Romeinen 1:1-17

17 juni [2]

1:2

het evangelie van God, dat Hij tevoren door zijn profeten beloofd had in de heilige Schriften –…

1:5

…– door wie wij genade en het apostelschap ontvangen hebben om gehoorzaamheid des geloofs te bewerken…

1:7

genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus.

1:8

in de gehele wereld van uw geloof gesproken wordt.

1:16

Want ik schaam mij het evangelie niet; want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek.

1:17

Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven.

Heerlijk om met de Romeinenbrief van Paulus te beginnen. Hier zijn heel wat theologische boeken over geschreven. Wij wandelen maar eenvoudig door het boek. Elke twee jaar in dit bijbelplan gaan we door dit boek. Dat zou best vaker kunnen. En daar is ook niets op tegen. Het lezen van dit plan vraagt slechts vijftien minuten per dag. Je kunt dus veel meer tijd besteden aan het lezen van de Bijbel. En dat moet je ook maar doen!

Alleen de groet van Paulus zit al boordevol kracht en beweging. Paulus is vol om het evangelie te verkondigen. Hij is door genade geroepen. En dat weet hij maar al te goed. We weten van zijn roeping op de weg naar Damascus. Als je zo krachtdadig geroepen bent, dan weet je ook niet anders en dan wil je ook niet anders. We zijn allemaal geroepen. Volhouden en doorgaan. Er zijn nog velen die de Here Jezus nog niet kennen.

Hij heeft van het geloof van de christenen in Rome gehoord. De hele wereld spreekt erover. Een geweldig getuigenis. Stel je voor, de hele wereld spreekt erover. Daar wil je je aan meten. Wij toch ook. Paulus wil wel komen om hen te bemoedigen maar het lukt hem niet. Maar hij bidt onophoudelijk voor hen. Daar ligt de kern. We moeten voor elkaar bidden. God hoort het gebed. God is niet ver weg. God is dichtbij. Bidden. Onze schuld belijden. Want wat komen we veel tekort. Wat moet er nog veel aan ons veranderd worden. Bidden. En dan Hem danken en loven en prijzen. Het leven is goed. Dank U Here. Wat een zegen ontvangen we elke morgen. Het kan niet op. Elkaar bemoedigen. De broeders, elkaar ziende, vatten moed. Het is heerlijk om Hem met elkaar te dienen, te loven en te prijzen. Met elkaar zijn we blij en vatten we moed. De gemeenschap is ontzettend belangrijk.

Want ik schaam mij het evangelie niet, want het is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft. Het is een kracht Gods. Het is een kracht. Niet van mij, niet van ons, maar van God. Het is genade. Hij geeft het. Wij mogen het ontvangen. Het komt van boven. We moeten erin schuilen, we moeten met ons schild de boze afweren en ons openstellen voor Hem. Het is een kracht, niet omdat wij ons openstellen, maar we zullen ervaren dat Hij de kracht in ons werkt en Hij ons zelfs de kracht geeft om ons voor Hem open te stellen. Hij beschermt. Dat is een geheim. Je kunt het zien in je leven. Want ik weet het zeker, omdat Hij het zekere in mijn leven geeft. Dat is toch geweldig. Je hoeft nergens meer bang voor te zijn. Want wie kan er tegen de kracht Gods op. Niemand. En zo is het.

En dan het bekende vers 17. De zin begint met “want”, dat is dus een conclu­sie. En dan komt het: gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof. We geloven in de kracht Gods en daaruit en daarin komt de gerech­tigheid van God openbaar. Als je er goed over na denkt is dat zo logisch als twee maal twee vier is. Want als het een kracht Gods is, dat Hij het geloof in onze harten werkt uit genade, dan werkt Hij ook de gerechtigheid in ons door het geloof. En vanuit dat geloof en de in ons gewerkte gerechtigheid zullen we dan ook gaan leven. De rechtvaardige zal uit het geloof leven. Het is toch heerlijk om daar vandaag weer mee op stap te gaan. Dat vers moeten we uit ons hoofd leren. Daar moeten we elk moment dat we dreigen verkeerd te gaan, weer naar toe gaan. We zouden het moeten inlijsten en ophangen en steeds als we weer de mist ingaan er even naar toelopen, schuldbelijden en weer op­nieuw beginnen en verder gaan. Het gaat immers om de kracht Gods. Er is ook een andere kracht en dat weten we maar al te goed. Die kracht is niets vergele­ken bij de kracht van God, maar we zijn zo stom dat we daar wel heel snel naar luisteren. Daarom moest Gods Zoon ook sterven om onze zonden te ver­zoenen en ons de weg te wijzen naar de kracht van God. Wat een genade. Want als we op ons zelf zien, dan hebben we helemaal niets verdiend. Maar Gode zij dank door Jezus. En dat maakt ons enthousiast. Daarmee vullen we ons leven. We kun­nen tegen van alles op zien. Maar de kracht van God gaat boven alles uit. Wat er ook gebeurt en hoe we ons ook voelen. En wat kunnen we ons zwak en onmogelijk voelen. Ga in de kracht van God. Hij heeft de wereld overwonnen. Hij komt. Zij Rijk is aanstaande. Prijs de Here.

Daarom groet Paulus ook met: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus. Hij is onze vrede. Hij leidt ons leven. We leven uit dat geloof: de rechtvaardige zal uit geloof leven.

Romeinen 1:18-32

18 juni [2]

1:18

Want toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden,…

1:22

Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden,…

1:24

Daarom heeft God hen in hun hartstochten overgegeven…

1:27

de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkander ontbrand,…

1:28

En daar zij het verwerpelijk achtten God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan een verwerpelijk denken om te doen wat niet betaamt:…

1:32

maar schenken ook nog hun bijval aan wie ze bedrijven.

Wat niet van God is ligt onder de toorn van God. De gerechtigheid van God wordt ten onder gehouden. Hoewel de mensen zelf in de natuur en met hun verstand kunnen doorzien dat er een Schepper is, hebben ze Hem afgewezen en zijn eigen goden achterna gegaan, IJdele goden naar hun eigen denken ge­maakt van hout en steen. Toen en zeker ook vandaag de afgoden van het god­deloze denken. Dat zullen ze dan weten ook. Want hun denken is overgegeven aan dat wat niet van God is en daar komen hoererij en allerlei egoïstische haatdragende en gemene praktijken uit voort. En wat zien we niet om ons heen. Het wordt hoe langer hoe erger. Ga je eenmaal zonder God, dan gaat het van kwaad tot erger. De rechtvaardige zal immers uit geloof leven. Rechtvaar­digheid is een gevolg van geloof in God. Pas het maar toe in je leven. Je ziet het voor je. Hoe vaak kom je jezelf niet tegen? Dat hoeft niet te zijn in al die vreselijke dingen die hier genoemd worden, maar ook in je eigen denken en doen. Hoe vaak zijn we niet egoïstisch, denken we van God af en zijn we met ons zelf bezig? Gevaarlijk. Pas op!

Dit stukje wordt ook vaak in de homostrijd aangehaald. Het zou hier niet om afwijzing van homorelaties gaan, maar om afwijzing van datgene wat geen liefde is. We moeten goed zien dat het hier gaat om een afwijzing van alle re­laties die niet gebaseerd zijn op liefde en trouw. De basis voor een relatie is de exclusieve relatie tussen een man en een vrouw in een huwelijk. Een andere relatie kent de Bijbel niet. Waar je daar van afwijkt, gaat het verkeerd. En dat staat ook weer niet op zichzelf, maar daar komt de hele rij van zonden in de laatste verzen bij.

Het leven wordt vol hartstochten als je niet vanuit de gerechtigheid van het geloof leeft. Het gaat dan verkeerd. We komen daarmee weer terug op het uitgangspunt, dat het goed is om dicht bij de geboden van God te leven. Dat maakt ons enthousiast om met al die slechte praktijken niet mee te doen, maar onberispelijk en onbesmet van de wereld te leven. Maak voor je zelf eens een eerlijk lijstje waarvan je je dan van moet bekeren. Het is een verfrissende bezigheid want je wordt er alleen maar beter van. Wat een genadige God.

Romeinen 2:1-11

19 juni [2]

2:1

Daarom zijt gij, o mens, wie gij ook zijt, niet te verontschuldigen, wanneer gij oordeelt. Want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelf; want gij, die oordeelt, bedrijft dezelfde dingen.

2:4

en beseft gij niet, dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt?

2:6

die een ieder vergelden zal naar zijn werken:…

2:11

Want er is geen aanzien des persoons bij God.

We hebben niet te oordelen. Het oordeel komt aan God toe. We moeten goed weten wat we doen. Want hoe vaak doen we niet dezelfde dingen, waar we een ander om oordelen. Daarom moeten we het oordeel aan God overlaten. Hij oordeelt rechtvaardig. Zij die Hem willen volgen, ontvangen eer en heer­lijkheid en een eeuwig leven. En de haters der gerechtigheid zullen het oordeel Gods ontvangen. Daarom moeten we ons uitstrekken om het goede te doen en in de wil van God te blijven. Dat verschil tussen goed en kwaad wordt hier heel duidelijk omschreven. En we weten allemaal, wat God daar mee bedoelt. Daarom is het ontzettend belangrijk dat, gelijk de rechtvaardige uit geloof leeft, we dat dan ook in de praktijk toepassen. Geen andere dingen doen, dan God van ons vraagt. We moeten daar niet te licht over denken. Het komt er steeds op aan. We zijn zo maar van de weg van God af. Vooral in ons denken en doen en ons reageren op anderen. Wat een ander ons aandoet, daar kunnen we ons hevig over opwinden en ons opmaken om die ander lik op stuk te geven. En daar ga je dan. Dan heb je precies wat hier staat. We moeten juist leven vanuit de barmhartigheid en de liefde van Jezus, Die juist dáárvoor zijn leven gaf. Hij zegt: heb Mij lief en de naaste als uzelf. Wat u niet wilt dat u geschiedt doe dat ook een ander niet. Het gaat erom om de onvoorwaardelijke liefde van God te beantwoorden met de liefde voor God en de naaste. En dat is een heerlijke bezigheid. Elke keer als we dat doen, daalt de vrede van God in ons leven. Doen we dat niet, dan is dat onze eigen schuld. Dan halen we het oordeel van God over ons. Dan zijn we geen haar beter, dan al die anderen waar we zo graag een oordeel over hebben.

Bij God is er geen aanzien des persoons. Wij staan schuldig. HERE, God, help ook deze dag om te leven zoals U dat van ons vraagt. We hebben uw hulp ont­zettend hard nodig, want zonder U komen we helemaal verkeerd uit. Dank U voor dit geweldige woord van U. Dank U, dat U er niet om heen praat, maar de zaak zwart-wit neerzet. Anders zouden we toch nog kunnen proberen er weer een smoes bij te verzinnen, om toch ons eigenzinnige weg van ik-gericht­heid te volgen. Dank U Here.

Romeinen 2:12-29

20 juni [2]

2:13

maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden.

2:16

ten dage, dat God het in de mensen verborgene oordeelt volgens mijn evangelie, door Christus Jezus.

2:23

Die u op de wet beroemt, onteert gij God door uw overtreden van de wet?

2:29

maar hij is een Jood, die het in het verborgen is, en de (ware) besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter. Dan komt zijn lof niet van mensen, maar van God.

Eigenlijk een vanzelfsprekende zaak. Je kunt wel Jood zijn en de wet en de geboden hebben. Denken dat jij de gerechtigheid hebt en dat je een leidsman van blinden bent. Dat je de wet en de profeten hebt, en bovendien alle beloften hebt, maar je houdt je zelf niet aan deze wet, dan ben je de wet te schande. God let niet op de hoorders der wet maar op de daders der wet. Je kunt wel met de mond belijden, maar als je het niet met je hart doet, dan baat het feit dat je Jood bent je niet. Het gaat om het hart en niet om de letter. Daarom is de onbesneden heiden, die de wet van God houdt als besneden, omdat hij met zijn hart gelooft. Er zijn zelfs heidenen die, hoewel ze niet geloven, de wet houden naar hun geweten en hun overtuiging. Het gaat dus om het hart.

God heeft een hekel aan mensen die zeggen het te weten en prat gaan op hun rechten, maar er in de praktijk een potje van maken. Die een ander oordelen maar zelf ook de wet niet houden. God ziet het hart aan. Daarom moeten we oppassen niet in de fout van deze hooghartige Joden te vallen. Wij kunnen wel denken dat we, omdat we lid zijn van die en die kerk, omdat we christen zijn en erbij horen, dat we daarom over de ander mogen oordelen. Maar in de prak­tijk doen we ook zonden, wijken we ook af van Gods geboden. Zijn we er ook met ons hart niet bij. Is ons hart koud en boos. Dan baat ons geloof niets. God heeft daar een hekel aan. Daar moeten we mee stoppen. En meteen. Want we spelen met vuur. Het gaat om de Geest, niet om de letter.

En dat weten we ook allemaal. Daar waar ons hart zit, daar zit het leven. Daar gaat het om. En als ons hart bij God zit, dan vult Hij het met liefde en zijn le­ven en zijn richting. Dan gaat het goed. Dan hebben we richting in ons leven. Dan worden we niet meer heen en weer geslingerd, maar dan drinken we uit de fontein des levens, die alleen maar levend water voortbrengt. Dan zijn we geen krampachtige mensjes meer, die verbeten trachten om alle geboden te houden of schijnheilig bezig zijn, maar dan geven we ons leven in de handen van Jezus, die ons rechtvaardig oordeelt en ons hart aankijkt. Hij weet dat we allemaal moeten leven van genade, omdat we allemaal gezondigd hebben. Maar door het bloed van de Here Jezus zijn we gereinigd van onze zonden. Wat een heerlijke gedachte. Wat een eerlijk hoofdstuk. Het wordt scherp en duidelijk gezegd. God kijkt het hart aan. Je kunt nog zoveel rechten claimen, omdat je Jood bent of wat dan ook, maar zit het met je hart niet goed, dan baat het allemaal niets. Onderzoek waar je hart zit en bekeer je. Nu, meteen.

Romeinen 3:1-8

21 juni [2]

3:1

wat is het nut van de besnijdenis?

3:2

dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd.

3:3

Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen?

3:5

Maar indien onze onrechtvaardigheid Gods rechtvaardigheid staaft, wat zullen wij dan zeggen?

3:8

Het is toch niet,…: Laten wij het kwade doen, opdat het goede eruit voorkome?

Paulus begint een hele verhandeling. Natuurlijk hebben de Joden voorrechten. Natuurlijk is de besnijdenis belangrijk. God heeft ze de woorden Gods toever­trouwd. Met hen een verbond gesloten. Maar het gaat om het hart. Dus de on­trouw van sommigen, de ongerechtigheid van sommigen, doet Gods trouw niet teniet. Nee, natuurlijk niet. En het is natuurlijk ook niet zo, dat we dan maar ongerechtigheid moeten doen om er gerechtigheid uit te krijgen. Neen, dat zijn drogredenen. We moeten juist terug naar het hart. Niet de uiterlijke tekenen. Niet de zonde. Neen. We moeten een grondige hekel hebben aan onze zonden. God is waarachtig en iedere mens leugenachtig. Juist door onze ongerechtig­heid laten we zien dat God gerechtigheid is. Dan moeten we het niet om gaan draaien. Zonden doen en verkeerd leven, opdat Gods rechtvaardigheid eruit naar voren komt. Dat wil God beslist niet.

Het lijkt zo simpel, maar in de praktijk valt dat vaak niet mee. Gods toorn gaat daar dan ook over. Dan moeten we niet zeggen: God is onrechtvaardig. Want we zijn zelf onrechtvaardig en daarom vallen we onder Gods toorn. Zo liggen de verhoudingen. We hebben er wel vaak een smoes aan verbonden, maar we weten zelf heel goed waar de schoen wringt. Daar moeten we onszelf steeds weer op onderzoeken. We zijn vaak zulke hardnekkige eigenwijze lieden, dat we steeds weer in dezelfde fout vallen. Maar God neemt dat niet. Hij blijft rechtvaardig en het is het belangrijkste dat wij ons toetsen aan die heilige God, Die ons zijn geboden voorhoudt.

Wat die geboden zijn, dat weten we. Dat zijn geen regels om zo maar te hou­den. Daar ging het om tegen de Joden. Ze zijn ook niet exclusief voor de Jo­den, want het gaat niet om de regels of je afkomst. Het gaat om je hart. Waar zit je hart? Zit je in de onrechtvaardige hoek, dan weet je dat de toorn van God daarover komt. Dan moet je de zaak niet omdraaien en God de schuld geven, als zou Hij daar een einde aan moeten maken. Neen, dan moet je je bekeren en vergeving vragen en met de rechtvaardige God verder gaan. Dat is een eerlijke zaak. Dat is de goede weg, waar we zegen door ontvangen. En niet alleen wij, maar ook de anderen met wie we te maken hebben. Dat begint in je eigen ge­zin, met je man, vrouw en je kinderen. Daar wordt dit woord het meest direct in de praktijk getoetst. En als de muren zouden kunnen spreken, dan zou ieder­een schrikken wat we allemaal op dit gebied verkeerd doen. Paulus ziet het heel scherp en het is goed dat hij hierover begint. Door onze onrechtvaardig­heid blijkt des te scherper waarachtigheid en rechtvaardigheid van God. We hebben weer heel wat huiswerk meegekregen.

Romeinen 3:9-20

22 juni [2]

3:9

Wat dan? Worden anderen boven ons gesteld?

3:11

Niemand is rechtvaardig, ook niet één,…

3:15

Snel zijn hun voeten om bloed te vergieten,…

3:19

en de gehele wereld strafwaardig worde voor God,

3:20

daarom, dat uit werken der wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd zal worde, want wet doet zonde kennen.

Wij zijn allemaal onder de zonde. Wie we ook zijn. Niemand uitgezonderd. Als je eerlijk de Bijbel doorleest, dan weet je dat dit meer dan waar is. En als we de geschiedenis bestuderen, dan merken we dat er geen einde komt aan de ellende en de zonde. Maar we kunnen beter dichter bij huis blijven. Wie durft te zeggen dat hij of zij zonder zonde is? We doen telkens weer zonde. We weten het maar al te goed. We zitten er vol van. Het is een permanent strijden. Daarom is het ook duidelijk dat geen vlees voor God gerechtvaardigd kan worden. Hoe zou dat kunnen? Want dan zouden we zonder zonde moeten zijn. Neen, het tegendeel. Dus de wet kan ons niet rechtvaardigen. De wet is goed, want de wet doet ons de zonde kennen en we weten dat we de wet moeten houden, om niet van God afgetrokken te worden. Maar de wet kan niet meer, dan ons de zonde doen kennen. Dat is al heel wat. Dit geldt zowel voor de Jood, als ook voor de Griek. De Joden, vanuit hun uitverkiezing als Gods volk en de heidenen, omdat ze door Jezus zijn geënt op de stam van Gods uitverko­ren volk. Een heerlijke gedachte. Een rustgevende zaak. Hoe we de wet ook proberen te doen – en dat is goed – het zal ons geen vergeving brengen. Het doet ons alleen maar de zonde kennen. Daarom geen verkrampte wetsbetrach­ting. Maar in de vrijheid van God levend je hart richten op Hem en ootmoedig geloven, dat Hij je zonden wil vergeven door het bloed van het Lam. Dat geeft een bevrijding, want dan zitten we onszelf niet meer af te tobben over onze staat, maar dan leggen we onze handen in de handen van Jezus, Die zijn leven gaf voor mij, ellendig mens. HERE God, help me om niet wettisch bezig te zijn, maar te leven vanuit uw bevrijdende almacht.

Romeinen 3:21-30

23 juni [2]

3:22

en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus.

3:23

Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods,

3:24

en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.

3:27

Neen, maar door de wet van geloof.

3:28

Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet.

Een prachtig stuk. Wet en geloof. We worden om niet gerechtvaardigd uit genade. Wat een geweldig aanbod van de HERE God. Wij zondigen allemaal en derven allemaal de heerlijkheid Gods. Maar Gode zij dank heeft het God behaagd om zijn eniggeboren Zoon te geven, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe. Hoe is het mogelijk? Wij worden gerechtvaardigd door het geloof in die ene naam: de Here Jezus Christus, de Zoon van God. Hij gaf zijn leven voor ons, omdat wij de straf verdiend hadden. Wij hebben gezondigd. Wij zijn weerspannig geweest. Wij hebben nergens recht op. Maar God, in zijn grote genade neemt ons aan door het geloof. En niet uit werken der wet. De Joden dachten dat het houden van de wet hen rechtvaardigt. Daar gaat het in dit stukje steeds over. Dat was voor hen moeilijk te begrijpen. Zij hadden toch de wet van Mozes en de profeten. Hoe was er niet op gehamerd dat ze de wet moesten houden. Wat waren ze daar ook niet steeds mee bezig. Maar hoe moet het dan met de mensen uit de heidenvolken? Die hadden toch de wet en de beloftes niet. En mogen die dan ook maar zo delen in de genade van God? Daar hadden ze moeite mee. Ze moesten nodig beseffen dat het geloof de kern was van de liefde van God. Dat was natuurlijk altijd al zo geweest, maar ze waren wel erg wettisch geworden. En daar probeert Paulus op directe, maar ook liefdevolle wijze doorheen te prikken. Het gaat om de gerechtigheid door het geloof. Het gaat om het geloof in het zoenoffer van de Zoon van God, Messias Jezus, die als lijdende knecht des HEREN is aangekondigd door de profeten. Lees maar Jesaja 53. Daar hadden de Joden helemaal moeite mee. Zij verwachtten helemaal geen lijden­de Messias, maar een zegevierende, overwinnende Messias, die de gehate bezetters, de Romeinen het land uit zou gooien. Wat een omslag in denken moesten ze maken om hier maar een beetje van te begrijpen. Vandaar dat Paulus zo uitgebreid over dit thema spreekt. Opdat het ze begint te dagen. En de gelovigen uit de volken ook begrijpen waarom de Joden het zo moeilijk hadden met de christenen, de volgelingen van Messias Jezus uit de heidenen.

Er is dan ook geen plaats om je te beroemen op je status Jood of Griek. We hebben immers allemaal gezondigd. Wij kunnen alleen maar gered worden door het zoenoffer van Messias Jezus. Uit genade om niet. Daar kunnen wij met ons vlees niets aan toevoegen. Daar kunnen we alleen maar diep dankbaar voor zijn. En gerechtvaardigd door het geloof verder leven. Glorie voor zijn Naam. Is de wet dan zonder betekenis? Neen volstrekt niet. Er zijn heel veel mensen die dan zeggen: O dan hoeven we geen aandacht te geven aan de wet. Neen, het tegendeel is waar. We zullen zien. Ga met God, dan ga je goed.

Romeinen 3:31-4:25

24 juni [2]

4:3

Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.

4:7

Zalig zij, wier ongerechtigheden vergeven en wier zonden bedekt zijn.

4:9

Het geloof werd Abraham tot gerechtigheid gerekend.

4:11

En het teken der belijdenis ontving hij als het zegel der gerechtigheid van dat geloof,…

4:13

maar door gerechtigheid des geloofs.

4:17

Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld –…

4:20

maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer,…

4:24

maar ook om onzentwwil, wie het zal worden toegerekend, ons, die ons geloof vestigen op Hem, die Jezus, onze Here, uit de doden opgewekt heeft,…

We blijven doorgaan met de plaats van de wet en het geloof. Het was ook al met Abraham zo dat hij door het geloof gerechtvaardigd werd. Dat gold zelfs al voordat hij besneden was. Paulus wil duidelijk maken dat het ook in het Oude Testament onder het oude verbond, in de tijd van de Torah, gaat om het geloof. Abraham werd door het geloof gerechtvaardigd. Hij bleef geloven, zelfs toen het onmogelijk leek dat hij nog kinderen kon krijgen. Ook bleef hij geloven dat God Zichzelf een offer zou geven toen hij met Isaäk op reis naar Moria ging. God ging tot het uiterste. Zelfs toen hij zijn eniggeboren zoon op het altaar bond, bleef hij geloven in de belofte van God.

Dat geldt ook voor ons die ons geloof onwankelbaar vestigen op Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, die is overgeleverd om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging. Wij mogen onwankelbaar vasthouden aan de belofte en de verzoening door onze Here Jezus Christus. Hij gaf Zijn leven voor ons. Wij zijn gerechtvaardigd door het geloof in Hem. Daar moeten we aan vasthouden. En komt er twijfel, komen er aanvallen, dan is er slechts de ene weg tot behoud: houd vast aan het offer der verzoening door het bloed van Jezus. Dat is toch geweldig. daar kan geen wet, geen regel tegen op. Wat zijn we toch dom dat we zo vaak ons willen vasthouden aan regels en gebo­den. Zo in de zin van: als we nou maar goed leven en dit en dat niet doen of dit en dat wel doen, dan komt het goed. En hoe rekenen we elkaar daar niet vaak op af. Wat zitten we toch vol met oordeel en beoordeling terwijl we alleen maar moeten vasthouden aan het geloof in Hem, Die ons vrijmaakt, Die ons rechtvaardigt. Er is geen andere weg.

God kan ons soms erg op de proef stellen. Je zult je zoon maar moeten offe­ren. Je zult maar moeten blijven geloven tegen beter “weten” in. Zoals Abra­ham of zoals de profeten. Maar Hebreeën 12 zegt: We hebben zulk een grote wolk van getuigen rondom ons, dat wij er niet aan hoeven twijfelen dat God doet wat Hij zegt. Daarom moeten we ons oog gericht houden op Jezus. Wat heeft Hij nu verkeerd gedaan, maar binnen drie jaar hadden ze Hem uit de weg geruimd. Deze Jezus zal terugkeren. Want het Koninkrijk Gods is aangebro­ken. Het Rijk van God waaraan geen einde zal komen. Hij is getrouw. Hij laat ons nooit in de steek. Hij zal ons helpen. Hij geeft ons kracht. Wij moeten in Hem blijven geloven. Hij zal zijn kracht in onze zwakheid openbaren. En dat is geweldig. Dat is waar. We kunnen het wel van de daken roepen. Daarom is de proclamatie van zijn waarheid het allerbelangrijkste wat we kunnen doen. Glorie voor zijn Naam. Dank U, Here Jezus, dat U ons er weer helemaal bij bepaalt. Vergeef ons onze wankelmoedigheid en onze werkheiligheid.

Romeinen 5:1-11

25 juni [2]

5:1

Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus,…

5:5

en de hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest,…

5:9

Veel meer zullen wij derhalve, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn.

5:11

door wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.

De rechtvaardige zal uit geloof leven. En zo is het. En uit genade zijn we behouden. We worden om niet gerechtvaardigd. We worden uit het duister getrokken tot het licht. En omdat God, door de Heilige Geest, in onze harten woont, zal Hij ons ook door beproevingen heen helpen. Hij zal ons vaster maken. Hij zal ons volharding leren. Want Jezus stierf voor ons aan het kruis, toen wij nog zondaren waren. Wij hebben de verzoening ontvangen. Hij zal ons behouden van de toorn. Jezus gaf zijn leven voor ons. Dat is toch gewel­dig. En als dat zo is, dan willen we niet anders dan bij Hem horen. Hij, die geen zonde gedaan had, geeft zijn leven voor ons, die zondaars waren. Dat is een aanbod van genade waar we eeuwig dankbaar voor kunnen en mogen zijn.

Dat is de vrucht van de rechtvaardiging. We worden gerechtvaardigd door geloof. Dat geloof rechtvaardigt ons. Daaraan klampen we ons vast. Het is genade. Het is een gave van God. We kunnen nergens anders op roemen dan op het zoenoffer van God. Paulus kan niet stoppen om dat steeds maar weer te benadrukken. We kunnen niets verdienen. Wat zitten we toch vast aan ons eigen werkheiligheidgevoel. Net alsof we de hemel kunnen verdienen door de dingen die we doen. Daar moeten we rigoureus vanaf. We doen goede werken natuurlijk uit dankbaarheid, maar niet om er onze verzoening, onze zaligheid mee te verdienen. Het is goed om bij onszelf na te gaan waar we vastzitten in onze eigen heiligheid, onze eigen dogmaatjes van zo moet het en niet anders. Waar zijn de terreinen, waarin we ons niet onvoorwaardelijk hebben overge­geven aan Jezus. We hebben onze handen vol aan onszelf, als we denken de hemel te kunnen verdienen. Maar als we op Jezus zien en pleiten op zijn ver­lossingswerk dan buigen we ons hoofd en hart uit dankbaarheid en prijzen de HERE God, dat er alleen maar rechtvaardiging is uit geloof en dat alleen uit genade. Er is niets van onszelf bij. We zouden de eer van God eens kunnen roven. Het is ook bevrijdend, want hoe vaak vallen we onszelf niet tegen. Dan zouden we nooit de heerlijkheid Gods kunnen ontvangen. Want we hebben allemaal gezondigd en missen de heerlijkheid Gods, zegt Paulus. Maar Gode zij dank, door Jezus Christus, door geloof en uit genade mag ik me een kind van God noemen. Buig uw knieën voor die Jezus. Niet straks, maar nu. Het is de grootste bevrijding in je leven die je ooit mee zult maken. Glorie voor zijn Naam.

Romeinen 5:12-21

26 juni [2]

5:15

veel meer is de genade Gods en de gave, bestaande in de genade van de ene mens, Jezus Christus, voor zeer velen overvloedig geworden.

5:17

veel meer zullen zij, die de overvloed van genade en van de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en als koningen heersen door de ene, Jezus Christus.

5:21

zo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid ten eeuwigen leven door Jezus Christus, onze Here.

Door één mens is de zonde voor alle mensen in de wereld gekomen. Alle mensen hebben gezondigd. Door één Mens, de Zoon van God is de gerechtig­heid in de wereld gekomen. Een ieder die Hem, uit genade aangenomen heeft zal behouden worden. Dit geldt vanaf Adam. De zonde kwam in de wereld. De dood ging heersen. Maar Gode zij dank, uit genade leven we. We ontvangen die genadegave ten leven en zullen als koningen heersen met Jezus Christus. We ontvangen het eeuwige leven. We sterven wel, maar leven eeuwig dank zij het offer der verzoening door Jezus. Anders zouden we niet kunnen leven. We zijn voor eeuwig dood. Maar nu is er verlossing. Er is veroordeling door de zonde. Maar de verlossing door het bloed van Jezus maakt de weg naar het eeuwige leven weer vrij. Dat is fantastisch. Dat is een geweldige weg Dat is de relatie tussen Adam en Christus. De tweede Adam, onze Here Jezus Christus, verloste ons van de weg van de dood. Hem zij eeuwig dank en ere. Het kon niet anders. Want waar zonde is daar is veroordeling. Daar moet boetedoening en verzoening op volgen. En dat nam Jezus op zich. En die genade, die weg wordt alle mensen aangeboden om niet.

We weten allemaal dat we gezondigd hebben, maar we willen het zo vaak niet erkennen. We willen eraan vasthouden. We laten het niet los, maar we gaan te gronde. Daarom moeten we naar de roepstem van koning Jezus luisteren. Hij roept en biedt deze weg aan. Hij wil zelfs dat we als koningen met Hem heer­sen tot in eeuwigheid. Dat is geweldig. En het andere leven is de dood, want de dood is in de wereld gekomen. Dat weten we maar al te goed. We weten het alleen al omdat we allemaal dood gaan. Maar de dood hoort niet bij het leven. De dood is er door de zonde. De dood is de bevestiging van onze zonde. Echter, zo is het van den beginne niet geweest. De dood heerst in ons sterfelijk lichaam. Maar door de dood van die Ene, Messias Jezus, is de zondeschuld weggenomen en wordt ons het eeuwige leven aangeboden. Neem het dan aan. Wacht niet langer. Paulus kan het wel van de daken schreeuwen. Hij legt het steeds maar weer uit. Mensen, mensen, denk niet dat je het zelf op een of andere manier, of hoe dan ook kunt verdienen. Het is genade, het is genade. Het gaat om geloof. Geloof het dan.

En als je het gelooft, dan besef je ook nog dat je geloof uit genade hebt ont­vangen. Want alles komt van God. Stop nu maar met je af te vragen of je gelooft. Als je Jezus belijdt en weet dat je alleen van genade kan leven, dan mag je je met al je lek en gebrek overgeven aan Hem, die rechtvaardig oor­deelt. Heerlijk geworpen te worden in de armen van Jezus. Hij trekt en jij wordt getrokken. Alle gedachte of je er wel goed genoeg voor bent, of je wel goed gelooft, of het wel voor jou is, hoort thuis in het rijk van de eigendunk heiligheid, de werkheiligheid. Net alsof jij ook maar iets kunt toevoegen aan je eigen zaligheid. Niets en niets. Dat staat hier. Doe het dan, laat los. Hij trekt je. Hij roept je. Het is fantastisch om je door Hem te laten trekken. Wat een toekomst, wat een bevrijding.

Romeinen 6:1-14

27 juni [2]

6:6

dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden…

6:11

Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wel dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus.

6:13

en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God.

Dit is een stukje dat je een paar keer moet lezen. Het is een geweldig stuk. Het is het geheim van de verzoening. Jezus is als Verlosser en Verzoener gestor­ven. En wij zijn met Hem gestorven in de dood. De zonde is met Hem gestor­ven. Wij zijn met Hem opgestaan in een nieuw leven. De zonde is aan ons lichaam onttrokken. We hebben een nieuw leven. De zonde heeft geen macht meer over ons nieuwe lichaam.

Het lijkt een onmogelijke redenering. Want de praktijk van alle dag lijkt zo vaak op het omgekeerde. Maar het staat hier wel. We zijn een nieuwe schep­ping in Hem. Net zo goed als Hij is gekruisigd, gestorven en begraven en op­gestaan, zijn ook wij in nieuwheid des levens opgestaan. Onze zonden zijn verzoend. De zonde heerst nu niet meer in ons sterfelijk lichaam. Dat is een feit. Paulus kan het niet genoeg herhalen. En dat allemaal uit genade. De genade is de basis. De gerechtigheid door het geloof om het zoenoffer van Jezus is enkel uit genade. Het gaat geheel tegen ons eigen denken in. Maar daarom is het ook geloof en daaruit een zeker weten. We beseffen het wel, want we komen onszelf ook ontzettend vaak tegen. Daarom ook de oproep om onze leden niet langer in dienst te stellen van de ongerechtigheid. Het gaat om de liefde van Hem. Wij zijn dood geweest, maar nu levend en daarom moeten we onze leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God stellen. We zijn niet meer onder de wet, maar onder de genade. Dat is een grote kracht, maar ook een grote verplichting. Paulus heeft het hier steeds maar over de plaats van de wet en de genade. Door het geloof, uit genade zijn we gerecht­vaardigd door het offer van de Here Jezus. Dat is niet de wet houden, maar uit genade leven. Daar kunnen we niet genoeg voor danken en bidden. Het is een geweldige genadegave. Wat een zegen dat we ons daaraan mogen vastklam­pen. Daar kun je je leven mee vullen. Trouwens, als we eerlijk zijn tegenover onszelf dan weten we dat we ook niet anders kunnen. Want we komen ontzet­tend veel te kort. De zonde heerst in ons lichaam. Dat weten we maar al te goed. En de wet doet de zonde kennen. Daarom is dit een krachtig stuk. Een duidelijke uitleg. Ook al gaat het tegen ons eigen denken en doen in. Het is de waarheid waaruit we moeten leven. Daar moeten we ons ook voor inzetten. Want als we door deze dood zijn heengegaan, dan is dat inclusief de kracht, die Hij wil geven om onze leden ten dienste van Hem te stellen. Daar komen we in tekort. Maar daar moeten we ons wel voor inzetten. Daar willen we ons ook voor inzetten. En daar gaan we ons steeds meer voor inzetten, naarmate we gaan ervaren en geloven dat het genade is, dat we deel hebben aan het lichaam ten leven en verlost zijn van het lichaam van de dood.

Romeinen 6:15-23

28 juni [2]

6:18

en, vrijgemaakt van de zonde, zijt gij in dienst gekomen van de gerechtigheid.

6:19

zo stelt nu uw leden ten dienste van de gerechtigheid tot heiliging.

6:22

hebt gij tot vrucht uw heiliging en als einde het eeuwige leven.

6:23

Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here.

In wiens dienst staan we? Als we slaven zijn van de dood, dan zijn we geen slaven van de gerechtigheid. Je gehoorzaamt de heer in wiens dienst je staat. Dus als we vrijgemaakt zijn van de zonde door het offer van Jezus, dan zijn we in zijn dienst en zijn we opgeroepen tot heiliging en inzet voor dat nieuwe leven. Dat klinkt vanzelfsprekend. Dat is logisch. Daar kun je elkaar op aan­spreken. Daarom als we gestorven zijn aan de zonde, dan zullen onze werken ook dienovereenkomstig moeten zijn. Dan worden het werken ter gerechtig­heid. Dan gaan we de dingen doen die God van te voren voor ons bereid heeft. Dan zijn we vrijgemaakt van de zonde, bezig om ons leven te heiligen en te reinigen. Daar zetten we ons voor in. Als we slaven zijn van Jezus onze Mes­sias, onze Verlosser, onze Verzoener, dan mogen we ons ook inzetten voor Hem. We zijn gehoorzaam aan onze Meester. En onze Meester wil ons ook helpen. Daar mogen we van uitgaan. Wat een genade.

Dus we strijden tegen de zonde, omdat we niet meer in dienst zijn van de dood. Toen we dat wel waren hadden we geen begrip van ongerechtigheid. Dat leidt tot de dood. Maar de genade en de gerechtigheid door het geloof leidt tot heiliging en het eeuwige leven. Dat is een logische zaak. Je dient de heer van wie je bent. Je dient of het leven of de dood. Het is hemel of hel. Het komt er dus op aan wie je volgt. Het loon dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade die God schenkt, is het eeuwige leven. Dat is geen loon, maar dat is genade. We zijn met Hem gestorven en begraven en opgewekt. Wij hadden die straf verdiend, maar Hij nam die op Zich. Daarom is het geen loon, maar gena­de. En daar kunnen we niet genoeg voor danken. Want het is een wonder van God. Het is een aanbod. We mogen dat allemaal aannemen. We zullen alle­maal onze ellende zien. We mogen onze zonden afleggen aan het kruis van Golgotha. Of beter gezegd: Hij heeft ze op Zich genomen en wij mogen in nieuwheid des levens gaan wandelen. Hij heeft ons gered.

Dank Paulus, dat het zo krachtig en direct en niet mis te verstaan is uitgelegd. Daar hebben we behoefte aan in deze verwarrende tijd. Want we horen van alles om ons heen. Maar het is de waarheid en die waarheid mogen we ons eigen maken. Dat is de oproep ten eeuwigen leven. Alle andere wegen zijn wegen die tot de dood leiden. Kijk zelf maar. Zie maar om je heen. Het is de dood. Maar in Hem zijn wij meer dan overwinnaars. Hij is voor ons gestorven. Met Hem op weg in het eeuwige leven.

Romeinen 7:1-12

29 juni [2]

7:1

dat de wet heerschappij voert over de mens, zolang hij leeft.

7:4

opdat wij Gode vrucht zouden dragen.

7:6

maar thans zijn wij van de wet ontslagen,… zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter.

7:8

Maar uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op; want zonder wet is de zonde dood.

7:10

bleek voor mij juist ten dode te zijn;…

7:12

Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

De wet. De wet. De wet weet wat. De Joden zaten vast aan de wet. Paulus haalt er het voorbeeld van het huwelijk bij. Als de echtgenoot overleden is, mag je weer met een ander trouwen. Anders niet. Zo is het met de dood door het offer van Messias Jezus. Je bent dood voor de zonde. En je bent het eigen­dom geworden van Christus. Dat is nogal een sterke uitspraak. Maar Paulus zegt het zo sterk, omdat de wet toch zo’n heilig middel was voor de Joden. Hoe zit het dan toch met de wet? We leven nu door de Geest. De Geest van Christus. We zijn een nieuwe schepping. Om heilig en rechtvaardig te zijn.

Jezus en Jezus alleen. Is dan de wet slecht? Neen, natuurlijk niet, maar we leven nu niet meer volgens de letter, maar door Jezus Christus. De geboden zijn goed. Daar gaat het niet om, maar het gaat erom of je een nieuwe schep­ping bent in Christus. En als je dood bent voor de zonde doordat je met Hem gestorven en begraven bent en opgestaan in een nieuw leven, dan zeg je ook niet dat de wet slecht is. Neen, juist het omgekeerde. De wet is goed. Je wilt dan ook leven vanuit je nieuwe schepping om Gode welgevallig te zijn. En de geboden van God zijn goed. Maar je leeft niet meer volgens de letter, maar je leeft vanuit het geloof in Messias Jezus, die de straf voor jouw zonden heeft gedragen op het kruis van Golgotha. Ik ben gedood door het offer van Jezus. Ik ben gestorven aan de wet. Ik ben opgestaan in een nieuw leven. De wet achter mij latende, om vanuit het nieuwe leven in Jezus, met vreugde de wet te volbrengen. De wet heeft de zonde doen kennen. Maar Jezus heeft de vreugde van het eeuwige leven doen kennen, waar we ons naar uit willen strekken uit dankbaarheid en geloof. Fantastisch. Wat een rijk perspectief. Wat een gena­de. Wat een heerlijkheid. Blijf je alleen geloven in de letter van de wet, dan maakt dat je dood. Het gaat niet om de letter, maar om de Geest tot geloof. De rechtvaardige zal uit geloof leven is vanaf de schepping het uitgangspunt geweest.

Begrijpen we het een beetje? Ik probeer het ook te begrijpen, maar besef met­een dat ik er slechts een klein beetje van begrijp. Een tipje van de sluier van de oneindige liefde van God is opgelicht. Maar er is nog veel meer. Nog veel meer. Het is geweldig. Het is geweldig. Wat een rijkdom. Wat een genade. En als we op ons zelf zien, dan is het ook logisch dat wij met ons eigen zondig leven nooit de zaligheid kunnen verdienen. Het is enkel uit genade. Wat een aanbod van geloof. Dank U Here Jezus. Duizendmaal dank. We kunnen U er niet genoeg om danken. Wat een evangelie!

Romeinen 7:13-26

30 juni [2]

7:14

Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde.

7:17

Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont.

7:21

Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig;…

7:24

Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?

7:25

Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!

Een uit het leven gegrepen slot van deze theologische verhandeling. Een eer­lijk verhaal. Herkenbaar voor ons allemaal. Het is zo. Het is waar. De wet der zonde in mijn vlees en het geloof in Jezus in mijn geest. Als ik het goede wil doen is het kwade mij nabij. De zonde heerst in ons sterfelijk lichaam. Je kunt daar ellendig en moe en verdrietig en wanhopig van worden. Want wat je ook probeert, de wet der zonde heerst in je lichaam. Eigenlijk is het sterfelijk zijn al onderdeel van de zonde. Want wij zijn geboren om eeuwig te leven. En we ervaren de dood op allerlei manieren in ons lichaam. We moeten allemaal ster­ven. Wij allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods. Die heerlijk­heid Gods, dat was toch geweldig in het paradijs. En God zag dat het goed was, dat het zeer goed was. En dan moeten we na de zondeval sterven. Som­migen sterven jong, sommigen oud, maar allen sterven we. Sommige hebben een handicap of krijgen een handicap. Sommigen moeten ontzettend lijden. We vragen vaak naar het waarom. En hoe opstandig kunnen we zijn. Er hoeft ons maar iets in de weg te liggen in onszelf of in een ander of we gaan al tekeer. De zonde lijkt wel automatisch te zijn en het leven met Jezus een hele opgave. Paulus weet er alles van. Het is een strijd.

De zonde heerst in ons sterfelijk lichaam Daar moeten we niet te licht over denken. Nou, Paulus, als jij daar last van hebt zoals je schrijft, wie heeft er dan nog het lef om te denken of te zeggen dat hij er geen last van heeft. Want de zonde is sterk. Het is een macht. Die kon alleen gebroken worden doordat God zijn eigen Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe. Dat is geen halve maatregel. Paulus concludeert dan ook: Ik ellendig mens. En zo is het. We weten het beter. We geloven ook dat we met Christus gestorven zijn in de dood en met Hem zijn opgestaan in het nieuwe leven. Maar toch worden we elke keer getrokken naar de dood van de zonde in ons lichaam. Wat moet God toch met zulke ondank­bare schepselen. Daar is toch geen beginnen aan. Maar, maar, luister goed, luister goed. Ga niet in de put zitten. Verwacht het niet van je zelf. Nu komt het: vers 24 en 25. Leer die uit je hoofd. Schrijf die op: Ik ellendig mens Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here! Wat een genade. Wat een liefde van God. Wat een zegen. Wat een uitkomst. Er is altijd een weg om opnieuw te beginnen. En steeds weer. Geef de moed niet op. Zie op Hem. Hij gaf zijn leven, omdat Hij wist dat we het zelf nooit konden. Wat een redding. We verdienen het niet. We strekken ons uit naar de reddingsboei naar het eeuwige leven.

Romeinen 8:1-17

1 juli [2]

8:1

Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn.

8:2

Want de wet van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.

8:5

en zij, die naar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest.

8:6

de gezindheid van de Geest is leven en vrede.

8:10

Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid.

8:11

ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont.

8:14

Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods.

8:16

Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn.

8:17

immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.

Heerlijk. Als we in Christus zijn dan is er geen veroordeling meer. Want we zijn vrijgemaakt door het offer van Messias Jezus. God gaf zijn Zoon. Dat maakt ons vrij. Heerlijk. De eis der wet werd vervuld door het offer van Jezus. Wij wandelen nu door zijn Geest. Die gezindheid is leven en vrede. En ga het zelf maar na. Ons sterfelijk lichaam is de dood. De zonde huist in ons sterfe­lijk lichaam. En we weten niet wat we moeten doen. Maar de Geest van Chris­tus maakt ons vrij van de wet van de dood. Als Jezus in ons leeft, dan is het lichaam dood voor de zonde, maar de Geest is levend vanwege de gerechtig­heid. En als die Geest in ons woont, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, dan zal ook ons sterfelijk lichaam onsterfelijkheid aandoen.

Wat een verhandeling. Wat een logica. Wat een vanzelfsprekendheid. Als we met hem begraven en opgewekt zijn dan hebben we ook zijn Geest die leven en vrede is. We zijn met Hem opgestaan in het nieuwe leven. De zonde heeft geen overhand meer op ons. We hebben de gezindheid van de Geest die in ons woont. Je kunt het op jezelf toepassen. Het blijft een strijd We moeten telkens opnieuw onze gezindheid toetsen aan de Geest van Christus. Dat maakt ons niet moe en neerslachtig, dat brengt ons constant op de knieën om God te danken, dat Hij het steeds opnieuw met ons ziet zitten. Niet omdat wij zo goed zijn, maar omdat wij pleiten op het offer van Messias Jezus. Prijs de Heer voor zoveel goedheid, genade, barmhartigheid en lankmoedigheid. Het is een onvoorstelbare zegen. Het is voor iedereen die Hem van harte liefhebben. Laten we ons dan naar Hem uitstrekken. Dan hebben we de Geest des levens in ons. Dan woont Christus in ons. Dan gelden de beloften voor ons.

Dan zijn we zonen Gods. Want allen die door de Geest van God leven, zullen zonen Gods genoemd worden. Dat is je toch niet voor te stellen. Daar kun je met je verstand niet bij. Zonen Gods? Ik, een zoon Gods? Dat kan toch nooit. Ik ellendig mens. Maar Gode zij dank door Jezus Christus. Je krijgt er niet genoeg van. Here Jezus, dank U. Duizendmaal dank. Wie wil daar ook niet deelgenoot van zijn. Het enige wat je moet doen is je onvoorwaardelijk over­geven aan Koning Jezus, Die roept en zegt: werp al je lasten op Mij, want ik ben gekomen om je leven te redden. Jij kunt het zelf helemaal niet. Je bent er niet eens toe in staat. Je bent overgeleverd aan de dood. Daarom moest Ik sterven voor de verzoening van de zonden van deze wereld om de weg tot God vrij te maken. Kom dan tot Mij en Ik zal je rust geven. Dan hoeven we niet terug te vallen in ons oude leven, want we mogen het nieuwe leven ontvangen uit genade. Het zoonschap Gods. Wij zijn kinderen Gods door zijn Geest. En als we kinderen zijn dan zijn we ook erfgenamen van God en mede-erfgena­men van Christus. Dan delen we ook in zijn verheerlijking. En wat zal dat heerlijk zijn. Dat eeuwige Koninkrijk van God. Waar recht en gerechtigheid heerst. Waar geen tranen meer zullen zijn. Waar eeuwige vrede is. Daar komt geen einde aan.

Er is geen veroordeling meer, want we zijn een nieuwe schepping. En als de aanklager aller broederen ons toch probeert de put in te praten, dan moeten we sterk zijn door de kracht van God en hem wederstaan. Dan zal hij ook van je vlieden. Want de kracht van God is een sterke muur. Is onneembaar, is een vesting, is een rots. Dat is pas leven.

Romeinen 8:18-39

2 juli [2]

8:18

Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden.

8:19

Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods.

8:20

Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft,…

8:23

zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam.

8:26

En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.

8:28

Wij weten nu, dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben,…

8:30

en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.

8:31

Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?

8:35

Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?

8:39

noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.

Ja, dat is uit het leven gegrepen. Wat is er een lijden in deze wereld. Wat is er een ellende. Wat is er een zuchten. De hele schepping zucht en is in barens­nood. We zien het om ons heen. De dood heerst overal. De zonde stijgt ten hemel. Het wachten is op de verlossing van ons lichaam. Wij hebben het zoon­schap Gods, maar het wachten is op de verlossing van ons lichaam. Het open­baar worden van de zonen Gods. Als we dat geloven, dan hopen we daar op. Dan volharden we daarin. Dan zullen we ook weten dat God ons vasthoudt. Wij weten vaak niet wat we zullen bidden, maar de Geest Zelf pleit voor ons. Want als de Geest Gods in ons woont, dan zullen alle dingen medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben. Hij heeft ons uitgekozen. Zijn Geest woont in ons. En als dat zo is, wie of wat kan ons dan nog scheiden van de liefde van God? Hij gaf zijn eigen Zoon als verlossing, als verzoening van onze zonden. Als Hij zelfs dat voor ons heeft overgehad, dan is er toch niets meer dat ons kan scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus! Maar dan ook helemaal niets. Je kunt niet zo gek bedenken, maar het zal je niet kun­nen scheiden van Hem. En wat kan je niet overkomen? Ja, zelfs de dood zal ons niet kunnen scheiden. Er is wat lijden in deze wereld. God weet daar Zelf alles, maar dan ook echt alles van. Hij ziet alles! Maar Hij houdt ons vast. Zijn Geest woont in ons. In ons sterfelijk lichaam. De zonde woont in ons. Door zijn Geest zijn wij dood voor de zonde. Maar de zonde is er nog wel. Maar we leven door de Geest. Wat een heerlijke toekomst als eenmaal die dag komt, dat het voor iedereen zichtbaar wordt dat we werkelijk zonen van God zijn en we verlost zijn van ons zondig lichaam.

Je kunt oneindig sterk verlangen naar die dag. Wat kan het soms lang duren. Zeker als het lijden je zwaar weegt. Maar dan juist komt het aan op volhar­ding. Niet opgeven. Want hij komt. Of door de dood: de doorgang naar het eeuwig leven, òf dat Jezus Zelf komt om zijn Rijk van recht en gerechtigheid te vestigen. Glorie voor zijn Naam. Dank U, Here Jezus. Dank U, HERE God. Wat een zegen. Wat een genade. We kunnen er niet over ophouden. We wor­den er steeds enthousiaster van. Dank U, HERE, God voor de verhandeling van uw knecht Paulus. Wat een diepgang. Wat een openbaring. Wat een gena­de. Wat een uitweg om nooit vast te lopen. Wat hadden we dit nodig om het scherp en juist te zien. Dank U, Here Jezus.

Romeinen 9:1-18

3 juli [2]

9:2

ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer.

9:4

immers,… hunner is de aanneming tot zonen…

9:6

Maar het is niet mogelijk, dat het woord Gods zou vervallen zijn.

9:8

maar de kinderen der beloften gelden voor nageslacht.

9:11

opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep,…

9:14

Zou er onrechtvaardigheid zijn bij God? Volstrekt niet!

9:18

Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil.

Het is wel een moeilijk stuk dat nu komt. Je moet deze hoofdstukken 9, 10 en 11 eigenlijk in zijn geheel lezen. En ze ook een aantal keren lezen.

Paulus, een geboren Jood. Hij kent alle geschriften. Hij weet van de eeuwig­durende beloften, gegeven aan vader Abraham. Hij weet dat de Joden het uitverkoren volk zijn. En wat moeten ze nu met de komst van Jezus? Hoe zit het dan met Paulus’ verhandeling over de wet en het geloof? De rechtvaardige zal immers uit geloof leven. Hoe zit het dan met de uitverkiezing? Wat is de plaats van het Joodse volk?

Paulus legt uit dat alleen de kinderen der belofte als nageslacht gelden. Hij illustreert dat met het leven van Abraham en zijn kinderen. Hij had geen kind en God geeft een kind. Hij had geen offer en God geeft een offer. Rebekka kreeg een tweeling en God kiest Jakob. Hij blijft zijn verkiezend voornemen benadrukken. Niet het automatisme van de afstamming. Het is het verkiezend voornemen van God. Farao moest Farao zijn om zijn volk uit te leiden. Om de kracht van God te tonen en omdat zijn verbond zou worden verbreid over de gehele aarde. God is soeverein. Hij hoeft geen verantwoording af te leggen aan ons voor zijn daden. Hij ontfermt zich over wie Hij wil. Hij verhardt wie Hij wil. Dat klinkt allemaal wel erg defaitistisch. Daar kunnen wij niet mee uit de voeten. Daar kunnen we wel onze slinger aan geven, maar het blijft toch moeilijk te verteren. Want dan kunnen wij dus nergens iets aan doen. Dan moeten we maar afwachten. En daar gaan we de mist in. Het staat geschreven, opdat we niet zelf met God en Gods plan op de loop gaan. Want dat doen we maar al te vaak. Als we iets niet kunnen vatten, dan leggen we het naast ons neer of we maken er zelf één of ander dogma bij. God weet dat en daarom gaat Hij de wonderlijke weg met de onmogelijkheid van Isaäk en de onmogelijk­heid van het offer en de onmogelijkheid van de keuze tussen Jakob en Ezau. En als we opmerken hoe de stamboom van Jezus eruit ziet, dan zien we keer op keer, dat God een voor ons onverklaarbare weg gaat. Het is alsof God steeds opnieuw ons erbij bepaalt dat zijn weg niet de weg is die wij met ons zeer beperkte verstand en inzicht kunnen bepalen, maar dat het zijn eigen soe­vereine weg is, die voor ons moeilijk te begrijpen lijkt, maar die ons wel op onze plaats houdt op weg naar dat eeuwige Koninkrijk van recht en gerech­tigheid. Daar gaat het om. Hij is de Pottenbakker en wij het leem. Hij heeft het goede met ons voor.

Het is duidelijk dat de machthebbers in deze wereld door God gebruikt wor­den om zijn weg te banen in deze gevallen wereld, om die wereld weer op te richten. Heerlijk om dat te weten. We worden gek, als we ook maar een po­ging doen om het met ons eigen verstand te willen begrijpen. We blijven dan onszelf en vooral ook God verwijten, dat we er ook niets aan kunnen doen. En is dat niet wat we het meeste horen om ons heen? Als God dan almachtig is, waarom dan dit en waarom dan dat. En daar gaan we.

Paulus stelt het heel scherp. Het zijn de kinderen der belofte waar het om gaat. Niet allen die Israël zijn, zijn Israël. Het zal je maar gezegd worden. Dat was een vloek in de synagoge. Daar moesten ze niets van hebben. Daarom waren de Joden ook furieus. Ze hebben Jezus uit de weg geruimd en ze wilden Pau­lus ook uit de weg ruimen. Wat denkt hij wel? Let op, hoe Paulus verder gaat met het grote hartzeer dat hij heeft voor zijn eigen volk. En let op, dat we zijn woorden ook heel serieus nemen in ons eigen leven: Waar is ons geloof op gebouwd? Op onze eigen dogma’s, of op de beloften aan Abraham gedaan dat zijn nageslacht zou zijn als het zand aan de oever van de zee. Halleluja, ook wij zijn ingelijfd in de kinderen der belofte. Wat een voorrecht. Wat een zegen. Wat een rust. Gods weg is de beste. Hij is barmhartig en Hij ontfermt zich. Zijn weg is soeverein. Wij moeten dan niet opstaan tegen de beloften voor zijn volk.

Romeinen 9:19-10:3

4 juli [2]

9:19

Want wie wederstaat zijn wil?

9:20

Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt?

9:22

de voorwerpen des toorns, die ten verderve toebereid waren, met veel lankmoedigheid verdragen heeft –

9:23

juist om de rijkdom zijner heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van ontferming, die Hij tot heerlijkheid heeft voorbereid?

9:24

En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen,…

9:25

Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde.

9:29

Indien de Here Zebaoth ons geen zaad overgelaten had,…

9:30

Dit: heidenen,… hebben… namelijk gerechtigheid, die uit geloof is;…

9:32

maar van vermeende werken.

9:33

en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.

10:2

dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand.

10:3

hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen.

Moeilijk. Voor ons begrijpen te wonderbaar. Hoe zit het dan? Kunnen we er dan zelf niets aan doen? Waarom de één wel en de ander niet? Móest Farao, die toen leefde om het volk uit te laten leiden, dan omkomen?

Maar wat is belangrijker? Als wij het klei zijn. Hoe kunnen we dan tot de pot­tenbakker zeggen wat Hij moet doen. En als God zijn toorn toont, wat willen wij dan nog inbrengen. En zo is het. Er gebeurt zoveel onder de zon, waar we met ons verstand niet bij kunnen. Wij zijn geboren uit God. Hij heeft ons gemaakt. Hij heeft dan ook alle autoriteit over ons. Hij heeft het goede met ons voor. Hij wil dat alle mensen behouden worden. We worden gebruikt in zijn plan om zijn plan te volvoeren. Hij roept. Wij zijn zijn geroepenen. En daarom moeten we uit dankbaarheid leven. Niet alleen de Jood, maar ook de heiden. Lees maar in Hosea, lees maar in Jesaja, zegt Paulus. De belofte aan Abraham was immers: kijk naar de sterren des hemels en naar het zand der zee. Zo talrijk zal uw nageslacht zijn. Uit zijn ganse schepping trekt Hij en roept Hij. Hij redt. Hij bewaart. Hij volvoert zijn plan. Het gaat gebeuren zoals Hij zegt en het beloofd heeft. Maar het gaat om gerechtigheid uit het geloof, niet uit werken der wet, zoals de Joden dachten en daarom geen heil voor de heidenen zagen. Zij hebben zich gestoten aan de Steen des aanstoots, in Sion gelegd. Zij bleven bij de werken hangen, terwijl de gerechtigheid uit het geloof is, voor Jood en heiden. Het gaat om de Rots. En die Rots is Jezus. Wie daarop zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen.

Geen wonder dat Paulus eronder lijdt, dat zijn volksgenoten dit niet zien, niet willen zien en, evenals hij vroeger deed, Messias Jezus te vuur en te zwaard bestrijden. Dat kan toch helemaal niet. Weg met die nieuwe sekte. Wij hebben de wet en de beloften, Mozes en de profeten. Wij verwachten onze Messias, die roemrijk de bezetter zal verdrijven en voor eeuwig Israël en de aarde zal regeren. In hun visie is heil voor de heidenen onmogelijk. Paulus lijdt daar onder. De Joden hebben een enorme ijver. Dat had Paulus ook vòòr Damas­cus, maar zonder verstand. Ze hebben de profeten naar zich toegetrokken. Op hun eigen denken gelegd. En zo komen ze verkeerd uit. Ze zijn bezig met hun eigen gerechtigheid in plaats van onvoorwaardelijk te aanvaarden dat er alleen gerechtigheid door het geloof in Messias Jezus mogelijk is, én voor de Jood én voor de heiden. Wat een verblinding. Wat een tragiek. Nu is de Messias gebo­ren en nu wijzen ze Hem rigoureus en agressief af. Ze blijven bij de vermeen­de werken staan en zien Messias Jezus als een rots der ergernis. Ze hebben ijver, maar geen verstand. Paulus gebed gaat uit voor hun behoud. En toch zijn zij de uitverkoren om der vaderen wil. Tegen wil en dank blijft dat toch zo. En kom daar niet aan. Want Gods beloften zijn eeuwigdurend. Het zal gaan zoals Hij beloofd heeft. Hoe het dan ook gaat. Ook al zien wij het niet, kom niet aan de beloften van God. En ook voor Israël blijft de belofte staan, want steeds opnieuw verkondigen de profeten dat een rest zal behouden worden. Met het overblijfsel gaat God verder. Zijn beloften gedaan aan Abraham, Isaäk en Jakob voor volk en land zijn vast en zeker. Ook dat is de genade van God, Die vasthoudt aan zijn verbond. Lees de profeten er maar op na.

Romeinen 10:4-21

5 juli [2]

10:4

Want Christus is het einde der wet, tot gerechtigheid voor een ieder, die gelooft.

10:8

Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs,…

10:10

want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis.

10:13

al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden.

10:15

Hoe liefelijk zijn de voeten van hen, die een goede boodschap brengen.

10:18

Over de ganse aarde is hun geluid uitgegaan en tot de einden der wereld hun woorden.

10:21

De ganse dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk.

Moeilijk te vatten voor de Joden. Als zij Jezus niet als hun Messias zien, dan blijven ze hangen bij de wet. Mozes zei immers dat als ze de wet doen, ze gerechtigheid ontvangen. Maar hun Messias is het einde van de wet. Hij was het toch die zij ook verwachten. Geen zegevierende, maar toch een Messias die hen zou leiden. Maar Jezus ìs de Messias. En dan gaat het om geloof. Het woord des geloofs. En dat is niet ver weg. Dat is in je hart en in je mond. Heerlijk toch. Het is zo vanzelfsprekend. Dat was toen ook al zo. Vandaar dat Paulus deze woorden uit Deuteronomium aanhaalt. Het gaat om de geboden doen met heel je hart en je verstand. Kiezen voor het leven. Niet voor de dood. Dat is een hartszaak. In feite was er niet veel verschil. Alleen het leven vanuit Messias Jezus is veel vrijer en ruimer. Dat komt er veel meer op aan. Het is nu niet alleen de nadruk op de letter, maar op de Geest die doet leven.

Allen die de naam des HEREN aanroepen, zullen behouden worden. Dat is ruim. Dat is de Joden te ruim. Dat kan niet. Dan valt hun hele theologische bouwwerk ineen. Waarom? Omdat zij hun Messias voor zichzelf geclaimd hebben. En daar wachten ze nog steeds op. Ze zijn kwijtgeraakt dat God de hemel en de aarde schiep. En dat zij uitverkoren zijn om de Messias geboren te laten worden om de zonden van de hele wereld, van ons allemaal te verzoe­nen en zijn eeuwig Koninkrijk van recht en gerechtigheid te vestigen, waarin geen onderscheid is tussen Jood en Griek. Dat valt niet mee als je met heel je religie en land en wezen de exclusiviteit van de relatie met God opeist. Daar­om is het zo belangrijk om deze boodschap te brengen. Want hoe zullen ze het ooit begrijpen. Hoe zullen ze ooit de grote vreugde ervaren om hun eigen Messias te ontdekken. Het zijn de voeten van de vreugdeboden die een goede boodschap brengen. Het is hét Goede Nieuws. Het reddende evangelie van een lijdende Knecht des Heren, Die Overwinnaar is op het kruis van Golgotha en zit aan de rechterhand Gods. Geweldig. Om een volk te zijn waar deze Mes­sias uit voortgekomen is. Dit is niet onbekend, want ook de profeten hebben het verkondigd en nog eens verkondigd. Maar de Joden hebben niet geluisterd. Ze waren ongehoorzaam en tegensprekend. Het is een weerbarstig volk. Hoe kunnen ze ooit tot het inzicht komen, dat hun eigen Messias Jezus gekomen is voor Jood en Griek? Maar we moeten de moed niet opgeven. Let op. Er komt nog veel meer. Gods plannen falen niet: nooit!

Romeinen 11:1-10

6 juli [2]

11:1

God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet!

11:4

Ik heb Mij zevenduizend man doen overblijven, die hun knie voor Baäl niet hebben gebogen.

11:7

maar het uitverkoren deel heeft het verkregen,…

11:8

God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen,…

Als er ook maar één haar op je hoofd is, die denkt dat God zijn volk verstoten heeft, weet dan Gods antwoord daarop: Volstrekt niet! Duidelijker kan het niet. Dus laat je dus niet misleiden. God heeft zijn volk uitverkoren. En dat blijft zo. Kijk maar als voorbeeld naar Elia. Die dacht dat hij alleen was over­gebleven. Maar nee hoor. Er waren er nog zevenduizend meer zoals hij. God houdt zijn Woord. Al blijven er weinig over. Er zal een rest overblijven. Goed. Heerlijk. Die rest zijn de Joden, die geloven dat de rechtvaardigheid door het geloof komt in het offer en het zoenbloed van hun Messias Jezus. De overigen geeft God een geest van diepe slaap. Ze slapen dus. God geeft hun een slaap. Dus dat betekent dat ze ook weer wakker zullen worden. Op zíjn tijd. Dus: pas op, want dan moeten wij ze niet voor altijd in slaap wanen. Dan gaan we ver­keerd. Dat is een duidelijke zaak. Ze zijn verduisterd. Er ligt een sluier over hen, een bedekking.

God gaf hun een geest van diepe slaap. Waarom doet God dat? Het is profe­tisch voorspeld. Paulus haalt het aan. Ze zijn niet verloren. Er is een plan. Die rest moet het trekken voor het geheel. Want als God die geest van diepe slaap geeft: oren om niet te horen en ogen om niet te zien, dan heeft dat een bedoe­ling. Wat een ondoorgrondelijke zaak. Wat een geheimenis. Waar is het alle­maal goed voor? Wat moet dat volk van God toch een vreemde reis maken. Het overblijfsel is naar de verkiezing der genade. Het is enkel genade. De Jo­den die het zien, zijn de rest. De uitverkorenen. Het overblijfsel. Hoe zijn ze dat overblijfsel geworden? Ze hebben het evangelie wel aangenomen. Het is hun verteld. Zij zijn geconfronteerd met de boodschap van Messias Jezus. Hoe liefelijk zijn de voeten van hen die een goede boodschap brengen. De aposte­len brachten het evangelie aan hun volk. Paulus ging steeds eerst naar de syna­goge. Hij legde aan de hand van de Schriften uit dat Jezus de beloofde Mes­sias was. Enkelen geloofden in Hem. De meesten niet. Want zij zaten vast aan Mozes en de wet en de profeten. Zij wilden er niet aan. Zij vervolgden de christenen. Zij wilden Paulus uit de weg ruimen, zoals ze Jezus uit de weg geruimd hadden. Daar hebben ze heel veel voor over. Want valse messiassen daar moesten ze niets van hebben. Wat een verblinding. Maar God heeft een plan. Als Hij ze een diepe slaap geeft, dan zal Hij ze ook weer wakker maken. Glorie voor zijn Naam.

Paulus is bezig om aan de Grieken in Rome uit te leggen hoe het zit met de verhouding tussen Jood en heiden. Het gaat er steeds weer om dat de recht­vaardige uit geloof zal leven. Niet de wet brengt gerechtigheid. Maar het geloof. En het geloof is uit het gehoor. Je moet het verteld gekregen hebben. Daarom is het zo belangrijk dat we het vertellen. Doorgeven aan Jood en Griek. Toen, maar ook nu. Het is niet aan ons om uit te maken wie die rest is. God verkiest. Hij bepaalt wie die rest is en wie daar toebehoren. Wij moeten integraal vanuit de belofte en de genade vertellen dat iedereen, die de Naam des Heren aanroept behouden zal worden. Heerlijk om met dat evangelie bezig te zijn. Wat een voorrecht om door genade een kind van God te zijn. Glorie voor zijn Naam.

Romeinen 11:11-24

7 juli [2]

11:12

Betekent nu hun val rijkdom voor de wereld en hun tekort rijkdom voor de heidenen, hoeveel temeer hun volheid!

11:14

en enigen uit hen behouden.

11:16

en is de wortel heilig, dan ook de takken.

11:18

niet gij draagt de wortel, maar de wortel ú!

11:20

Wees niet hoogmoedig, maar vrees!

11:23

Maar ook zij zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weder geënt worden; God is immers bij machte hen opnieuw te enten.

11:24

Want indien gij uit de wilde olijf, waartoe gij naar uw natuur behoort, weggekapt en tegen uw natuur op de edele olijf geënt zijt, hoeveel te meer zullen dezen, naar hun natuur, op hun eigen olijf geënt worden.

Ja, Paulus gaat verder. Het wordt er niet eenvoudiger op. Wel logisch en diep. Want het is niet zo dat God zijn volk verstoten heeft. Hij blijft bij zijn belof­ten. De kern hier is dat wij ons niet moeten verheffen tegen de takken. Want het gaat om de wortel. Is de wortel heilig dan ook de takken. Want daar komt het sap, de kern, vandaan.

En zijn we, door het geloof, afgesneden van de wilde olijf – de wereld – en geënt op de edele olijf, dan moeten we ons niet beroemen tegen de takken en de wortel. Want hun verwerping is de verzoening van de wereld en hun aanne­ming is het leven uit de doden. God is bij machte hen weder te enten. Let op wij zijn uit genade geënt. Laten we niet hoogmoedig zijn. Maar de HERE vre­zen. We mochten zelf ook eens afvallen. Want wie zijn wij? We zien het van de kinderen van het verbond en de belofte. Ze zijn weggesneden. En wij zijn geënt. Hetzelfde kan ons ook overkomen. Laten we nederig zijn. En ons niet druk maken over de wortel. Wij dragen de wortel niet, maar de wortel draagt ons. Niet wij bepalen en hebben inzicht wat God doet, maar God draagt ons. Hij is de pottenbakker en wij zijn het leem.

Wat kunnen we toch vaak hoogmoedig zijn. En als we het niet passend kun­nen maken naar ons hoogmoedig denken, dan bedenken we wel een theorie of een dogma om het passend te maken. God moet het toch wel zo doen, dat wij het met ons beperkte verstand begrijpen. Anders had Hij het maar anders moe­ten regelen. Dus de beloften voor zijn volk zijn op de kerk, op de gelovigen uit de heidenen overgegaan. Natuurlijk, want de Joden hebben Messias Jezus verworpen. En omdat ze dat gedaan hebben, zijn er geen beloften meer voor hen. Ze moeten zich bekeren en zich bij de kerk aansluiten. Wij hebben hun plaats ingenomen. Je siddert ervan als je dit stukje uit Romeinen leest. Daar staat helemaal niet dat de beloften overgegaan zijn. Daar staat slechts dat wij op de wortel geënt zijn. Maar dat hun verwerping verzoening is voor de we­reld. Dat hun aanneming, opstanding zal zijn uit de doden. Het staat er omge­keerd. Er staat: wees voorzichtig je te beroemen, want God is bij machte hun weer in te enten. En zo is het.

Paulus kent ook de Schriften. Hij weet ook van de profetieën van de verhar­ding. Hij weet ook dat God zijn woorden in hun binnenste zal leggen. Hij weet ook van de verstrooiing over de ganse aarde en van de belofte dat zij terug zullen komen. En waren ze niet verstrooid door de ballingschap? Woonden er toen ook al niet overal Joden. Hij zal ze terugbrengen. Ze kenden toch de pro­fetieën van Jesaja, Jeremia, Ezechiël, Zacharia, enz. Maar wij kennen die toch ook. Hoe is het mogelijk dat we die allemaal vergeestelijkt hebben en er kerk voor in de plaats gezet hebben. Dat is toch je reinste schriftvervalsing. We willen toch bijbelgetrouw zijn. Door de eeuwen heen hebben we over dit onderwerp veel strijd gehad in de kerken. Maar het gaat erom om het zelf te lezen. Daarom is dit stuk zo belangrijk. Deze drie hoofdstukken van Romeinen 9 tot 11.

Het wordt des te belangrijker naarmate de tijd voortschrijdt. Want het staat ook in verband met de wederkomst van Messias Jezus. Als de beloften van zijn komst letterlijk zijn vervuld en dat geloven we allemaal, dan moeten we de beloften ten aanzien van zijn wederkomst niet vergeestelijken. Er is een­heid in exegese. Dat is duidelijk. Natuurlijk zijn we als gelovigen door geloof geënt op de wortel. En dat kan ook niemand ontkennen. Daar moeten de Joden zich ook aan onderwerpen. Maar wij mogen nooit de Joden hun rechten ontne­men.

HERE God, help ons om deze dingen scherper te zien. Help ons om uw pro­feten te lezen en te leven en te geloven. Wat gaan er toch een grote dingen gebeuren. Help ons, HERE God. En ontferm U over ons. Vergeef ons dat we de beloften zo vaak vergeestelijkt hebben. Vergeef ons onze schuld ten op­zichte van uw volk, dat door de eeuwen heen vreselijk heeft geleden onder de kruisvaan. Omdat ze U zouden gedood hebben. HERE. Wie zijn wij dat we in hoogmoed denken uw uitverkoren volk te kunnen vermoorden of van hun rechten te beroven? Het zal U tergen. U neemt het niet. U kwam met uw oor­delen over de volken, die tegen uw volk opstonden en U komt met uw oordeel over ons, als wij ons verheffen boven uw volk. Het is puur hoogmoed. HERE, we moeten ons verootmoedigen en schuld belijden. Laat ons opnieuw beginnen. Genade, genade.

Romeinen 11:25-36

8 juli [2]

11:25

een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat,

11:26

en aldus zal gans Israël behouden worden,…

11:27

En dit is mijn verbond met hen, wanneer Ik hun zonden wegneem.

11:29

Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk.

11:32

Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen.

11:33

O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen.

11:36

Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.

Zo is het. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen. Vast en zeker. Het is een feit. Wat een profetie. Wat een weg. Het is een groot geheimenis. Het is voor ons verstand ook niet te volgen. Weer komen we terug op het beeld van God. Waarom zouden we het ook allemaal moeten begrijpen. Hij is de potten­bakker en wij zijn het leem. Zal het leem tegen de pottenbakker zeggen: Ik wil zo en zo’n pot worden. Hij maakt het zo Hij wil. En zo is het. God heeft een plan met deze wereld. Hij heeft een plan met ons leven. Hij wil ons zijn eeu­wig leven aanbieden uit genade door het geloof. Verharden wij ons, dan ver­harden wij ons. En als we door Gods genade getrokken zijn tot zijn wonder­baar licht, dan is er geen haar op ons hoofd, die zegt dat we het zelf gedaan hebben. We ervaren dan zeer goed dat het enkel genade is geweest en het de kracht van God was, die ons getrokken heeft. Hij staat aan de deur en klopt. Hij wil ons allen trekken.

Het is grote genade dat wij – uit de volkeren – ook mogen behoren tot het koninkrijk van God. De ongehoorzaamheid van de Joden heeft ons doen enten op de stam. Maar beroem je niet tegen de takken. We mochten ook eens uit ongehoorzaamheid afgesneden worden. Maar zij hebben een tijdelijke verhar­ding. Want Hij zal zijn verbond weer in hun hart leggen (o.a. Jeremia 31 vers 31-33). Dat is het grote geheimenis. Eens komt de tijd dat zij zullen zien wie zij doorstoken hebben. Dan zullen ze in ontferming aangenomen worden. Dan zullen ze zich omkeren en een grote rouwklacht aanheffen. Want dan zien ze dat Jezus inderdaad hun Messias was en is. Dat zal door veel strijd heen gaan. Want dat zien ze allemaal heel scherp. Wat een ellende heeft het Joodse volk doorgemaakt. En wat is het ook vandaag onder druk. De hele wereld zit er­achter. Ze zijn allemaal tegen Gods volk. Maar daar zal een einde aan komen.

Paulus probeert hier een tipje van de sluier op te lichten. Zo heeft hij uit de doeken gedaan dat de rechtvaardige uit geloof leeft en niet uit werken. De Joden verwerpen hun eigen Messias en daar heeft hij het heel, heel moeilijk mee. Maar hij blijft uitleggen dat Gods beloften eeuwigdurend zijn. Dat God zijn volk niet vergeten heeft. En dat het allemaal weer zal gaan, zoals Hij be­loofd heeft. Dat is een groot geheimenis. Daarom roept hij tenslotte ook uit: hoe ondoorgrondelijk zijn uw beschikkingen en hoe onnaspeurlijk Uw wegen. Ook omdat we niet de kans krijgen om het allemaal eens netjes op een rij te zetten. God volgt zijn eigen weg en zorgt dat wij niet anders kunnen dan Hem door genade en geloof aan te nemen. Dat geeft ook een geweldige rust. Want we kunnen ons verschrikkelijk aftobben met allerlei vragen over zogenaamde voor ons ongerijmdheden. En we komen er nooit uit. Maar God zegt: Geloof in Mij. Ik ga je voor. Mijn Zoon is opgestaan. Je zonden zijn verzoend. Ga mee in het eeuwige Koninkrijk van God. Bekeer je. Draai je om. Doe dat dagelijks, want de boze probeert je steeds weer van de weg af te brengen. Maar Gode zij dank door Jezus Christus mag je een nieuwe schepping zijn. En laat je niet weer een slavenjuk opeggen. Maar leef in de vrijheid van Jezus. Dan is het leven een feest. Want Hij regeert je leven en je hebt overvloed aan zegen en genade en voldoening. Je leeft uit Hem. Dat is heerlijk. Gewoon doen. Het is waar. Wat een heerlijk evangelie. Voor de Jood en de heiden. Samen in de Naam van Jezus. Amen.

Romeinen 12:1-21

9 juli [2]

12:1

dit is uw redelijke eredienst.

12:2

maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken,…

12:3

koestert geen gedachten, hoger dan u voegen,…

12:5

één lichaam in Christus,…

12:6

Wij hebben nu gaven, onderscheiden naar de genade, die ons gegeven is:…

12:12

volhardend in het gebed,…

12:14

Zegent wie u vervolgen,…

12:21

maar overwin het kwade door het goede.

Dit is nu echt een stukje dat je moet uitvergroten en inlijsten. Het is een op­somming van wat je wel en wat je niet moet doen. Het is uit het leven gegre­pen, Het staat ook haaks op ons denken en ook vaak ons doen. Ons wordt op­gedragen om onze vijand lief te hebben, terwijl wij vanuit onszelf die persoon wel dit of dat zouden willen aandoen. We moeten echter het kwade door het goede overwinnen. Dat valt niet mee. Maar het moet wel en het werkt ook. Het geeft je rust en vrede. We moeten zegenen die ons vervolgen. We moeten onze vijanden liefhebben. We moeten vurige kolen op zijn hoofd hopen. Wat een wijsheid. Het staat ook haaks op wat onze vijand verwacht. Het zal hem ontwapenen. Het zal hem in de war brengen. Hij staat klaar om ons ik weet niet wat te doen en wij komen hem ontwapenend tegemoet.

Daarom begint dit hoofdstuk ook met: omdat we uit genade leven, moeten we geen gedachten hebben hoger dan ons passen. We moeten heel eenvoudig ons voegen naar de wil van God. We moeten ons afzijdig houden van de wereld. Heilig en onberispelijk leven. Wat is er veel van de wereld, dat op ons afkomt. Wend je ervan af. Blijf bij de geboden van God. En wees niet hoogmoedig. God heeft ons allemaal talenten en gaven gegeven. De één deze en de ander die. Blijf bij de gaven, die je hebt gekregen. Wees daar uitmuntend in en God zal je belonen. Alle delen van het lichaam hebben hun plaats. En alle delen zijn even hard nodig om het hele lichaam in stand te houden. Wat een plasti­sche voorbeelden. En wat vanzelfsprekend. Maar dat is wel het principe van God. Het is geen moeilijke zaak. Het werkt. Het is zo simpel dat je er haast aan voorbijgaat. Maar de weg die God met ons gaat, is de weg zoals Hij ons ge­maakt heeft. Hij vraagt van ons geen bovenmenselijke dingen. Hij roept ons permanent op om te leven, zoals Hij dat heeft gezegd. En Messias Jezus heeft voor ons de weg weer vrijgemaakt. Daarom al deze concrete aanwijzingen. Lees ze nog maar eens over. En schrijf ze op. Niet om ons moeilijke geboden op te leggen, maar om ons een weg van bevrijding aan te geven waardoor ook anderen die weg naar de waarheid kunnen vinden.

Romeinen 13:1-14

10 juli [2]

13:1

Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld.

13:3

Doe het goede, en gij zult lof van haar ontvangen.

13:7

Betaalt aan allen het verschuldigde,…

13:8

Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben;…

13:10

De liefde doet de naaste geen kwaad;…

13:12

De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij.

13:14

Maar doet de Here Jezus Christus aan…

Alle overheid is door God gesteld. We moeten het goede doen en het kwade nalaten. Betaalt aan allen het verschuldigde. Het staat er nogal eenvoudig en direct. De overheid staat in dienst van God, ons ten goede. Er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld. Dus, de Romeinse bezetter was de overheid door God gesteld. Een overheid die de christenen voor de leeuwen gooide. Als de Farizeeën bij Jezus komen en vragen hoe ze om moe­ten gaan met de bezetter, dan zegt de Here Jezus: betaal de keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is. De overheid is er ons ten goede. Wat van God is, dat hoort bij God. Een overheid zal ons nooit ons geloof af kunnen nemen. Ze kunnen er wel van alles aan doen om het geloof moeilijk te maken, maar God staat boven elke overheid. Hij gebruikt de overheden om zijn plan te volvoeren.

We hebben met deze, voor ons simpele, uitleg wel heel veel moeite. Wat moe­ten we met een overheid, die de christenen vervolgt? Wat moeten we met een dictator? Hoe moeten we aankijken tegen de Tweede Wereldoorlog? Was het verzet tegen de overheid een goede of een slechte zaak? Hoe moeten we daar mee omgaan? Het zijn vragen die rondom dit hoofdstuk ook veel verwarring hebben gebracht. Maar het principe is duidelijk. De overheden zijn door God gesteld. God regeert het grote wereldgebeuren. De overheden kunnen wel den­ken dat zij het zijn, die zelf kunnen bepalen wat ze doen. Maar van God uit gezien, zijn ze er door Hem. Dat is voor ons mensenverstand niet te vatten. Want dat gaat tegen alles in. Maar eigenlijk is het ook weer heel eenvoudig. Als wij leven dan is het vanzelfsprekend dat er een overheid is. En die over­heid is er ons ten goede. De kwaden straffen en de goede helpen. Orde houden in de samenleving. Hoe krom soms ook. Er kan geen samenleving zijn zonder overheid, hoe je het ook wendt of keert. En die overheid is door God gesteld. Als het de ene overheid niet is, dan is er wel een andere. De ene overheid zint ons meer dan de andere. Maar een overheid is er. We moeten het zien in het perspectief van God. Er zijn regels om te kunnen leven. We hebben die opge­steld om samen te kunnen leven.

Daarom betaal aan ieder wat je aan die ander schuldig bent. Daarom is de liefde de vervulling der wet. Koop je tijd uit, door elkander lief te hebben. De tijd schiet ook op. De komst van zijn eeuwig koninkrijk is nabij. Daarom doe de werken van het licht. wend je af van de werken van het kwaad. En wijd je aan God en niet aan de begeerten van het vlees. Wat zit dat toch altijd weer heel dichtbij. Daarom staat het ook hier. Wijd je aan de dingen van God. Aan de dingen van het eeuwig leven. Doe het en je zult leven. Probeer het maar. God zegent.

Romeinen 14:1-12

11 juli [2]

14:1

Aanvaardt de zwakke in het geloof,…

14:5

Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd.

14:6

ook hij dankt God.

14:8

want als wij leven, het is voor de Here, en als wij sterven, het is voor de Here. Hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heren.

14:11

voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God loven.

Het zal ook in Paulus dagen wel zo geweest zijn. We hebben van alles op elkaar aan te merken. Hij doet dit en zij doet dat. Waarom doet ze dat? Is het wel goed? Waarom doen ze niet net als wij? Zij moeten weer net een beetje anders doen. Ze doen het zeker om op te vallen. Neen, we moeten die regel nu op gaan stellen, want anders doen we het allemaal te verschillend. Er moet orde en regelmaat zijn. Neen, pas op niet dit en niet dat. En wat zijn er een uiterlijkheden te bedenken, waar we ons aan vast kunnen kluisteren. Daar zit elke gemeenschap vol van. Wat is het toch moeilijk om een andere opvatting te accepteren. We zijn vaak zo vastgeroest in onze eigen gewoonten. Maar het gaat daar niet om. We moeten juist in de vrijheid gaan staan. Dat alles wat je doet tot eer van God is. Daar moeten we elkaar in aanvuren. De rest is slechts versiering. Dat mag allemaal best, maar we moeten er ons niet aan vastklam­pen.

Hier gaat het om: dat, hetzij wij leven, hetzij wij sterven, wij des Heren zijn. Daar moeten we het met elkaar over hebben. De rest is bijzaak. Daar moeten we ook de zwakke in het geloof mee bemoedigen. Want, als we die meteen al aan de halsband van onze regeltjes vastzetten, dan wordt het een klemmende band. En dat terwijl het evangelie ons niet bindt, maar juist in de vrijheid zet. Dus geen oordeel. Weg er mee. Stop ermee. Onderzoek jezelf, waar je daar toch in feite wel mee bezig bent om je broeder te beoordelen en te veroorde­len. Pas op, minacht je broeder niet. Hoe vaak gebeurt dat niet? Je gaat eraan. Want allen zullen we voor de rechterstoel van God staan. Hij heeft de weg vrijgemaakt door het kruis van Golgotha. Laten wij dan in die weg blijven en God loven en elkaar eren en niet veroordelen. Hoe verschillend we ook zijn. Dankt God onder alle omstandigheden. Want wij zijn des HEREN. Jezus is gekomen om over ons te heersen, hetzij wij leven, hetzij wij sterven. God heeft ons geschapen en Hij regeert over ons. Hoe wij leven zal duidelijk worden voor der rechterstoel van God. Hij heeft ons geschapen om goed te leven. En eenmaal zal alle knie zich buigen voor de HERE en alle tong zal God loven. Daarom moet je je nu al richten God en leven zoals Hij dat vraagt.

Romeinen 14:13-23

12 juli [2]

14:13

uw broeder geen aanstoot of ergernis te geven.

14:14

dat niets uit zichzelf onrein is;…

14:15

Want indien uw broeder door iets, dat gij eet, gegriefd wordt, wandelt gij niet meer naar de eis der liefde.

14:17

Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de Heilige Geest.

14:19

Zo laten wij dan najagen hetgeen de vrede en de onderlinge opbouwing bevordert.

14:21

noch iets, waaraan uw broeder zich stoot.

14:22

Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht.

Het was kennelijk een probleem in die dagen. Mag je nu wel of niet van het gewijde vlees eten? De een zei nee, de ander ja. Weer anderen wisten het niet. Er is in zichzelf niets onrein, zegt Paulus. Maar als je je er aan stoot, dan moet je het niet doen. En als je een ander ermee ergert, doe het dan ook niet. Het gaat er immers niet om wat je zelf ervan vindt. Maar het moet ook geen pro­bleem zijn om het te laten staan, indien je een ander er mee stoort. De ander zou, door iets wat jij niet erg vindt, van de weg afraken en ten verderve gaan. En zo belangrijk is het nu ook weer niet, dat je er iemands heil mee op het spel zet. We moeten dus het goede doen. Het Koninkrijk van God staat of valt im­mers niet met eten of drinken. Het gaat om gerechtigheid, vrede en blijdschap. Daar moeten we ons voor inzetten. En geen gedoe maken over eten en drin­ken. Het is toch niet te veel gevraagd om de ander te ontzien. En daar gaat het om.

Niet alleen over eten en drinken, maar ook over zoveel andere dingen, kunnen we de grootste heibel maken. We kunnen de dag wel vullen met allerlei voor­beelden. Daar gaat het in dit stukje om. Zorg dat je vrede hebt bij alles wat je doet. Zalig hij die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht. Dus zodra je jezelf verwijten begint te maken, ook al vind je wat je doet niet slecht, dan moet je oppassen en nadenken of je er wel mee door moet gaan. We kunnen een ander zo eenvoudig plezieren, door rekening te houden met haar of zijn kleine onhebbelijkheden of gewoonten. Waarom moeten we onze zin doordrijven. Je kunt een ander er zo snel mee kwetsen en grieven. Ook al heb je helemaal gelijk. Neen het kan nog erger zijn, je kunt er een ander mee op het verkeerde spoor zetten. Dus breek niet ter wille van spijs het werk van God af.

Daar moeten we veel meer over nadenken. Het gaat om liefde, vrede en blijd­schap. Het gaat om wellevendheid. Het gaat om de ander uitnemender te ach­ten dan jezelf. Wat gaat er toch een geweldige vrede van uit als we in deze gezindheid met elkaar om gaan. Bovendien we plezieren er niet alleen de ander ermee. Maar dat we het doen om de wil van God te doen. Het is zo’n klein stukje in deze brief, maar het is wel heel mooi. Wat kunnen we toch veel leren. De les is dat we bij ons zelf moeten nagaan waar we met ons gedrag de ander kwetsen of voor de voeten lopen. Het valt soms niet mee om er aan ont­dekt te worden. Je kunt een ander daar ook in liefde over aanspreken. Let op: vooral in liefde! Want de ander heeft het zelf vaak helemaal niet door. Wat zal er de komende tijd in de gemeente een andere sfeer heersen, als we allemaal in toepassing brengen wat we nu met elkaar delen. Lees het stukje nog maar eens. Het was toen uit het leven gegrepen en het is vandaag uit het leven ge­grepen.

Romeinen 15:1-13

13 juli [2]

15:1

Wij, die sterk zijn, moeten de gevoeligheden der zwakken verdragen…

15:4

Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven,…

15:6

opdat gij eendrachtig uit één mond…

15:7

Daarom, aanvaardt elkander, zoals ook Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods.

15:9

en dat de heidenen God ter wille van zijn ontferming gaan verheerlijken, gelijk geschreven staat:…

15:11

Looft, al gij heidenen, de Here, en laten alle volken Hem prijzen.

Er zijn sterkere en er zijn zwakkere mensen. Wij weten zelf wel welke mensen sterker zijn dan wij en welke mensen zwakker. Vanuit onze natuur hebben we in ons om over de zwakke te heersen. Er komt een gevoel van superioriteit naar boven. We hebben er soms medelijden mee. Of we proberen ze uit. We weten ook allemaal wel van kinderen, die op school gepest werden. Of die niet helemaal bij de groep horen. De zwakken proberen van alles om ook bij de groep te horen, maar het hangt maar van de goedheid van de sterken af of ze geduld worden. Vaak worden de zwakken weggedrongen naar de rand van de samenleving. Wat zijn er toch veel mensen die daar zitten. We weten niet hoe we daarmee om moeten gaan. We hebben de neiging om maar op een afstand te blijven. Als christenen zouden we echter vooraan moeten staan, om ze op te vangen. Maar nee, vaak is het nog erger, we brengen die sterken/zwakken mentaliteit ook de kerk binnen. En daar heeft Paulus het over. We moeten elkaar aanvaarden in Christus. Hij is de weg gegaan van het kruis. Hij heeft zijn leven juist gegeven voor de zwakken. Lees Jesaja 61 en wat Jezus Zelf allemaal gezegd heeft. Wat een Messias. Wat een Verlosser. Hij kwam voor ons. Daarom moeten we elkaar aanvaarden, zoals Christus ons aanvaard heeft. Daarom moeten we in de gemeente zorgen dat juist de zwakkere in de eerste plaats aandacht krijgt.

Zoals ook Christus ons aanvaard heeft. Daarom moeten we elkaar aanvaarden. Door genade zijn ook wij uit de heidenen aanvaard. Door ontferming. Dat is de grootste genade die de heidenen, dus ons ten deel gevallen is. Ook daarom moeten we ons niet superieur voelen, maar juist oog hebben voor onze zwak­kere naaste. Want ook wij leven uit genade en ontferming van de Vader. Daar­om loven en prijzen wij de Here God eendrachtig. Uit die gezindheid zoeken we juist de zwakkere op. Daarom gaf Jezus zijn leven. En als Hij zijn leven gegeven heeft, dan moeten wij in zijn voetspoor gaan. Heerlijk toch. En als we de enkele teksten door hebben, die Paulus aanhaalt, dan is het Gods plan om ons allen, sterken en zwakken, op te nemen in zijn heerlijkheid. Ook de hei­denen horen daarbij. Looft de HERE, alle gij volken. Prijst Hem, alle gij natiën. De kortste psalm in de Bijbel heeft het uitgesproken over de heidenen, die de HERE God loven en prijzen.

Wat zal ons vandaag gebeuren? Zijn we zwak, dan kunnen we ons vasthouden en genieten van de plaats die God in ons leven heeft. Zijn we sterk, dan moe­ten we ontzettend goed oppassen hoe we ons gedragen. We zouden de boot eens kunnen missen. Want doen we niet wat Jezus vraagt, dan hebben we Hem als tegenstander. En dan ben je slecht af. Moge vrede en vreugde van Hem ons leven vullen.

Romeinen 15:14-33

14 juli [2]

15:14

dat gij zelf reeds vol van goedheid zijt, vervuld met al de kennis, in staat ook elkander terecht te wijzen.

15:18

om heidenen tot gehoorzaamheid te brengen door woord en daad,

15:19

door kracht van tekenen en wonderen, door de kracht des Geestes.

15:27

want indien de heidenen aan hun geestelijke goederen deel hebben gekregen, behoren zij ook met hun stoffelijke goederen hen te dienen.

15:28

zal ik over uw stad naar Spanje reizen.

15:33

De God nu des vredes zij met u allen! Amen

Wat een prachtige brief. Paulus legt het scherp en duidelijk uit. De rechtvaar­dige zal door geloof leven uit genade. Niet uit de werken der wet. Het heil is uit de Joden, maar de gelovigen uit de heidenen zijn geënt op dezelfde stam. Zij behoren ook tot Gods volk. Maar de beloften Gods blijven onberouwelijk. Hij zal de wet in hun binnenste leggen. En zo zullen allen aangenomen wor­den. Hij sloot een eeuwigdurend verbond met zijn uitverkoren volk. Aan Abraham gezworen. En dat plan zet Hij voort. Daar hoeven we niet aan te twijfelen. Er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Er is maar één weg, waardoor wij behouden kunnen worden, het offer van Messias Jezus Christus. Het is toch geweldig om daaruit te leven, te werken èn te sterven. Want niets kan ons dan scheiden van de liefde van Christus.

We kunnen er de hele dag en de rest van ons leven wel over schrijven. Wat heeft God de wereld fantastisch geschapen. Wat is de schepping mooi. Het kleinste bloempje is al het grootste wonder. Wat kunnen we elkaar dan ook verblijden door de liefde. De liefde doet de naaste geen kwaad. Het is heerlijk om te lezen dat de liefde de vervulling der wet is. En dat we de zwakke moe­ten ontzien. Dat we alles moeten doen, zodat die niet van het geloof afraakt. Wat een directe wijze lessen. Want wat zijn we vaak tegenovergesteld bezig. We hebben ons oordeel zo maar klaar. We gaan zo maar tekeer. En dat moet niet zo zijn.

Paulus leest zijn brief nog eens na en komt tot de conclusie, dat hij toch wel een beetje fors heeft uitgepakt. Maar hij wil dat iedereen, Jood en heiden, door geloof met woord en daad, doen wat God zegt. Daar gaat het om. Daar wil Paulus mee de wereld rondgaan. Hij is nu op weg naar Jeruzalem, omdat de heidenen geld hebben ingezameld om het te geven aan hen uit wie zij het heil hebben ontvangen. Paulus vraagt voorbede. Daarna wil hij via Rome naar Spanje. Nou nou. Wat een reislust. Want ook daar moet het evangelie gebracht worden. Zo is het evangelie ook bij ons terecht gekomen. Want iedereen moet het weten en daarom moeten ook wij vandaag aan de dag er tegen aan om dat evangelie door te geven. We krijgen er nooit genoeg van. Totdat Hij komt. Om zijn Rijk van recht en gerechtigheid te vestigen. De God nu des vredes zij met u allen. En zo is het. Amen. Wat een rust en vrede geeft die God. We kunnen er niet genoeg van krijgen. Amen.

Romeinen 16:1-16

15 juli [2]

16:1

Fébe,…

16:2

Want zij zelf heeft velen, ook mij persoonlijk, bijstand verleend.

16:3

Prisca en Aquilla,…

16:4

die voor mijn leven hun hals gewaagd hebben.

16:5

Epénetus, de eersteling voor Christus uit Asia.

16:6

Maria,… die zich veel moeite voor u heeft gegeven.

16:7

Andronicus en Júnias,… die reeds vóór mij in Christus geweest zijn.

De hartelijke groeten. Fébe wordt speciaal genoemd. Zij heeft veel voor Paulus betekend en dus worden de broeders opgeroepen om haar te helpen. Paulus kan er niet genoeg van krijgen om ze allemaal te groeten. Wat zijn ze tot zegen geweest. Hoe heerlijk is het om de ander te groeten en te bemoedi­gen en te bedanken. Het is een christelijke plicht om elkaar ook in de onderlin­ge gemeenschap te bemoedigen. Heerlijk om een kaart te ontvangen en om ergens voor bedankt te worden. Het is toch heerlijk. Iedereen waardeert dat. Hoe meer kaarten er verstuurd worden, hoe meer vrede er zal heersen. En indien je iets verkeerd gedaan hebt, dan moet je daar vergeving voor vragen. Hoe vaak denken we niet andersom. Dan zeggen we dat de ander ook van alles doet en dit en dat. En dan gaat het verkeerd. Het gaat immers om de liefde van Christus en de vrede die alle verstand te boven gaat, die onze harten en hoof­den behoed in Christus Jezus, opdat wij zijn liefde uit mogen stralen en dat ook mogen laten zien aan allen in onze omgeving. Daar heb je geen groot leger voor nodig, dat doe je gewoon en dan zul je ontdekken dat er grote won­deren gebeuren. Daar word je enthousiast van. Je zult ook zien dat de band sterker wordt. Wat kan een positief gebaar al aan goedheid en gemeenschap betekenen.

Is het niet fantastisch om te lezen van Prisca en Aquila. Lees hun verhaal maar eens in Handelingen na. Paulus is door hen geweldig opgevangen. Wat een zegen. Groet deze en groet die. Het zijn voor ons namen, waarvan de meeste niet meer zijn dan namen. Maar het waren broeders en zusters zoveel eeuwen geleden, die fantastische dingen hebben gedaan. Het is een vreugde om in hun voetspoor ook vandaag door te gaan en de gemeente van Christus te bouwen. Totdat Hij komt. Het leven wordt dan een feest, ook al zijn de omstandighe­den dan niet altijd rooskleurig. Dat was ook in die tijd zo. Nog veel erger dan vandaag aan de dag. En toch. Groet elkander met de heilige kus. U groeten al de gemeenten van Christus. Het is belangrijk dat gemeenten elkaar onderling groeten en bemoedigen.

Romeinen 16:17-27

16 juli [2]

16:17

Maar ik vermaan u, broeders, dat gij hen in het oog houdt,… en mijdt hen.

16:18

en misleiden door hun schoonklinkende en vrome taal de harten der argelozen.

16:19

Want uw gehoorzaamheid is bij allen bekend geworden.

16:20

De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden. De genade van onze Here Jezus zij met u!

16:26

maar thans geopenbaard en door profetische schriften volgens bevel van de eeuwige God… bekendgemaakt onder alle volken –

16:27

Hem, de alleen wijze God, zij, door Jezus Christus, de heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen.

Pas op, pas op. Zo zullen er altijd weer mensen zijn die alles gaan verdraaien. Heb je ze net een goede scholing gegeven of ze proberen zich er toch weer met hun eigen verhalen en haarkloverijen tussen te wroeten. Dat is levensge­vaarlijk, vooral voor argeloze zielen. Paulus zegt: Ik vermaan u. Dus daar moet je wat aan doen, die mensen moet je mijden. Daar moet je je niet mee bemoeien. Zij zijn heel vroom bezig, maar doen het om hun eigen eer en buik. Wegwezen. Want je moet niet alleen wijs zijn, maar je moet het ook in de praktijk brengen. Het gaat om woord en daad. Je moet je van het kwade ont­houden. Paulus kan zich over hen verblijden.

De satan gaat tekeer. Dat merkten ze toen en dat merken we nu. Maar de God des vredes volvoert zijn plan en hij zal de satan onder de voeten vertreden. Daarom blijf in de God van de vrede. En de genade van de Here Jezus zal met ons zijn. Daarom is het zo belangrijk, dat we weten hoe God het bedoeld heeft.

Daarom is het zo belangrijk dat we de Bijbel lezen. Iedereen die we kunnen aanmoedigen om te lezen, dat is winst. Dat is de beste investering die je kunt doen. Daar moeten we aan werken, daar moeten we veel meer aan doen. Eeuwenlang is het evangelie van dit wonder van de Messias verzwegen geweest, maar thans is het geopenbaard aan alle volken. Het is toch fantastisch dat dit evangelie nu wereldwijd gaat. Daar kun je niet genoeg van krijgen. Paulus is daar ook heel blij om . Dat is geweldig. Daar mogen we ons elke dag in verheugen. Hem zij de heerlijkheid. Dank U, HERE God. Dank U, voor alles wat U doet. Dank U, dat U mij door de Romeinen brief heen hielp.

Maar er is nog veel meer. We moeten het dus blijven lezen. Elke dag opnieuw. Schrijf dan ook op wat het je doet. Bid er bij. Dank God. Elke keer dat je het Woord van God leest, word je erdoor gezegend, omdat God het openbaart en Hij je wil zegenen door het lezen. Het is geen boek, maar het is God die tot je spreekt. Prijs de HERE.