Jacobus 1:1-11

14 mei [2]

1:1

Jacobus… groet de twaalf stammen in de verstrooiing.

1:3

dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt.

1:5

in wijsheid tekort schiet, dan bidde hij God daarom,…

1:6

hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende,…

1:7

dat hij iets van de Here zal ontvangen,…

1:10

want als een bloem in het gras zal hij vergaan.

Jacobus groet de twaalf stammen in de verstrooiing. Er waren Joden terugge­keerd uit de ballingschap. Maar slechts een klein gedeelte. Van de tien stam­men was vrijwel niemand weergekeerd. De terugkeer van Juda was nodig, omdat de Messias geboren zou worden uit de Joden, zoals de Here God al aan Abraham, Isaäk en Jakob beloofd had. Maar de overgrote meerderheid leeft verstrooid onder de volkeren. De verloren tien stammen, daar hebben we het meestal niet over. Maar Jacobus schrijft deze brief ook aan hen. Ze hadden er dus kennelijk weet van, waar deze stammen zaten. Vandaag hebben we het daar nauwelijks over, maar in Jeremia 31 en andere plaatsen wordt duidelijk over de eenheid en de eenwording van de tien en de twee stammen gesproken. De belofte was gegeven aan het nageslacht van Abraham, aan alle zonen van vader Jakob. En hij heeft ze ook allemaal een zegen gegeven. De splitsing in het rijk kwam omdat Salomo aan het einde van zijn leven zijn heidense vrou­wen hun kinderen aan de Moloch liet offeren. Toen kwam het oordeel van de splitsing van het rijk. Lees het maar na. Maar de belofte blijft de belofte. Het wordt weer één. Dus horen ook de 10 stammen in de verstrooiing erbij net als alle anderen van de andere twee stammen die ook nog niet teruggekeerd zijn. Dat zal een grote volksverhuizing worden. We hebben het dan over miljoenen en miljoenen. Ze worden als het zand der zee, zegt God. En dat zijn er dus veel meer dan de 14 miljoen Joden die we nu kennen. Waar zitten deze stam­men? Daar zullen we nog versteld van staan. God zal ze opwekken en terug­brengen. Zouden wij daar als Nederlanders ook bij horen? We mogen het daar over hebben, maar moeten vooral niet speculeren. God zelf zal zijn wet in hun binnenste leggen. Wat een geheim, wat een verrassing, wat een verwachting. Als wij, door Gods genade, weet hebben van deze dingen, dan mogen we ons daar naar uitstrekken. God volvoert zijn plan. Israël blijft Israël. En wij zijn geënt op de stam Israël. We moeten dan vooral niet roemen tegen de wortel. De stam.

Het is een kort maar krachtig briefje. Het begint al goed. Vreugde als we in beproeving zijn. Dat is gemakkelijk gezegd, maar moeilijk gedaan. Toch staat het er. Het gevolg is dat het volharding uitwerkt. Dat wel. Als we staande blijven, worden we er weerbaar, sterker van. Daar kunnen velen van ons over meepraten. Dat moeten we dan ook vasthouden en dat is ook onze voorberei­ding op mogelijke volgende beproevingen. We moeten dus leren van de be­proevingen die we krijgen. Het moet doorwerken. Want dan zien we steeds meer op Jezus die zijn leven gaf voor ons, voor mij.

Als we in wijsheid tekort schieten – en hoeveel wijsheid schieten we niet te kort, we weten vaak niet wat we met dit of met dat aan moeten – dan is er weer een eenvoudig antwoord: bidden en God geeft het. Hij hoort ons gebed. Hij geeft wijsheid wat je moet doen. Maar dan moeten we wel bidden in ge­loof. Daar komt alweer de kern. Hoe vaak bidden we niet in ongeloof? We bidden wel, maar we geloven het niet. Dat betekent dat we meer geloven in ons ongeloof en ons eigen denken, dan dat we het werkelijk van God verwach­ten. Dom eigenlijk, want bidden helpt, zegt Jacobus. Dus stoppen met onge­loof en gelovig gaan bidden. Proberen en volharden en doen. Juist als je in beproevingen bent, dan is gelovig bidden heel belangrijk en een geweldige steun. Hij geeft antwoord en je weet wat je op een gelovig gebed moet doen.

Indien je twijfelt, dan moet je niet denken iets van de HERE te ontvangen. Wat denk je wel? Jacobus legt het allemaal heel beeldend uit: een golf, inner­lijk verdeeld, ongestadig. Het is allemaal waar. We herkennen ons daar direct in. Niet doen dus. Gelovig bidden. Op de Heer vertrouwen. Kennelijk waren er armen die opzagen tegen de rijken. Ze geloofden allebei. Maar een rijke die zich verlustigt in zijn rijkdom zal vergaan als een bloem! De arme wordt opge­roepen om zich in Christus op te trekken. In Hem is er geen onderscheid. En de rijke wordt opgeroepen om in zijn geringheid te roemen. De bekende bij­belse uitdrukking van de bloem valt af komt dan weer naar voren. In Psalm 103 staat het en op andere plaatsen. Een heerlijk beeld. Vaak staat het in de relatie met dat alles vergaat, maar het is goed hier aan te denken: het Woord van God houdt stand in eeuwigheid. We roemen in Jezus. Hij geeft kracht. Alles wat we in onszelf zoeken zal vergaan. Een bemoediging en een waar­schuwing.

Jacobus 1:12-27

15 mei [2]

1:13

Laat niemand,… zeggen: Ik word van Godswege verzocht.

1:14

komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte.

1:17

Iedere gave,… daalt van boven neder,…

1:18

heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid,…

1:20

want de toorn van een man brengt geen gerechtigheid voor God voort.

1:21

neemt met zachtmoedigheid het in u geplante woord aan,…

1:22

En weest daders des woords…

1:25

wie zich verdiept in de volmaakte wet, die der vrijheid,… zal zalig zijn in zijn doen.

1:26

zijn tong niet in toom houdt,… diens godsdienst is waardeloos.

1:27

en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren.

Verzoeking. God verzoekt niet. Dat is duidelijk. Als we verzocht worden komt het vanuit de zuiging en de verlokking. Die zijn er dus. Wie zegt dat ze er niet zijn? Er is een trekkende kracht naar de zonde. Daar moeten we dus weerstand aan bieden. Weerstand bieden dat kost inspanning. Komen er verkeerde ge­dachten op dan moet je je weerstandmechanisme in werking stellen. Wat is dat? Dat is wandelen in de liefde. Wat jij niet wilt dat jou geschiedt, doe dat ook een ander niet. God liefhebben en de naaste als jezelf. We hebben er zo vaak zo’n vroom gedoetje van gemaakt. De vormen weten we wel en de dog­ma’s kennen we van buiten. Maar de praktijk, daar komt het nu juist op aan!

Wat is het gevolg als we geen weerstand bieden tegen de zonde: de begeerte groeit en het einde is de dood. Nou, nou, is dat niet een beetje overdreven? Niet voor Jacobus. Hoevelen zijn er al niet het slachtoffer van de begeerte en de verlokking? Het hoeft niet direct lichamelijk dood te zijn, het kan ook gees­telijk dood zijn voor de HERE. Niet op koers voor de hemel, maar richting hel. We kunnen daar niet concreet genoeg over spreken. Dat doet Jacobus dan ook. En dat moeten wij vandaag dus ook doen. Er is alle aanleiding toe. Want de verleiding en verlokking komen vanuit alle kanten op je af.

Dus niet dwalen. Het van God verwachten vanwaar alleen maar het volmaakte komt. Hij heeft ons gemaakt door het Woord der Waarheid. En wat een Waar­heid! Hij sprak en het was er. Hij sprak en ik ben er. Dat is de waarheid. Eer­stelingen onder de schepselen, eerstelingen van dat Rijk van recht en gerech­tigheid. Het Koninkrijk der hemelen. Nu al zichtbaar in ons.

Neemt met zachtmoedigheid het in u geplante Woord aan! Dat houdt je te snelle spreken tegen en helpt je om te leren luisteren. Dat voorkomt boosheid en vuile taal. Dat moet je dan ook doen!

Dan gaat het verder. Jacobus schrijft over daders van het woord. Dat is heel concreet. Het woord der waarheid. Dus pas op. Alles wat daar niet bij hoort, daar moet je je tegen verzetten. Het is uit het leven gegrepen. We kunnen het zo toepassen in ons eigen leven. Doe je wat God zegt, de wet volbrengen, dan heb je optimale vrijheid. De wet is er niet om te knechten, maar om je maxi­male vrijheid te geven. Het is dan ook de wet der vrijheid. Probeer het maar, pas het maar toe en je zult zien dat het werkt. Niet zeggen en toch niet doen. Dan kom je geheid verkeerd uit. We kunnen daar uit ervaring over meepraten. Dom toch eigenlijk, terwijl het zo duidelijk is hoe de vork in de steel zit. We trappen er steeds weer in.

Als je wel godsdienstig bent, maar je doet het niet wat je belijdt, dan is dat waardeloos. Nou, nou, ook dat is een krasse opmerking. We zijn echter ver­leerd om de dingen bij de naam te noemen. Daarom is er zoveel schijnheilig­heid in ons leven en in het christelijk gedoe. Daar moet de beuk in. Dat moet ontmaskerd worden. De naaste liefhebben is het grote genot, en ons van de wereld onbesmet bewaren. We worden dus kennelijk besmet. En daar moeten we ons voor bewaren. Opnieuw: daar moeten we ons voor inzetten. Daar moet je voortdurend wat aan doen. Dat is niet een eenmalige zaak, maar een perma­nent gebeuren. Doen dus. We hebben er onze handen vol aan.

Jacobus 2:1-13

16 mei [2]

2:1

houdt uw geloof… vrij van aanzien des persoons.

2:6

Doch gij hebt de arme smadelijk behandeld.

2:8

Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf,…

2:10

wie… op één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle (geboden).

2:13

barmhartigheid (echter) roemt tegen het oordeel.

Weer gaat het hier over rijken en armen. Kennelijk werden de rijken voorge­trokken in de gemeente. En dat is tegen de manier waarop God wil dat we met elkaar omgaan. Het gaat om de gelijkheid in Christus. Daar past geen onder­scheid des persoons bij. Jacobus is daar heel scherp over. Hij waarschuwt. Het gaat om de verhoging, door het geloof in Christus, voor rijk en arm gelijk. Daarom is de vervulling van de wet: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Jezus zegt dat aan dit gebod, samen met dat van het liefhebben van God, de ganse wet en de profeten hangt. Jacobus legt het hier verder uit. Zondig je tegen één gebod van de wet, dan heb je de hele wet overtreden. Het komt er dus op aan om in alle aspecten en onderdelen van ons leven de liefde en de kracht van Jezus te laten werken. Dan komt het goed. Dan is er geen onzeker­heid en heen en weer geslinger. Daar moeten we ons op richten! Glorie voor de Naam van God. Hij is onze Koning. Dan hebben we maximale vrijheid. Dan komt Hij. Dan komt dat Koninkrijk. Dan zijn en willen we barmhartig zijn. Zoals God het bedoelt en zoals de Here Jezus in zijn grote liefde naar ons toegekomen is.

Wij hebben er een handje van dat we naar de mensen kijken en daar ons oor­deel van laten afhangen. Dat is gevaarlijk. Dat is niet goed. We letten dan op uiterlijke dingen en niet op de dingen van God. Daar zit het leven vol mee. We staan zo maar klaar met ons oordeel over dit of over dat. Onderzoek je eigen gedrag maar eens. We hebben ook vaak een oordeel zoals andere mensen over ons oordelen. We zijn zo met onszelf bezig, dat we bang zijn dat mensen een slechte mening over ons hebben. Daar moeten we voor oppassen. Daar komen heel wat minderwaardigheidscomplexen uit voort. Het gaat erom, dat we ons met elkaar en in ieder verblijden, die de liefde van Jezus door genade in zijn leven heeft ontvangen. Daar moeten we genoeg aan hebben en daar moet al het ander bij in het niet vallen. Die blijdschap mag ons deel zijn. Als we dat ontdekken, dan worden we er steeds enthousiaster van. Probeer het maar. Het werkt omdat het zo is.

Jacobus 2:14-26

17 mei [2]

2:17

indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood.

2:21

Is onze vader Abraham niet uit werken gerechtvaardigd, toen hij zijn zoon Isaäk op het altaar legde?

2:24

Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit geloof.

2:26

Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood.

Zouden er in de dagen van Jacobus mensen zijn geweest die er wel een geloof op na hielden, maar er niet naar handelden? Maar het is toch zo vanzelfspre­kend. Je kunt toch niet geloven zonder werken? Hoe kun je daar nu een punt van maken? Blijkbaar toch wel. Je kunt wel zeggen te geloven , maar als je weduwe en wees laat creperen? Als je de ander niet uitnemender acht dan je zelf, enz., enz.? Dan is je geloof dood. Jacobus haalt een zwaar voorbeeld aan, Zwaarder kun je haast niet bedenken. Abraham die Isaäk offert. Dat was een opdracht. Wat een opdracht! Toch deed hij het. Hij was gehoorzaam. Hij deed de werken, die God voor hem had toebereid. Die gehoorzaamheid, die werken die hij voor God deed, zijn hem tot gerechtigheid gerekend. Niet alleen het feit dat hij geloofde, maar dat hij er ook naar handelde.

Zo word je een vriend van God, net als Abraham. Doen wat God zegt. Daarbij kun je aan heel veel denken. Het woord en de daad gaan samen. Het kan ook niet anders, want het woord zet in beweging. We kunnen er vele voorbeelden van geven. In ons eigen leven, maar ook vanuit de Bijbel. Geloof zonder wer­ken is dood. Daar heb je niets aan. Daarom moeten we aan de slag, niet om daarmee onze behoudenis te bewerken of om er ons geloof door te bewijzen en niet om door werken ons geloof te verkrijgen. Ook niet omdat we er een soort werkheiligheid op na houden en die koesteren. Neen, niets van dat alles. Geloof en werken zijn één. Je doet het uit dankbaarheid en gehoorzaamheid. Omdat God jou heeft liefgehad, wil je je naaste ook liefhebben als jezelf. En dan is er zoveel dat op je pad komt. Daar hoef je niet ingewikkeld voor te doen. Daar moet je gewoon je geloofsogen en hart voor open houden. Dan weet je wat er gebeurt. Dat is de grootse ontwikkelingskracht die je je maar kunt bedenken. Daar komt een geweldige samenleving uit voort. Dat is de samenleving van liefde en goede werken. Als daar de wereld meer van door­trokken wordt, dan gebeuren er wonderen. Dat is opwekking. Daar mogen we ons elke dag opnieuw naar uitstrekken. Stoppen met ons dode of werkheilig­heidsgeloof en uit liefde wandelen.

Jacobus 3:1-18

18 mei [2]

3:2

wie in zijn spreken niet struikelt, is een volmaakt man,…

3:5

Zo is ook de tong een klein lid en voert toch een hoge toon.

3:8

Zij is een onberekenbaar kwaad,…

3:11

Doet soms een bron uit dezelfde ader zoet en bitter water opwellen?

3:18

Maar gerechtigheid is een vrucht, die in vrede wordt gezaaid voor hen, die vrede stichten.

Jacobus is goed in het beeldend voorstellen van een situatie. Nu gaat het over spreken. Het gaat over de tong. Het is maar al te waar, wat hij zegt. Het is een klein lid, maar toch voert het een hoge toon. Wat wordt er ontstellend veel gezegd. En wat wordt er ontzettend veel goeds en ontzettend veel verkeerds met de tong gedaan. De tong kan geen mens bedwingen. We kunnen ontzet­tend veel bedwingen maar de tong blijkbaar niet. Het is een onberekenbaar kwaad vol dodelijk venijn. We weten er allemaal van. Je zou kunnen denken: Jacobus overdrijft toch wel een beetje. Is het nu echt allemaal zo verkeerd? Dat is nogal wat: een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn. Maar niets is minder waar. Wat doen we elkaar toch veel kwaad aan met onze tong. Elk verkeerd woord is uit de boze. Het is dodelijk. Het is venijn. Het is waar. Een woord vliegt zo maar uit onze mond. Het begint met wat we allemaal in ge­dachten verkeerd doen. Het komt uit ons denken en dan zeggen we het. We flappen er zoveel uit. We zijn zo gauw klaar met ons oordeel. We gebruiken de tong om onze eigen zin door te drijven, om ruzie te maken, om de ander af te breken. Hoe vaak is het niet zo? Als we boos zijn dan kan er van alles uit­komen. Jacobus overdrijft niet. Het is waar. En zien we het breder, wat kun­nen de mensen elkaar met woorden aandoen. Er komen oorlogen uit voort. Dit moet mijn broeders, niet zo zijn. Dat is duidelijk. Wat hebben we dan een ontzettende strijd te leveren om onze tong te bedwingen. Ook hier weer zo’n prachtige illustratie hoe één vlammetje een heel bos in brand kan zetten. Zo moeten we ontzettend oppassen om niet door iets kleins geheel verkeerd te gaan. Dan moeten we onze tong afbijten. Dan moeten we wel drie keer naden­ken, voordat we er iets uitflappen. We zitten zo verkeerd. Indien we God lief­hebben en onze naaste als onszelf, dan willen we toch met onze tong niemand tekort doen.

De tong is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn. Nou, nou, als het dan zo gevaarlijk is, dan mogen we wel bidden of God een wacht voor onze lippen zet. Het is een gevaarlijk instrument. Terwijl het bedoeld is om de HERE te loven en te prijzen. De duivel heeft er alles aan gedaan om onze tong in zijn greep te krijgen om er dodelijk venijn uit te laten spuiten. De zonde heeft vat op ons gekregen. Als we dat dan weten, dan moeten we uit onze bron alleen maar zoet water laten komen en geen bitter. Hoe moeten we dat doen? Nadenken wat we zeggen. Beseffen dat we een ander ontzettend kunnen pijn doen met wat we zeggen? Nadenken over wat de gevolgen zijn van wat we zeggen. In principe ons inzetten om alleen maar positieve, opbouwende dingen te zeggen. Nooit onszelf zoeken. Niet ons eigen recht zoeken. Liefde laten spreken. We zouden een cursus moeten ontwikkelen hoe we ons spreken beter kunnen gebruiken om elkaar in liefde te dienen en op te bouwen. De wereld zou er veel beter uit zien als we daar ons best voor deden. Wij kunnen er in ieder geval mee starten. En, zo nodig, steeds weer opnieuw. We kunnen in ieder geval beginnen door eens na te denken waar wij over de schreef gin­gen en waar wij ons spreken moeten aanpassen, veranderen en zuiveren, om beter naar de wil van God te spreken. Dat zal niet meevallen, want om jezelf te ver­beteren en te erkennen dat er bij je verandering nodig is, lijkt wel de grootste onmogelijkheid die er bestaat. En toch staat het er. Een zoete bron kan alleen maar zoet water voortbrengen. Zullen we eens kijken hoe het ons af gaat?

Het laatste stukje gaat over naijver en zelfzucht. Daar heerst wanorde en chaos. En zo is het. Kwade praktijken. Haat en nijd. Dat heeft niets met liefde te maken. Ook daarbij komt de tong vaak om de hoek. We moeten de wijsheid zoeken, die van boven komt. Het komt weer op hetzelfde neer: de liefde. Die uit zich in goede daden en eigenschappen. Daar moeten we ons naar uitstrek­ken. Dat is hemelse wijsheid. Het is een vrucht. Gerechtigheid, die in vrede wordt gezaaid, voor hen die vrede stichten. Alleen over dit vers kun je al een boek schrijven. Waar kiezen we voor? Wijze zachtmoedigheid, die van Boven komt.

Jacobus 4:1-17

19 mei [2]

4:1

uit uw hartstochten, die in uw leden zich ten strijde toerusten?

4:6

God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft hij genade.

4:7

Onderwerpt u dus aan God, maar biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden.

4:8

Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen.

4:10

Vernedert u voor de Here en Hij zal u verhogen.

4:12

Eén is uw wetgever en rechter,…

4:14

gij die niet (eens) weet, hoe morgen uw leven zijn zal!

Al ons strijden en vechten komt voort uit onze hartstochten. We kunnen bid­den, maar als we onze hartstochten niet kruisigen, dan ontvangen we niets. God is een jaloers God. Hij eist ons helemaal op. We moeten ons geheel aan Hem overgeven. We moeten ons onderzoeken waar we, zelfs met onze vrome gebeden, toch nog onze hartstochten botvieren. Hij ontdekt ons eraan. Als wij ons voor Hem vernederen, dan zal Hij ons verhogen. Want Hij is genadig en lankmoedig, groot van goedertierenheid. We moeten ons aan Hem onderwer­pen en weerstand bieden tegen de duivel. Dat vraagt inzet. Dat gaat niet van­zelf. Daar moeten we ons in trainen. Daar moeten we ons voor buigen. Hoog­moed is de HERE een gruwel. Weg met onze eigen gerechtigheid. Hij ver­hoogt ons, als wij ons voor Hem vernederen. Hij doet het. Weg met ons gebral en gelach. Als je je eigen zonde ontdekt, treur je. Hij redt je dan. Dat gaat vaak tegen ons eigen vlees in. Maar als we het leren doen, dan zal Hij ons ook verhogen. Dan wordt het een lust de HERE te vrezen. Er is een groot geheim: de geboden van de HERE zijn niet zwaar. Het lijkt onmogelijk, maar als we ons er naar uitstrekken, dan geeft Hij ons de kracht om ze te volbrengen. Want wat Hij belooft heeft, dat doet Hij ook. Als we ons naar Hem uitstrekken, dan zal de duivel van ons vlieden. Want waar God is, gaan de demonen op de vlucht. Waar het Licht is, kan geen duisternis zijn. Is dat niet een geweldige gedachte, een geweldige zekerheid, een heerlijke vrede en rust, een hoopvolle genade?

Als we op onszelf zien, dan kunnen we in treurigheid uitbarsten, want dan is er geen hoop. Dan zijn we de ellendigste mensen. Onze hoogmoedige houding moet dan ook in treurigheid verkeren. Want zie hoe vaak doen we de HERE God verdriet, omdat we onszelf toch weer verhogen. Maar als we zien op de genade van God en zijn grote liefde en we ons toch weer voor Hem vernede­ren, dan zal Hij ons verhogen en dan gaan we steeds meer uit gehoorzaamheid en dankbaarheid voor Hem leven. Dan willen we ons, uit liefde voor Hem, reinigen en heiligen. Het is een geheim, een grote zegen.

Dan oordelen we niet. Dan stoppen we met lasterpraat. Dan is er maar één Rechter, één Wetgever. Dat weten we heel zeker. Dan hebben we ook niet zo’n hoog woord over alles wat wij wel eens zullen doen. En wat hebben we vaak een groot woord, alsof wij alles in onze hand hebben. Maar niets is minder waar. We weten niet eens hoe onze dag er morgen uit zal zien. We roemen o zo vaak in onze eigen grootspraak. En ja, dan halen we God er nog wel een beetje bij, maar dat is dan slechts een sausje, omdat dat er ook bij hoort. Maar de weg is opnieuw: verneder u voor God en Hij zal u verhogen. Het gaat om: indien de HERE het wil en wij leven. Dat is de volgorde in ons leven. Het is een geheim, dat werkt. Want als we het vanuit God zien, dan weten we zeker dat Hij het goede voor ons wil. Dus alles wat we van daaruit doen geeft ons rust en zekerheid, omdat Hij alles in zijn hand heeft; ook mij, klein nietig mensenkind die met God gaat en door Hem veilig thuiskomt, wat hem ook kan overkomen.

Wat een rust. Wat een eeuwig leven. Wat een zekerheid dat alles medewerkt ten goede voor hen die geloven. HERE help mij, help ons om zo vandaag weer op pad te gaan. Prijs de HERE.

Jacobus 5:1-20

20 mei [2]

5:3

Gij zijt schatten gaan opleggen, terwijl het de laatste dagen zijn.

5:6

Gij hebt de rechtvaardige veroordeeld, ja vermoord; er is geen verweer tegen u.

5:8

Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst des Heren is nabij.

5:11

Zie, wij prijzen hen zalig, die volhard hebben;… dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming.

5:16

Belijdt daarom elkander uw zonden en bidt voor elkander, opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt.

5:20

wie een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, diens ziel van de dood zal behouden…

Jacobus begint hier weer over de rijken. Er waren kennelijk veel rijken in de verstrooiing, anders zou hij het er niet steeds over hebben. De onderdrukten, de uitgebuite mensen schreeuwen naar de hemel en de HERE Zebaoth hoort het. In de wetten van Mozes staat precies beschreven hoe het met de verhou­dingen zit. Van uitbuiting mag absoluut geen sprake zijn. Maar hier is dat wel het geval. Daar volgt het onherroepelijk oordeel op. En dat kunnen ze weten, want volgens Jacobus is de dag des HEREN nabij, de dag van het oordeel. Hij roept de uitgebuitenen op om te volharden. De moed niet opgeven. Jacobus begrijpt ook dat hij er niet veel aan kan doen, dat deze mensen verdrukt wor­den. Daar zitten ook gelovigen tussen. Hij wijst ze op de volharding van Job. Wat een ellende maakte die mee. Maar uiteindelijk kwam het goed. Hij wijst op de profeten. Wat hebben die niet allemaal moeten meemaken. De HERE is rijk aan barmhartigheid en ontferming. Daar staat de Bijbel vol van. Als die grote dag gekomen is, dan zal iedereen ervaren wie de Rechter is. Hoe de situ­atie echt zit. Wie er dan verhoogd zal worden en wie er vernederd zal worden. God regeert.

Tot slot volgen de laatste korte krachtige opmerkingen. Ja is ja. Neen is neen. Is er leed? Ga bidden. Is er ziekte? Bid. Het gaat om het gelovig gebed. Je moet elkaar de zonden belijden en voor elkaar bidden. Alles moet wel zuiver zijn voor God. We hebben te maken met een jaloers God. Het is ook geen eer­lijke zaak, dat zal iedereen begrijpen, wanneer we wel gezond willen worden, maar toch aan onze zonden en onze hooghartigheid blijven vasthouden. We moeten ons geheel aan Hem willen onderwerpen, dan zal Hij ons verhogen. We maken er zo vaak een halve zaak van. Gaan maar een stukje op de Weg, alleen dat deel dat ons past. We weten dat maar al te goed. Maar het gaat hier om het gelovig gebed. Het gaat hierom, dat we schoon schip maken, dat we ons uitleveren aan Hem. Het gelovige gebed, het gebed van een rechtvaardige vermag veel, omdat er kracht aan wordt verleend. Daarom moeten we vanuit God gaan denken en gaan leven. Het komt er echt op aan. Gebed moet ingebed zijn in geloof en belijden. Dan wil God genezen. Volkomen overgave aan Hem, Die alleen maar het goede met ons voor heeft.

Het is steeds maar hetzelfde verhaal: God heeft het beste met ons voor. Hij wil ons zegenen. Hij wil ons genezen. We moeten heel dicht bij Hem blijven. We kunnen ontzettend veel genade ontvangen. Hij zal ons verhogen. De persoon Elia wordt ons ten voorbeeld gesteld. God doet wonderen op het gebed. Niet alleen toen, maar ook nu. Daarom is bidden o zo belangrijk. Niet het bidden op zich, maar het onderworpen willen zijn aan God. Daarom, alvorens we bidden, moeten we onze hartstochten kruisigen en ons vernederen voor God. Daar zit zo’n geweldige, bevrijdende werking in. Daar ontvang je zoveel kracht uit. Dat is geweldig. Want dan kan God onze lasten op Zich nemen. Wat zijn we toch een stelletje domoren, dat we almaar onze eigen zonden mee torsen en maar blijven sjouwen tot we er bij neer vallen, terwijl God zo dicht­bij is en blijft roepen: leg nou toch al je lasten op Mij! Laat jezelf los en laat je hartstochten gaan. Laat toch varen dat strijden om je eigen gelijk. Ik zal voor je strijden en jij moet stil zijn. Wat een geweldige God. Hij weet het en Hij zal het doen.

Het einde van een kort briefje. Een krachtig briefje. We zouden de principes eigenlijk uit ons hoofd moeten leren. Maar belangrijker is: pas het toe in je hart. We gaan een geweldige tijd tegemoet. Of we nu rijk of arm zijn. De HERE God is goed.