschap. Maar dat betekent niet dat ze zich bekeerd hebben, integendeel. Daarom wordt Zacharia geroepen om hen opnieuw op te roepen tot bekering. Want het woord van God blijft eeuwig bestaan. De voorvaders zijn allemaal dood maar het woord blijft het woord. Dus ook nu luidt het woord des HEREN: “Bekeert u”.

Dan ziet Zacharia gezichten. Hij ziet een man gezeten op een rood paard en andere paarden. Ze hebben de aarde doorkruist en de aarde is in volkomen rust. Dan zegt de engel tegen de HERE: “Hoelang zult Gij nog zonder erbar­men zijn over Jeruzalem, waarop Gij al zeventig jaren toornig zijt?” Vreemd. Weten ze dan niet meer dat God aan Jeremia beloofd had dat ze na zeventig jaar zouden terugkeren. Waarschijnlijk hebben ze de rollen helemaal niet gele­zen. Het is in het vergeetboek geraakt. Het meest waarschijnlijk is dat ze zich aangepast hebben aan de afgodendienst van koning Darius. Dat is ook wel het gemakkelijkste. Dan heb je de minste last.

Daarna geeft God antwoord en zegt dat Hij voor Jeruzalem en voor Sion in grote ijver zal ontbranden. Niet zozeer omdat zij zich bekeerd hadden. Neen in het geheel niet, maar omdat de volken rondom zijn uitverkoren volk onder­drukten. Terwijl God hen maar een weinig strafte, gaan de overmoedige vol­ken veel verder in het te gronde helpen van zijn uitverkoren volk. Wee je ge­beente als je je tegen Gods uitverkoren volk keert. Dan kom je bedrogen uit. Dat gaat niet goed.

Daarom keert God in erbarming naar Jeruzalem terug. En zijn huis zal daar gebouwd worden. Hij zal Jeruzalem nóg verkiezen en Sion nóg troosten. Dat is profetische taal. Midden in de ballingschap. Midden in een situatie dat het er helemaal niet op lijkt, komt God om zijn eer op te eisen. Wat denk je, dat God zijn eer laat roven door een stelletje heidenvolken, omdat zijn volk ge­kweld wordt om hun zonden? Niks daarvan, Gód handelt met zijn volk en wij, als volken uit de heidenen hebben daar alles mee te maken. Als we de profetie voor Israël en de volkeren vergeestelijken zijn we het zicht kwijt. Let maar op!

Dan ziet Zacharia vier horens. Die hebben het volk met harde hand in balling­schap geleid. Ze leven onder de knoet. De horens houden hen onder de knoet. Maar dan ziet hij vier smeden en die moeten de horens van de volken neer­slaan zodat Israël het hoofd weer kan opheffen. Want ze waren vernederd, ge­knecht. Verhef je dus niet tegen het uitverkoren volk van God. Hoe dan ook? Want dat ze in zonde tegen hun God leven is duidelijk. Want anders waren ze niet verstrooid, maar wij moeten daar nog niet een schepje bovenop doen. Niet in ons denken en niet in ons doen. Dat geldt ook vandaag. Daarom is Zacharia een zeer actueel boek. Lees het, dan begint het te dagen bij alles wat er in het Midden Oosten en de wereld gebeurt. Dank U Heer, dat uw woorden ieder verlicht die er oprecht ernst mee maakt. En we doen er beter aan om dat te doen, want anders komen we verkeerd uit.

Zacharia 2:1-3:10

8 mei [2]

2:1

en zie, een man met een meetsnoer in de hand.

2:2

Ik ga Jeruzalem opmeten en zien hoe groot zijn breedte en lengte zal zijn.

2:4

als een open plaats zal Jeruzalem daar liggen vanwege de menigte van mensen…

2:5

En Ik zelf, luidt het woord des HEREN, zal haar een vurige muur zijn rondom, en heerlijkheid binnen in haar.

2:6

Op, op! Vlucht uit het Noorderland! …want naar de vier windsteken des hemels heb Ik u uiteengedreven,…

2:7

Op, redt u naar Sion, gij die woont bij de dochter van Babel.

2:8

…– want wie u aanraakt, raakt zijn oogappel aan –…

2:9

Dan zult gij weten, dat de HERE der heerscharen mij gezonden heeft.

2:10

Jubel en verheug u, gij dochter van Sion! want zie, Ik kom in uw midden wonen, luidt het woord des HEREN,…

2:11

en zij zullen mij tot een volk zijn, en Ik zal in uw midden wonen.

2:12

En de HERE zal Juda op de heilige bodem als zijn erfdeel in bezit nemen en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.

2:13

Zwijg, al wat leeft, voor het aangezicht des HEREN, want Hij maakt Zich op uit zijn heilige woning.

3:1

Vervolgens deed Hij mij de hogepriester Jozua zien, staande vóór de Engel des Heren, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen.

3:2

De HERE echter zeide tot de satan: De HERE bestraffe u, satan, ja de HERE, die Jeruzalem verkiest, bestraffe u; is deze niet een brandhout uit het vuur gerukt?

3:3

Jozua nu was met vuile klederen bekleed, terwijl hij voor de Engel stond.

3:4

Doet hem de vuile klederen uit. … Zie, Ik neem uw ongerechtigheid van u weg, Ik trek u feestklederen aan.

3:5

en trokken hem een staatsiegewaad aan,…

3:6

Hierop vermaande de Engel des HEREN Jozua:

3:7

Zo zegt de HERE der heerscharen: Indien gij in mijn wegen wandelt en de door Mij opgedragen taak waarneemt,… en Ik zal u doen verkeren onder hen die hier staan.

3:8

…– zij zijn immers mannen die ten wonderteken dienen – voorwaar, zie, Ik zal mijn knecht, de Spruit, doen komen;

3:9

voorwaar zie, van de steen die Ik vóór Jozua neerleg – op die ene steen zijn zeven ogen – zal Ik zelf het graveersel graveren, luidt het woord van de HERE der heerscharen, en Ik zal op één dag de ongerechtigheid van dit land wegdoen.

3:10

Te dien dage, luidt het woord van de HERE der heerscharen, zult gij elkander nodigen onder de wijnstok en onder de vijgenboom.

Het derde gezicht. Een man met een meetsnoer. Jeruzalem binnen de muren is te klein. Hij meet hoe breed en lang de grenzen van Jeruzalem moeten zijn om alle mensen te kunnen herbergen. Want ze zullen allemaal terugkeren naar het land. Hoe in de wereld kunnen die allemaal binnen de muren van Jeruzalem wonen? Maar dat hoeft dan niet meer. Want de HERE zal zelf een vurige muur rondom Jeruzalem zijn. Wie kan die vurige muur van de HERE ooit doorbreken? Die vurige muur is het bewijs dat het volk onaantastbaar is. On­overwinnelijk. Geen leger kan daar tegenop. Dan zal Jeruzalem veilig gelegen zijn; een heerlijke toekomst. Dat is profetie. Dat is zekerheid. Dat zal gebeu­ren. Daar hoef je niet aan te twijfelen. Glorie voor zijn Naam. Daarom vlucht uit het Noorderland.

Op, op! De HERE beweegt de hand tegen de vijanden van zijn volk. Want wie hen aanraakt die raakt zijn oogappel aan. Dat is gevaarlijk. Dat heeft gevol­gen. Dan zul je je deerlijk verwonden. God neemt het niet. Ze zullen buit wor­den van zijn volk. En zij zullen weten dat Ik de HERE der heerscharen ben. Daar zul je je trekken van thuis krijgen. Als we dan bedenken dat eeuwen en eeuwen de kerk geloofd heeft dat er geen beloften voor land en volk van Israël zijn. Hoe ze, tot op vandaag, zijn volk keer op keer hebben uitgemoord, dan kun je gerust je hart vasthouden wat voor rampen ons zullen treffen. Want het antisemitisme viert hoogtij hier. Vreselijk

Als je zegt bijbelgetrouw te zijn, dan moet je het wezen ook. Hier staat het: Jubel en verheug je dochter van Sion, want God komt zelf in uw midden wo­nen. Hij zal hun tot een God zijn en die volken die erkennen dat Hij God is, die zullen ook door Hem beschermd woorden. De HERE zal Juda de heilige bodem als erfdeel geven. Dat is toch duidelijk? Dat is toch niet voor tweeërlei uitleg vatbaar? Dan moet je het ook geloven en er naar en uit gaan leven. Ook met het oog op alles wat er politiek rondom Israël gebeurt. Want het gaat ge­beuren. Dus zwijg met al je eigen geredeneer. Want God maakt zich op uit zijn heilige woning om te doen wat Hij beloofd heeft. We leven in enerveren­de tijden. We moeten het gaan zien. Als je het door Gods genade mag gaan zien, dan word je bevrijd van een last, omdat je dan het perspectief van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde mag gaan zien, waarop gerechtigheid woont. Glorie voor zijn Naam. Lezen, lezen en herlezen. Dan zie je wat er staat. Dan geloof je wat er staat.

Het vierde gezicht. Merkwaardig. Daar staan de Engel des HEREN, de satan, de hogepriester Jozua en Zacharia. God liet het Zacharia zien. De satan heeft het hoogste woord. Jozua staat daar met vuile klederen. Dat moet de zonde zijn, de afval, de goddeloosheid waarmee Israël zich bezondigd heeft. God had hen mooie klederen gegeven. Het was zijn uitverkoren volk. Hij had hen wil­len zegenen, want Hij had hen uitverkoren van onder de volkeren om hen te zegenen. Hij had hen zijn geboden gegeven. Als ze die zouden onderhouden, dan zou het goed gaan. En wat gebeurt er? Ze hebben God verlaten. Ze hebben er een eigen eredienst van gemaakt. Het is toch verschrikkelijk?

En wat doet dan de satan? De aanklager aller broederen, de mensenmoorder van den beginne, hij klaagt hen aan. Het is net als bij Job. De satan zal je wel de kwade, verkeerde gedachten binnenbrengen. Je gelooft wel, maar je hebt moeite. Hij is er dan meteen bij, om te zeggen dat je het toch niet kunt. Zie je wel, jij denkt dat je God kunt dienen, maar kijk eens, je maakt er niets van. Dan kom je nog verder in de put. De satan probeert de mensen naar beneden te drukken. Je ziet het tafereel voor je. Wie heeft hier het grootste woord? De satan. Hoe heeft hij het grootste woord kunnen krijgen? Dat is ook duidelijk hier. Kijk eens hoe vuil de klederen van de hogepriester zijn. De duivel is in de kerk gekomen. Hij heeft de regie overgenomen en er religie van gemaakt. Kijk nu eens. Maar dan treedt de HERE op. “De HERE bestraffe u, satan, ja de HERE, die Jeruzalem verkiest, bestraffe u; is deze niet een brandhout uit het vuur gerukt?” Hier gaat het om: de verkiezende liefde van God. Is het niet de HERE, die Jeruzalem verkiest?

Ja, zo is het. Het is de HERE die verkiest. Hij heeft Jeruzalem verkoren. Het is zijn stad. Hij wil er wonen. Hij wil zijn profetie vervullen. Daar kan niemand aan tornen. Dan kan de satan nog zo tekeergaan. Dan kan hij nog zoveel suc­ces hebben en dan kan het volk nog zo afgeweken zijn, maar God komt en vol­voert zijn plan. Jeruzalem is als een brandhout uit het vuur gerukt. God grijpt in. Hij neemt het niet langer. Hij treedt op.

Dan zien we Gods ingrijpen. Jozua moet schone klederen aantrekken. De door de zonde bezoedelde kleren uit en schone kleren aan: reiniging, heiliging, Za­charia wordt ook enthousiast en zegt: “Laat ze een reine tulband op zijn hoofd zetten.” Die was kennelijk ook vies. Wat een heiligschennis. De dienst in de tempel moest de HERE heilig zijn. Ze hadden er een vieze boel van gemaakt. Verschrikkelijk. Dat kan toch helemaal niet?

Natuurlijk komt de vermaning. Jozua, als je in mijn wegen wandelt, dan zul je weer hogepriester zijn, dan zal Ik je weer zegenen. En de geboden weet je, Ik heb je ze voorgehouden, Ik heb er mijn beloften aan verbonden. Maar je moet het dan wel doen. Luister goed Jozua en de mannen die voor u zitten. Ik zal mijn Spruit doen komen. Op de steen die voor Jozua ligt zijn zeven ogen en Ik zelf zal het graveersel graveren op de steen. Ik zal in één dag de ongerechtig­heid van dit land wegdoen. Dat is een profetie. De Spruit, de Messias, zal ko­men. Hij is de Hogepriester. Hij zal zitten op de troon van zijn vader David. Hij zal in één dag de ongerechtigheid van dit land wegdoen. Er is dus zo’n ge­weldige ongerechtigheid, dat God zelf eraan te pas moet komen om die onge­rechtigheid weg te doen. Dat zal gaan gebeuren. Er is niets aan te veranderen. Ze komen niet zelf tot bekering. Ze verharden zich. En dan komt God en Hij neemt op één dag hun ongerechtigheid weg.

Dat is je toch niet voor te stellen. Maar dat is Gods plan met deze wereld. Hij heeft zich een volk en een land verkoren, verkozen, waarlangs Hij de verlos­sing van de wereld wil laten verlopen. Hij werkt hard voor het herstel van alle dingen. Hij schiep de hemel en de aarde. Hij zag dat het zeer goed was. Daar­om zal Hij niet rusten voordat alles weer is, zoals het was. Daarom zendt Hij de Verzoener van de zonden. Want wij kunnen zelf onze zonden niet verzoe­nen. Dat kan alleen door Messias Jezus, de Zoon van God. Wat een liefde, wat een genade. Wat een toekomst. Het is geweldig. Heerlijk, als je daar aan denkt. Als we naar ons zelf kijken, dan kan het ook niet anders. We kunnen onszelf ook niet verheffen. Het is alleen maar genade. God redt ons als een brandhout uit het vuur. Want hoe kunnen we voor Hem bestaan? Maar gered zijn we door het bloed van Christus en daar mogen we ons in verblijden en verheugen. Dat is het mooiste wat je in je leven kan overkomen. Dat gun je iedereen. Glorie voor zijn Naam. Dank U Heer.

Als we in die tijd zijn aangeland, dan zijn we niet meer op de vlucht of bang. Neen, dan zullen we in vrede leven en de vijgenboom en de wijnstok brengen hun vruchten voort en wij zitten eronder en nodigen elkaar en genieten van de vrede die alom heerst. Dat is de toekomst van allen die tot het uitverkoren volk behoren. Dat is de toekomst voor allen die hun gewaden gewassen heb­ben in het bloed van het Lam. Glorie voor zijn Naam.

Zacharia 4:1-5:11

9 mei [2]

4:2

Ik zie daar een kandelaar,…; hij heeft zeven lampen…

4:3

en twee olijfbomen steken boven hem uit,…

4:6

Dit is het woord des HEREN tot Zerubbabel: niet door kracht noch door geweld, maar door mijn Geest! zegt de HERE der heerscharen.

4:7

heil, heil, zij hem!

4:9

, en gij zult weten, dat de HERE der heerscharen mij tot u gezonden heeft.

4:10

Want wie veracht de dag der kleine dingen?
Deze zeven zijn de ogen des HEREN, die de ganse aarde doorlopen.

4:14

Zij zijn de twee gezalfden die vóór de HERE der ganse aarde staan.

5:2

Ik zie een vliegende boekrol,…

5:3

Dit is de vloek die uitgaat over het ganse land:…

5:4

, en hij overnacht in zijn huis en vernietigt het,…

5:6

Dat is een efa,…

5:7

En zie, het loden deksel werd opgelicht en daar zat een vrouw in de efa.

5:8

Dat is de goddeloosheid.

5:9

En zij droegen de efa weg tussen hemel en aarde.

5:11

Is dit gereed, dan zetten zij haar daar op haar plaats.

Een kandelaar met twee olijfbomen daar bovenuit, links en rechts. Wat is dat? De engel zegt: “Weet gij niet, wat dat betekent?” Met andere woorden dat moet je toch wel weten, maar Ik zal het je uitleggen. “Dit is het woord des HEREN tot Zerubbabel: niet door kracht noch door geweld, maar door mijn Geest! zegt de HERE der heerscharen. Wie zijt gij, grote berg? Voor het aan­gezicht van Zerubbabel wordt gij een vlakte; hij zal de gevelsteen naar voren brengen onder het gejubel: heil, heil zij hem!”

Het is de Geest des HEREN die de grote dingen doet. De vijand kan nog zo groot lijken. Hij kan wel een berg lijken waar je niet omheen kunt. Maar door de kracht van de Geest van God wordt het een vlakte. Het stelt niets vooral dat vertoon van macht. De HERE blaast erin en het is niet meer. Daar staat de Bij­bel vol van. Wat een wonderen. Wat een grote, machtige daden van God. Hij verwarde legers. Hij liet het water wijken. Hij trad op en het gebeurde. Hij sprak en het was er. En steeds als mensen terugkeren naar de HERE God, dan gebeurt er een groot wonder. Zo zal het ook gaan met het uitverkoren volk en het uitverkoren land. Het is een heerlijke toekomst. Wij kijken aan, wat voor ogen is, maar God kijkt het hart aan. God zal de tempel voltooien. We zullen ons kunnen verblijden, als we het paslood zien,. dan wordt er gebouwd tegen de verdrukking in. Het zal gebeuren. Het kan niet anders. Glorie voor zijn Naam.

“Want wie veracht de dag der kleine dingen?” Wat betekent dit eigenlijk? Uit het verband wordt duidelijk, dat we elke dag moeten zien als een Gods won­der. Elke dag volvoert Hij zijn plan. Dan zal Hij zijn macht manifesteren. Het zijn de ogen des HEREN, die de ganse aarde rond gaan. Het zijn de zeven sterren, de zeven ogen. God heeft alles onder controle. Hij volvoert zijn plan. Een heerlijke toekomst. De olijfbomen zijn de twee gezalfden, die voor de HERE staan. Zijn dit Juda en Israël? Het zijn de machtige daden van God. Hij heeft zijn legerschaar van engelen en van allen die Hem dienen en klaar staan om die nieuwe hemel en die nieuwe aarde te grondvesten. Het zal gebeuren. Het is vast en zeker.

We kunnen er nog veel meer van zeggen, maar één ding is zeker en dat wordt in al deze visioenen steeds maar weer herhaald: “God houdt zich aan zijn woord.” Hij volvoert zijn profetie. Hij herstelt alle dingen.

En dan het zesde gezicht: de vliegende boekrol. Duidelijke zaak. Iedereen die de woorden van God tart, zal worden weggevaagd. Denk maar niet dat het ver­geten wordt. Het komt in de boekrol en je wordt weggevaagd, want het kan voor God niet bestaan. Ook een eerlijke zaak. Want wie liegt en steelt en vals zweert en zondigt, die weet, dat hij zich tegen God keert. Hij lokt het zelf uit. Dan moet je ook niet verwachten dat het goed gaat. Het staat hier luid en dui­delijk: het zal worden weggevaagd. Dat staat vast. Als je dat weet, dan is er maar één uitweg. Bekeer je, voordat het te laat is. Het is nabij.

En dan de efa. Die ziet er overal hetzelfde uit. Wat zit er in de efa? Een vrouw. Wat symboliseert die?: de goddeloosheid. En wat gebeurt er mee? Het deksel gaat er op en de goddeloosheid wordt weggedragen, weggedragen naar het land Sinear, ver weg. Daar wonen ze dan. Maar de goddeloosheid is weg bij de mensen. God herstelt alle dingen. De goddeloosheid is niet meer. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont, komt. Glorie voor zijn Naam. Dat gaat gebeuren. Wat een heerlijke toekomst om te weten dat alle ellende, zonde en goddeloosheid, waar we vandaag midden in zitten, wordt weggevaagd. Dank U, Here God, dat we daarop mogen vertrouwen.

Zacharia 6:1-7:14

10 mei [2]

6:1

, daar kwamen vier wagens naar voren tussen twee bergen.

6:5

De engel gaf mij ten antwoord: Deze gaan uit naar de vier windstreken des hemels, van hun standplaats bij de HERE der ganse aarde.

6:6

Die met zwarte paarden gaat uit naar het Noorderland, de witte gaan uit, hen achterna, en de gevlekte gaan naar het Zuiderland.

6:7

Gaat heen, doorkruist de aarde.

6:8

Hierop riep hij mij toe en sprak tot mij: Zie, die uitgegaan zijn naar het Noorderland brengen mijn Geest in het Noorderland tot rust.

6:10

Neem gaven van de weggevoerden,…

6:11

…– neem dan zilver en goud en maak een kroon en zet die op het hoofd van de hogepriester Jozua,…

6:12

Zie, een man, wiens naam is Spruit. Deze zal uit zijn plaats uitspruiten en hij zal de tempel des HEREN bouwen.

6:13

en hij zal met majesteit bekleed zijn en als heerser zitten op zijn troon;…

6:15

Die verre zijn, zullen aan de tempel des HEREN komen bouwen…
Dit zal geschieden, indien gij aandachtig luistert naar de stem van de HERE, uw God.

7:1

In het vierde jaar van koning Darius,…

7:3

Moet ik in de vijfde maand wenen en vasten, zoals ik dit nu reeds zovele jaren gedaan heb?

7:5

Wanneer gij in de vijfde en zevende maand hebt gevast en geklaagd nu al zeventig jaren lang, hebt gij dan inderdaad voor Mij gevast?

7:7

Ging het niet zo met de woorden welke de HERE door de vroegere profeten heeft uitgeroepen,…

7:9

Zo zegt de HERE der heerscharen: spreekt eerlijk recht en bewijst elkander liefde en barmhartigheid; verdrukt weduwe noch wees, bijwoner noch arme, en beraamt niet in uw hart elkanders onheil?

7:11

Maar zij weigerden te luisteren,…

7:12

Daarop kwam er een grote toorn van de HERE der heerscharen.

7:13

En gelijk Hij riep zonder dat zij gehoor gaven, zo ook zullen zij roepen zonder dat Ik gehoor geef, zeide de HERE der heerscharen,…

7:14

Ik zal hen als een stormwind heendrijven naar allerlei volken die zij niet kennen, en achter hen zal het land verwoest worden, zodat niemand daarin heen en weer trekt. Aldus hebben zij het lieflijke land tot een woestenij gemaakt.

Dit is dan het achtste gezicht. Er zijn zeven gezichten aan vooraf gegaan. Het heeft allemaal te maken met het plan dat de HERE God met zijn volk heeft. Ze leven in zonde en ze zullen zich moeten bekeren, wil de HERE God weer in hun midden kunnen zijn. En dat gaat door de geschiedenis heen. Zacharia ziet deze gezichten en schrijft ze op voor ons, die zoveel eeuwen later leven. We moeten dat dan ook heel serieus nemen. We kunnen ons er niet vanaf maken door te zeggen, dat we het niet snappen en het daarom maar links laten liggen. Het is directe verkondiging voor alle tijden en dus ook voor ons. Het is ver­kondiging in vervulling. Het is steeds opnieuw een oproep tot bekering voor het volk in de tijd dat de profeet dit uitsprak, maar het is ook steeds een op­roep tot bekering voor de tijd van vandaag. De profetie staat in het teken van het heden met het perspectief van de beloften van de vervulling. En de vervul­ling heeft steeds te maken met de komst van het eeuwige koninkrijk van God en de afrekening met de duivel, die vanaf de zondeval probeert de mens in zijn tang te houden en van God af te trekken. Maar God belooft herstel dwars door grote strijd heen.

Hier gaat het om wagens met paarden die de aarde doorkruisen. Het zijn sterke paarden en ze gaan over de hele aarde. Ze verlangen ook om te gaan. Ze on­derzoeken hoe het er met de aarde voorstaat. Ze gaan uit om Gods Geest tot rust te brengen. Dat betekent dus dat Gods Geest werkt over de hele aarde. Hij wil het herstel van alle dingen. Want daar gaat de Geest van God naar uit. Hoe is het gesteld met de aarde? “Want des HEREN ogen gaan over de gehele aar­de, om krachtig bij te staan hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat” (2 Kro­nieken 16:9). De ogen en de oren van de HERE zijn op dezer plaats om te zien en te horen of het volk zich ook bekeert en verootmoedigt. Daar gaat het om. Het is een directe oproep tot verootmoediging. We kunnen heel ingewikkeld doen over hoe het nu zit met al die paarden en de kleuren van die paarden. Dat mag best uitgezocht worden, maar God wil over de hele aarde weer zijn recht opeisen.

Dan wordt het weer heel concreet. De weggevoerden en teruggekomenen moeten een kroon maken van zilver en die zetten op het hoofd van de hoge­priester Jozua. We hebben over hem ook enkele hoofdstukken eerder gelezen. Toen kreeg hij een schoon gewaad. De duivel probeerde hem aan te klagen. Hij is immers de aanklager aller broederen. Maar de Here God duldt dat niet. Hij weet wel dat zijn volk zondig en vuil is, maar Hij duldt niet dat de duivel daar gebruik van maakt. En zo is het zo vaak. Hoe vaak klaagt de duivel ons niet aan? Hoe vaak worden wij niet beschuldigd? Of beschuldigt ons geweten ons? De duivel zal je wel influisteren dat je niet deugt. “Als je dan zegt in God te geloven, hoe kun je dan dit en hoe kun je dan dat doen?” We weten er alle­maal van. En het is ook zo, zonder de genade en de ontferming en de verzoe­ning door het bloed van Jezus kunnen we ook niets bereiken.
$
Maar God duldt niet dat de duivel ons aanklaagt. Want hier wordt de hoge­priester voorgesteld als de middelaar tussen God en de mensen. Maar de grote Hogepriester is aanstaande. De Spruit wordt aangekondigd. Hij zal ontspruiten vanuit het heiligdom. Hij is de Zoon van God zelf. Hij wordt aangekondigd. Hier, maar op vele andere plaatsen in het profetisch woord. Heerlijk, wat een toekomst. En Hij is gekomen, dè Middelaar. Zo Hij gekomen is en zo Hij opgevaren is, zó komt Hij ook weer terug. Wat een heerlijk evangelie. Geloofd en geprezen zij zijn Naam. Halleluja, prijs de Heer. Hij is de hogepriester en Hij is de koning. Hij zal op de troon van zijn vader David zitten.

De tempel des HEREN zal worden herbouwd en de volkeren zullen er aan mee bouwen. En jullie, maar ook de hele wereld zal weten, dat de HERE der heerscharen mij tot u gezonden heeft. Dit zal geschieden indien gij aandachtig luistert naar de stem van de HERE, uw God. Het is ook elke keer weer dezelf­de oproep. Luisteren, luisteren, luisteren. Naar de woorden van God. Dan zul je het gaan zien. Dan zul je het weten. Dan zul je ook zien wie Jezus is. Het Woord keert nooit ledig weer.

Daarom moeten we met verve en vrijmoedigheid dit woord ook proclameren. Heerlijk toch. Want de toekomst van dat eeuwige koninkrijk van recht en ge­rechtigheid is zeker. Glorie voor zijn Naam.

Je kunt wel in ballingschap zijn. Je kunt dan wel vasten en wenen in de vijfde en de zevende maand zoals het is voorgeschreven. Maar de vraag is: heeft dit vasten ook zin? Voor wie doe je het vasten? Volgt er ook verootmoediging en bekering op? Of doe je het voor jezelf? Ze zijn nu zeventig jaar in balling­schap en hebben al die jaren gevast. Maar de Here is vlijmscherp. Jullie heb­ben het voor jezelf gedaan. Net als in het verleden. Toen kwamen de profeten met de oproep tot bekering. Toen werd er ook gevast, maar het had geen zin, want de rechtspraak was krom, er was ongerechtigheid in het land, er werd niet omgezien naar weduwe en wees. Ze stopten toen hun oren toe voor de profeten. En zo is het vandaag ook. Het is verschrikkelijk. Wat een wereld.

En als jullie niet willen luisteren, je oren toestopt, dan zal Ik ook niet luisteren als jullie roepen. En het is gebeurd. Het volk is in ballingschap gegaan. De volkeren hebben het volk vervolgd. Ze zijn inderdaad als een stormwind heen­gedreven. Tot vandaag aan de dag toe. En het land is verlaten geworden. Pas sinds 1948 is er sprake van grootscheepse terugkeer. Eeuwenlang is het ver­woest geweest. God heeft ze als een stormwind heengedreven naar allerlei volken die zij niet kenden. En wat is de geschiedenis van de Joden vol van lijden en vervolging. Wat is er een ellende gekomen op hun afval van God. God lijdt daar zelf het meeste onder. Het is immers zijn uitverkoren volk. Het is verschrikkelijk. Zij hebben toch in de eerste plaats de beloften?

Maar dat is het einde niet. Want de beloften zijn onberouwelijk. Wat God be­loofd heeft, zal Hij ook doen. Maar Hij laat niet met zich spotten. Niet door zijn eigen uitverkoren volk en ook niet door de (on)gelovigen uit de volkeren. Wat toch een ongehoorzaamheid om telkens maar weer af te vallen van het bevrijdende eeuwige woord van God. Wat is de boze sterk om de mens steeds maar weer te verleiden. Daarom is de oproep ook hier dat we ons steeds maar weer dienen af te vragen of we ons vroom gedoe in feite voor onszelf doen, òf dat we inderdaad de daad ook bij Gods woord voegen en die dingen doen die Hij verwacht. Dat is recht en gerechtigheid. Dat is omzien naar weduwe en wees. Dat is elkanders heil zoeken en niet elkanders onheil. Daar kun je met­een al mee beginnen. Maak schoon schip in je eigen huis en zegen de anderen. Prijs de Heer.

Zacharia 8:1-23

11 mei [2]

8:2

Ik ben voor Sion in grote ijver ontbrand; in gloeiende ijver ben Ik ervoor ontbrand.

8:3

Ik keer weder tot Sion en Ik woon binnen Jeruzalem; Jeruzalem zal de stad der trouw, en de berg van de HERE der heerscharen zal de berg der heiligheid genoemd worden.

8:6

Al zal dit in de ogen van het overblijfsel van dit volk in die dagen te wonderlijk zijn, zou het dan ook in mijn ogen te wonderlijk zijn? luidt het woord van de HERE der heerscharen.

8:7

Zie, Ik verlos mijn volk uit het land van de opgang en uit dat van de ondergang der zon;…

8:8

Ik breng hen terug en zij zullen binnen Jeruzalem wonen. Zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn, in trouw en in gerechtigheid.

8:12

en Ik doe het overblijfsel van dit volk dit alles beërven.

8:13

Gelijk gij onder de volken een vervloeking geweest zijt, o huis van Juda en huis van Israël, zo zult gij, doordat Ik u heil schenk, een zegen worden; vreest niet, laten uw handen sterk zijn.

8:14

Want zo zegt de HERE der heerscharen: Zoals Ik Mij voorgenomen had u kwaad te doen, toen uw vaderen Mij vertoornden, zegt de HERE der heerscharen, en het Mij niet berouwde, zo heb Ik in deze dagen Mij weer voorgenomen Jeruzalem en het huis van Juda wèl te doen; vreest niet!

8:16

Dit moet gij doen: spreekt waarheid onder elkander, oefent eerlijke en heilzame rechtspraak uit in uw poorten; beraamt in uw hart elkanders onheil niet, en hebt geen valse eed lief, want dit alles haat Ik, luidt het woord des HEREN.

8:19

hebt dan de waarheid en de vrede lief.

8:21

Laten wij toch heengaan om de gunst des HEREN af te smeken…

8:23

In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen de slip van een Judese man en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is.

Dan slaat het oordeel om in heil. God had zijn volk een eeuwig heil beloofd. Zie de beloften aan Abraham en de voortdurende herhaling in de profeten. Het is een doorlopende lijn. Wat God zegt dat zal gebeuren. Het lijkt er soms op dat het afgelopen is, want het volk leeft in zonde. Het doet de vreselijkste din­gen. Het is dan ook terecht dat God er een einde aan wil maken. Telkens is het kantje boord. Maar steeds gaat God met een gedeelte ervan door. Ze gaan in ballingschap. Ze komen terug. Slechts een deel. De Messias moet geboren worden. Het paradijs komt terug. De zonden verzoend. De dood overwonnen. Dat is het grote verhaal van het Oude Testament. Keer op keer. Er is geen ein­de aan de profetie. Het is één grote doorgaande lijn. Want het doel is de nieu­we hemel en de nieuwe aarde.

Wat een ontdekking om te zien dat de dogma’s van de vroege kerk de profetie hebben ingeruild voor de gemeente uit de heidenen. Met voorbijgaan aan de beloften van God zelf. Hoe hebben we het kunnen doen. We zijn ontzettend veel kwijtgeraakt. We moeten Zacharia uit ons hoofd leren.

En het is ook niet omdat Gods uitverkoren volk zich heeft bekeerd. Neen het is Gods brandende ijver voor zijn volk. Zelf zien ze het als een onmogelijkheid. Dat zal nooit gebeuren. Maar zou voor God iets te wonderlijk zijn? God is een God van wonderen. God is een God van genade. Hij heeft het goede voor met alle mensen. Wat een ingrijpen van God! Dan is gehoorzaamheid het gevolg. Dan zullen de straten vol zijn van blijde mensen. Dan zal er weer vrolijkheid zijn. Want waar God komt daar is blijdschap en vrede. Hebt de vrede lief. Hebt dan de waarheid en de vrede lief!

En de volken van rondom zullen zien dat God met hen is. En ze zullen komen en willen ook de zegen van God hebben. En tien mannen uit de volken zullen de slip van een Judese man grijpen en zeggen: “wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord dat God met u is”.

Wat een verhaal. Geweldig. Geweldig. Het gaat gebeuren. Het is waar. Het is zeker. Het is beloofd. Het staat geschreven. Wie kan nu toch bedenken dat dit verhaal vergeestelijkt wordt. Dat slaat toch nergens op. Dat kan toch helemaal niet. Daar loop je toch in vast. We moeten deze leugen te lijf gaan. Hoe? Heel eenvoudig. Door het woord zelf te lezen. Door het te herhalen. Door het te le­zen en te herlezen. Keer op keer. Ik heb het gevoel dat we totaal gehersen­spoeld zijn door de eeuwen heen. Ik heb het idee dat we vergiftigd zijn met een theologie van de leugen. En dat is ook zo. Daar moeten we niet te zacht­zinnig over doen. Want als het een leugen is dan is het een leugen. En als het een leugen is tegen God, dan zwaait er wat. Want als we iets af of toedoen aan het woord van God, dan wordt dat afgedaan aan het heil dat we zullen ontvan­gen, Wee je gebeente. We moeten niet verslappen, er is haast geboden, want de tijd dringt. Hij komt spoedig. Dan is het te laat. We moeten onze lampen brandende houden. Wat een geweldige ontdekkingsreis. O HERE vergeef ons onze zonden.

Zacharia 9:1-17

12 mei [2]

9:6

en Ik zal de trots der Filistijnen uitroeien.

9:8

Ik zal Mij rondom mijn huis legeren als een wacht tegen de heen en weer trekkende legers, en geen onderdrukker zal meer tegen hen optrekken, want nu zie Ik het met mijn eigen ogen.

9:9

Zie, uw koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend,…

9:10

en hij zal de volken vrede verkondigen, en zijn heerschappij zal zich uitstrekken van zee tot zee, en van de Rivier tot de einden der aarde.

9:13

Want ik span Mij Juda, op de boog leg Ik Efraïm, en wek uw kinderen, o Sion,…

9:15

De HERE der heerscharen zal hen beschutten,…

9:16

Zo zal de HERE, hun God, hen te dien dage verlossen als de kudde, die zijn volk immers is, ja zij zijn kroonjuwelen, die zullen blinken in zijn land.

9:17

Waarlijk, hoe groot is zijn geluk, ja, hoe groot zijn schoonheid! Het koren doet jongelingen, en de most jonkvrouwen gedijen.

Het feest gaat door. God zal als een muur rondom zijn volk zijn De vijanden zullen proberen zijn volk kapot te maken, maar God duldt het niet. Hij zal hen zelf vernietigen en de HERE God zal zorgen dat het vrede is alom. De volke­ren zullen beven als ze de almacht van de HERE God zien. Dan zal Sions ko­ning komen met macht en zegepraal. Rijdende op een ezelhengst. Het is de intocht in Jeruzalem. De Messias is gekomen. Ze hebben het gezien. En Hij zal de volken vrede verkondigen, en zijn heerschappij zal zich uitstrekken van zee tot zee en van de Rivier tot de einden der aarde.

De komst van de Messias is niet alleen voor zijn volk. Hij komt voor de gehe­le wereld. Zijn heerschappij zal zich uitstrekken over de gehele aarde. Hij zal heersen. Hij zal zijn vijanden onderwerpen en wegdoen. Het is de grote bevrij­ding. Het is de zegepraal. Wat een toekomst. Wat een zegen om daar nu al deel van te mogen zijn. Om dat nu al te mogen zien. Wie wil daar niet bij ho­ren. Want dan heb je geen uitzicht meer op alle vreselijke dingen die telkens opnieuw gebeuren. Waar de zonde heerst. Waar we niet meer weten waar we het zoeken moeten. En hoe vaak is dat niet het geval. Want er gebeuren zoveel onverklaarbare dingen, ook in ons eigen leven Want als we het goede willen doen dan is het kwade er zo maar weer. Het lijkt wel of het kwade in ons auto­matisch gaat en dat we voor het goede ons erg moeten inspannen. Het is zo maar weer mis. Maar Gode zij dank, we mogen leven in de verwachting van dat komende koninkrijk van recht en gerechtigheid. Dat koninkrijk in ons hart mag ook het uitgangspunt zijn van ons leven. Daar mogen we ons mee vullen. Daar mogen we uit leven. En daar putten we de kracht uit om het goede na te streven. Als we ons maar blijven richten op dat Koninkrijk. Op Messias Jezus dan zal Hij ons de kracht geven om staande te blijven in de strijd waarin we elk moment van ons leven zitten.

Wat een kracht. Wat een zegen. Wat een zekerheid. Het is geweldig. We wil­len toch niet anders! Dank U Heer voor die zekerheid. Voor dat perspectief. Voor die beloften. Voor die toekomst. Help ons om vanuit uw woord die toe­komst scherp te zien. Vergeef ons dat we zo vaak uw woord maar uw woord laten. Wat doen we onszelf toch vreselijk tekort. We kunnen alleen maar leven als we zicht hebben op uw woord. En het is zo dichtbij. Het is zo maar voor­handen. Help ons om het te lezen. Help ons. Elke dag.

Het geweldige is dat het wel zo kan zijn dat de groten der aarde bijeen komen om hun legers op orde te brengen, maar dat het in werkelijkheid zo is dat God opstaat en in vliegende zuiderstormen komt om zijn vijanden aan zijn voeten te verslaan. Ze zullen tekeer gaan. Ze zullen als briesende leeuwen proberen de volgelingen van koning Jezus te vernietigen. Maar Hij zal ze zelf verlossen, als een kudde die zijn volk immers is. Hij behoort ze toe. Het is een klaroen­stoot van het komende heil. Daar word je toch blij van als je dit leest. Daar wil je toch ook bij horen. Waarom nog twijfelen? Als het nu iets zou zijn dat je in problemen zou brengen, dan is twijfel op zijn plaats, maar het is een grote ze­kerheid dat je een koninkrijk binnenstapt van vrede en gerechtigheid. En wie hunkert daar niet naar? Toch iedereen. Kom doe mee. Stel het niet langer uit. Het heeft nu al lang genoeg geduurd. Want waarlijk hoe groot is zijn geluk, ja hoe groot zijn schoonheid.

Zacharia 10:1-11:3

13 mei [2]

10:1

Vraagt van de HERE regen ten tijde van de late regen. …een stortregen zal Hij hun geven,…

10:2

nietswaardige troost bieden zij. …omdat zij geen herder heeft.

10:5

ja, zij strijden, omdat de HERE met hen is,…

10:6

ja, Ik zal hen terugbrengen, omdat Ik Mij over hen ontferm, en zij zullen worden, alsof Ik hen niet verworpen had. Want Ik ben de HERE, hun God, en Ik zal hen verhoren.

10:8

Ik zal hen tot Mij fluiten en hen vergaderen, want Ik bevrijd hen, en zij zullen even talrijk worden als zij waren.

10:10

Ja, Ik zal hen terugbrengen…

10:11

Zo zal de trots van Assur neerstorten, en de scepter van Egypte zal verdwijnen.

10:12

Ik zal hen sterken in de HERE, en in zijn naam zullen zij wandelen, luidt het woord des HEREN.

11:3

Hoor het gejammer der herders, …omdat de pronk van de Jordaan verwoest is.

Ja. Zo is het. We moeten op God vertrouwen. God hoort ons. Hij verhoort ons. Bij Hem zijn we veilig. De waarzeggers spreken leugens. Ze zijn nietswaardi­ge mensen. Zij liegen en bedriegen. Zij geven geen regen. Zij brengen de men­sen in de war. Zij leiden hen naar de hel. Maar de herder is de HERE God. Luistert naar zijn stem. De Goede Herder. De Goede Herder zet zijn leven in voor zijn schapen. Tegen de valse herders is de toorn van God ontbrand. Hij zal die herders! Hij zal Juda en Israël herstellen. Zij zullen de overwinning behalen, omdat de HERE met hen is. Hij zal ze terugbrengen in het land. Hij zal zich over hen ontfermen alsof Hij hen niet verworpen had. Hij heeft hen dus verworpen. Ze zijn in ballingschap gebracht. Ze zijn ongehoorzaam ge­weest. De Messias is uit hen geboren, maar ze hebben Hem verworpen. Ze hebben Hem gekruisigd. Weg met Hem. Ze zijn uit hun land gejaagd. De tem­pel is verwoest. Het land heeft eeuwen braak gelegen. Klopt helemaal. Vreem­de volken zijn er gaan wonen en tot vandaag aan de dag denken die vreemde volken dat ze alle recht hebben om het volk van God uit hun land te jagen. Dat proberen ze dan ook met alle kracht.

God zal ingrijpen en ze terugbrengen. Als door een wonder. Hij legt zijn ge­dachtenis in hun harten. Dan krijgen ze het verlangen om terug te keren. En dan keren ze ook terug. Als door een wonder. Wat zet hen in beweging om te­rug te keren? Het is God zelf die het in hun harten legt. Ze keren in grote geta­le terug. Het land is te klein. De zee zal hun uitbreidingsgebied zijn. De Nijl zal zelfs droogvallen en ook de grote rivieren. Dan zal Assur niets meer zijn en de scepter van Egypte zal verdwijnen. Dat zijn toch grote ingrijpende ont­wikkelingen. Dat is toch allemaal niet voor te stellen. Maar het staat hier wel. Want als ze terugkeren, dan zullen het miljoenen zijn. Dat zal een enorme uit­tocht zijn. De volken rondom zullen vallen. De Libanon, vandaag een smelt­kroes van macht tegen Israël. Het zal vallen. De omringende volkeren zullen geen macht meer hebben. De Here God grijpt zelf in. Wat een strategisch plan. Wat een toekomst.

Het lijkt alsof het ook aan het gebeuren is. Want er gaat geen dag voorbij of Israël is in het nieuws. Het grote wereldnieuws wordt bepaald door wat er in Israël gebeurt. Het gaat naar het einde. Er zijn toch eeuwen en eeuwen ge­weest dat niemand dacht aan Israël. Dat is nu anders. Israël is de smeltkroes der natiën. Daar twijfelt niemand aan. Vast en zeker.

De meeste mensen weigeren om een rechtstreeks verband te zien tussen de bijbelse profetie en de dingen van alle dag. Dat geldt niet alleen ten aanzien van de profetie voor Israël, maar ook van die voor de volkeren. Want als de volkeren volharden in het doen van de dingen der duisternis, dan zal het oor­deel over hen komen. Zij behoren ook tot de valse herders. Zij zullen wegge­vaagd worden. Zowel in Israël zelf, als ook onder de volkeren. Wat is er een valse leer. Wat is het verschrikkelijk dat we van de vervangingstheologie zo’n sterk dogma hebben gemaakt, dat tot op vandaag de gangbare theologie is dat het heil alleen door de kerk moet komen en dat Israël heeft afgedaan. Er is een tendens om er meer aandacht aan te geven, maar de meerderheid van hen die dat doen, willen niet een radicale afzwering van deze valse theologie. Dat is de ernst van de tijd waarin we leven. Daar komt het vandaag op aan.

Zacharia 11:4-12:9

14 mei [2]

11:4

Zo zeide de HERE, mijn God: Weid de slachtschapen;…

11:6

Zie, Ik lever de mensen over,…

11:7

en Ik heb twee staven genomen, de ene heb Ik genoemd Lieflijkheid, en de andere Samenbinding; zo heb Ik de kudde geweid.

11:10

Toen heb Ik mijn staf Lieflijkheid genomen en die verbroken, tenietdoende mijn verbond, dat Ik met alle volken gesloten had.

11:11

zo hebben de ellendigste onder de schapen, die op Mij letten, bemerkt, dat dit een woord des HEREN was.

11:12

dertig zilverstukken.

11:14

Daarop heb Ik mijn tweede staf, Samenbinding, verbroken, tenietdoende de broederschap tussen Juda en Israël.

11:17

Wee de nietswaardige herder,…

12:2

Zie, Ik maak Jeruzalem tot een schaal der bedwelming voor alle volken in het rond;…

12:3

Te dien dage zal Ik Jeruzalem maken tot een steen, die alle natiën moeten heffen; allen die hem heffen, zullen zich deerlijk verwonden. En alle volkeren der aarde zullen zich daarheen verzamelen.

12:6

dan zullen zij rechts en links alle natiën in het rond verteren; en Jeruzalem zal blijven voortbestaan op zijn eigen plaats, te Jeruzalem.

12:8

Te dien dage zal de HERE de inwoners van Jeruzalem beschutten,…

12:9

Te dien dage zal Ik zoeken te verdelgen alle volken die tegen Jeruzalem oprukken.

De opdracht is om de schapen te weiden. Maar wat gebeurt er. De slechte her­ders weiden de schapen niet. Ze maken gebruik van de schapen. Ze verrijken zich zelf. Ze zijn zelfzuchtig. Ze vervolgen de schapen. En dat neemt God niet. Hij neemt de staf lieflijkheid. Daarmee wilde Hij alle volken weiden. Maar Hij verbreekt het verbond met alle volken. En de ellendigste onder de schapen hebben daardoor bemerkt dat dit een woord des HEREN was. De der­tig zilverstukken, gegooid in het huis van de pottenbakker, duiden op de Mes­sias. Maar ze hebben Hem verworpen. De staf Samenbinding is ook verbroken te niet doende de broederschap tussen Juda en Israël.

Wee de nietswaardige herder, die de schapen verlaat, verdorren zal zijn arm, verduisterd worden zijn rechteroog. We hebben het hier over herders. Het zijn de slechte herders die de schapen weiden. De schapen raken verdwaald. Ze dolen als schapen die geen herder hebben. De herder is het beeld van de ver­trouweling van de schapen. Jezus is de goede herder. Hij zet zijn leven in voor de schapen. Je hebt ook huurlingen, die gaan op de vlucht als de boze wolven komen. Die geven de schapen over als een prooi aan de tegenstanders. Jezus zette zijn leven in voor de schapen in nood. Hij joeg de boze herders weg. Hij verdelgde ze. Hij zette de toon naar het nieuwe leven. Hij was de overwinning op het kruis van Golgotha. Het is volbracht. Daar kan geen mens tegenop. Zo zal het gebeuren. God geeft hen over in de macht om elkaar te vernietigen. Ze zullen zoeken zich te redden, maar ze gaan roemloos onder.

Dan zal God zijn rijk van recht en gerechtigheid grondvesten. En dan komt het apocalyptisch einde. Hij zal Jeruzalem maken tot een schaal der bedwelming voor al de volken in het rond. “Te dien dage zal Ik Jeruzalem maken tot een steen, die alle natiën moeten heffen, en allen die hem heffen zullen zich deer­lijk verwonden.” Alle volken zullen optrekken tegen Jeruzalem, maar dan zal God ingrijpen met macht en majesteit. Hij zal de inwoners van Jeruzalem macht geven om de vijanden te verslaan. Hij zal hen beschutten, als in de da­gen van David. Dat zal geweldig zijn. Stel je voor: alle volken trekken op naar Jeruzalem en dan zullen ze allemaal teruggeslagen worden. Dat moet wel een wonder zijn. Want hoe kan zo’n klein landje het opnemen tegen zo’n grote legermacht. Maar het zal toch gebeuren. Is dit beeldspraak? We doen beter om het letterlijk te nemen. Want wat geschreven staat, staat geschreven. Als we zien wat er allemaal rondom Israël aan de hand is, dan kunnen we niet anders zien dan dat God doet wat Hij zegt. En dat is nog al wat. “Te dien dage zal Ik zoeken te verdelgen alle volken die tegen Jeruzalem oprukken.”

Wat hebben we deze profetieën eeuwenlang verwaarloosd. Hoe belangrijk is het om deze profetieën, juist in deze tijd waarin zoveel aan de hand is rondom Israël, serieus te nemen. Ja, de Joden keren terug in ongehoorzaamheid. Ze zijn zelfs zo fel tegen Messias Jezus, dat zij, die in Hem geloven, geen recht hebben op terugkeer. Alle Joden mogen terugkeren. De grootste heiden en de grootste crimineel of occultist. Maar als je zegt dat je een Messiasbelijdende Jood bent, dan kom je er niet in. Dat is de dubbele tragiek van de Jood. Dat is de vreselijke lijn der geschiedenis. De Messias kwam in de eerste plaats voor hen en ze hebben Hem afgewezen. En wij hebben de Messias, maar verwerpen hun profetie en ook onze eigen profetie. Wat een dubbele tragiek. Wat een geestelijke verduistering. Wat een noodzaak om daar verlichting in te brengen. Doen we dat niet dan is Gods woord juist in deze tijd van grote verwarring een niet heldere lamp voor onze voet.

Zacharia 12:10-13:9

15 mei [2]

12:10

Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja zij zullen over hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene.

12:11

Te dien dage zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn, zoals de rouwklacht van Hadad-R">immon in het dal van Megiddo;…

12:12

het land zal een rouwklacht aanheffen, alle geslachten afzonderlijk…

13:1

Te dien dage zal er een bron ontsloten zijn voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem ter ontzondiging en reiniging.

13:2

ook de profeten en de onreine geest zal Ik uit het land wegdoen.

13:7

en Ik zal mijn hand keren tegen de kleinen.

13:8

In het gehele land, luidt het woord des HEREN, zullen twee derden uitgeroeid worden en de geest geven, maar een derde zal daarin overblijven.

13:9

Dat derde deel zal Ik in het vuur brengen,… ja hen louteren… Zij zullen mijn naam aanroepen… De HERE is mijn God.

Het wordt ontzettend spannend. De HERE zelf zal hen roepen. Hij zal zich over hen ontfermen. Hij is in brandende ijver voor hen ontbrand. Zelf zijn ze nog niet zo ontbrand. Ze zullen verwonderd zijn. Wat gebeurt er allemaal? Zal het wel gebeuren? Er zal heel wat getwijfeld zijn. Het kan helemaal niet. Hoe kan God zich nu ontfermen over een volk, dat zich van Hem heeft afgewend? En het lijkt er niet op dat ze zich bekeren. Ze zijn almaar met zichzelf bezig en niet met God. Maar God zegt: “Zou voor Mij iets te wonderlijk zijn?” Natuur­lijk zijn ze in ballingschap gebracht vanwege hun zonden. Maar God zegt dat Hij er niet meer aan zal denken.

Als dat dan allemaal gebeurt dan zullen ze ontdekken dat Jezus hun Messias was. Ze hebben Hem doorstoken. Maar dan zien ze tot hun schrik en verbijste­ring dat ze hun eigen Messias hebben afgewezen. Dat zal een schok zijn. Dan zullen ze een rouwklacht aanheffen als over een eerstgeborene. Wat een ge­ween. Wat een ontdekking van zonde. Wat een berouw en een verootmoedi­ging. Dan vallen er tranen van berouw. Dan vallen er tranen van een radicale omkeer. O God, wat hebben we gedaan. Vreselijk. Wat moet U een God van genade zijn, dat U ons niet van de aardbodem wegvaagt en ons toch weer in genade aanneemt. We hebben verdiend dat u ons van de aardbodem wegvaagt. Maar toch. Dank U HERE God.

En dan gebeurt het ene wonder na het andere. God treedt op. Het nieuwe ko­ninkrijk komt eraan. Dank U HERE God. Wat een wonder. Er wordt een bron ontsloten voor het huis van David ter ontzondiging en ter reiniging. Ook wor­den de valse profeten en de onreine geest uit het land weggedaan. Alles wordt gelouterd. Wat zullen er een valse profeten tot inkeer moeten komen. Wat is er veel afgoderij ingeslopen. Het land is er vol van. Het moet allemaal verdwij­nen en uitgeroeid worden. Weg ermee. De valse herders worden geslagen. Weg er mee. Het zal niet gebeuren. Weg ermee. Twee derden van de stad zal uitgeroeid worden en een derde gelouterd. Dat is een straf. Dat is een loute­ring. Maar de overblijvenden zullen dan ook de Naam van God aanroepen en zeggen: “De HERE is mijn God”.

Zacharia 14:1-21

16 mei [2]

14:1

Zie, er komt een dag voor de HERE, waarop de buit, op u behaald, binnen uw muren verdeeld zal worden.

14:3

Dan zal de HERE uittrekken om tegen die volken te strijden, zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg;…

14:4

zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken en de ander helft zuidwaarts;…

14:5

En de HERE, mijn God, zal komen, alle heiligen met Hem.

14:6

En op die dag zal er geen kostelijk licht zijn, noch verstijving;…

14:8

Dan zullen te dien dage levende wateren uit Jeruzalem vlieten, de helft daarvan naar de oostelijke en de helft naar de westelijke zee; in de zomer zowel als in de winter zal dat geschieden.

14:9

En de HERE zal koning worden over de gehele aarde; te dien dage zal de HERE de enige zijn, en zijn naam de enige.

14:11

maar Jeruzalem zal veilig gelegen zijn.

14:13

Ja, te dien dage zal er onder hen een grote, door de HERE bewerkte, ontsteltenis wezen,…

14:16

zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de HERE der heerscharen,…

14:17

op hem zal geen regen vallen,…

14:20

Den HERE heilig!

14:21

En er zal te dien dage geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de HERE der heerscharen.

Het zal een grote strijd zijn. Als de duivel weet dat zijn uur geslagen is, dan is te verwachten, dat hij alles zal doen om je onderuit te halen. Hij gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij kan verslinden En hoevelen worden er verslonden. De een na de ander. En wie is er gelukkig van geworden. Nie­mand. Dat weten we maar al te goed. We weten zelf het beste waar het toe leidt. Het leidt tot de ondergang. Daarom moeten we heel dicht bij Jezus blij­ven. We moeten niet links en niet rechts gaan. We moeten geen compromissen sluiten. We moeten bij Jezus blijven.

Het zal er tekeer gaan. De legers trekken op naar Jeruzalem. De volkeren kie­zen tegen het uitverkoren volk. Het moet maar afgelopen zijn. Weg met de Jo­den. De wereld loopt te hoop. Het wordt spannend. Maar dan treedt God op. Zijn voeten zullen staan op de Olijfberg. Hij zal voor hen strijden. De Olijf­berg zal splijten. Er zal een groot dal ontstaan. Er zal een vlakte ontstaan. Het zal een dag zijn, die bij de HERE bekend is. En dan zal God God zijn. De HE­RE zal de enige zijn. En volkeren zullen in verwarring elkaar uitmoorden en ieders tong zal wegteren in zijn mond; een grote strijd. Het vermogen van de omringende volkeren zal Jeruzalem binnen gedragen worden. Nou, nou, dat is nogal van apocalyptische omvang. Daar zijn alle spektakel films samen niets bij. De volkeren met al hun macht en hun geweld zullen optrekken. Het zal een grote samenzwering zijn tegen het volk van God. Het zal met een agressie­ve haat gepaard gaan. Velen van het volk zullen ook ten onder gaan. Maar dan grijpt God zelf in. Hij is in heilige ijver voor zijn volk ontbrand. Dan zullen ze ook zien wie ze doorstoken hebben. Wat een ontknoping. Dan zullen ze pas zien dat Jezus hun Messias was.

En dan zullen de overgebleven volken elk jaar naar Israël trekken om het Loofhuttenfeest te vieren. En de volken die het niet doen die zullen geen regen ontvangen. Overal zal staan “de HERE heilig.” Want alles wat in Jeruzalem is, is de HERE heilig. Het is de heilige stad. God woont daar. Ze zullen hem dienen, de groten en de kleinen.

Het is de hoogste tijd dat we de profetieën letterlijk nemen. Hoe halen we het in ons hoofd om het te vergeestelijken. Het staat er toch allemaal. En waarom zou het niet zo letterlijk gebeuren. Zoveel profetie is letterlijk uitgekomen. We moeten ons bekeren. Het is o zo belangrijk, omdat we daardoor ook scherp zicht hebben op de dingen die komen. We hebben dat nodig om staande te blijven.

Glorie voor zijn Naam!