Galaten 1:1-10

2 augustus [2]

1:4

de Here Jezus Christus, die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, om ons te trekken uit de tegenwoordige boze wereld,…

1:5

wie de heerlijkheid zij in alle eeuwigheid!

1:7

Er zijn echter sommigen, die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien.

1:9

indien iemand u een evangelie predikt, afwijkend van hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt!

1:10

Tracht ik thans mensen te winnen, of God?

Paulus, we weten het, ging van stad tot stad. Hij kon niet anders dan te predi­ken het evangelie van Jezus Christus en Dien gekruisigd. Verder schrijft hij brieven. Die begint hij altijd heel krachtig door de HERE God te loven en te prijzen. Hij heeft Jezus opgewekt uit de doden. Paulus is zelf door Jezus geroepen. Jezus Zelf heeft hem, moord en brand roepende en dood en verderf zaaiende, gestopt op de weg naar Damascus. Dat vergeet je je leven niet meer. Dat zet je in vuur en vlam. Dat bepaalt de rest van je leven. Getrokken uit de duisternis van de wereld naar het licht van Jezus. Na letterlijk met blindheid te zijn geslagen, geeft God hem het licht terug. Geen wonder dat Paulus zich in de eerste verzen uitput om de heerlijkheid van die God en Jezus te prijzen en te roemen.

Ook wij zijn uit de duisternis overgegaan in het licht. Het is een groot voor­recht als we mogen weten een kind van God te zijn. Het is genade. Want waar­om wij wel? Het is genade. Het is verkiezing. We kunnen toch moeilijk zeg­gen dat we zelf gekozen hebben. Hoe komen we erbij? God heeft ons in zijn genade aangezien. En daarom zijn we blij en enthousiast. Daarom willen we niet anders. Daar moeten we bij blijven. En dan moeten we ons daarvan niet af laten trekken.

Daar schrijft Paulus over in dit briefje. Ze hebben zich laten aftrekken van dit evangelie. Hoe gemakkelijk gaat dat niet? Er komen steeds weer mensen, die er een verkeerde leer op na houden. Die de zaak verdraaien. Dwaalleraars zijn er steeds. Dat komt van de boze, die ons van de waarheid tracht af te trekken. Vandaar dat Paulus zegt: Een ander evangelie dan dat ik gepredikt heb, is geen evangelie. Geloof het niet. Blijf bij wat ik jullie heb verteld. Dat is het evange­lie. Komt er iemand die een afwijkend evangelie brengt, anders dan ik gepre­dikt hebt, die zij vervloekt. Nou, nou, dat is krasse taal. Paulus, je durft wel. Maar hij is er dan ook ten volle van overtuigd. Hij is daadkrachtig geroepen. Hij heeft de schriften bestudeerd. Hij weet er alles van. Hij is zeker van zijn zaak. En in die zekerheid verdedigt hij Jezus. Hij zoekt dan ook niet de eer van mensen. Neen, hij zoekt de radicaliteit van Jezus. Dat is heerlijk. Daar kun je tenminste mee vooruit. Het is geweldig.

Aan die Jezus dan ook: al de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen. Daar kun je mee verder. Maar zodra je je inlaat met allerlei nieuwe gedachten en lerin­gen die niet op dat evangelie gebaseerd zijn, dan raak je je zekerheid en je vreugde kwijt. Dan ga je op eigen inzichten vertrouwen en dan zie je naast het Woord van God ook menselijke denkrichtingen die je op gelijk niveau zet. En dan ga je verkeerd. Dan word je hoogmoedig. Dan zet je je af tegen hen die dicht bij het evangelie van Paulus willen blijven. Dan vind je Paulus hoog­moedig. Dan ga je op de man spelen. Bij Paulus vind je daar niets van. Hij blijft roemen en bouwen op Jezus Christus, Die ons getrokken heeft uit de duisternis van de tegenwoordige boze wereld. Prijs de Heer!

Galaten 1:11-24

3 augustus [2]

1:14

als hartstochtelijk ijveraar voor mijn voorvaderlijke overleveringen.

1:16

zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenen verkondigen zou,…

1:23

Alleen hoorden zij telkens: hij, die ons vroeger vervolgde, verkondigt nu het geloof,…

We zien Saulus staan passen op de jassen van schriftgeleerden die zo woedend zijn dat ze Stéfanus stenigen. Dat mocht helemaal niet. Want in het bezette Israël waren de Romeinen de baas, en die gingen over de doodstraf. Dat zien we bij de kruisiging van Jezus. Het moest allemaal via Pilatus. En ze waren wel zo schijnheilig, dat, toen Pilatus probeerde Jezus vrij te laten, ze liever Barnabas, de boef, de moordenaar, lieten gaan, dan Jezus. Het waren scherp­slijpers. Ze leefden bij de voorvaderlijke overleveringen. Maar ze sloegen alles over wat over hun eigen Messias geschreven was dat niet in hun eigen theologie paste. En als Stéfanus, die tot diaken verkozen was en vol ijver bezig is, dan gevangen genomen wordt en zijn redevoering afsteekt, dan wor­den ze gestoken in hun hart. Stéfanus, die steeds opnieuw aanwijst hoe zij de profeten en de gezondenen van God door de eeuwen heen steeds tegenspraken en hoe ze altijd hun profeten gedood hebben. En hoe waar is het niet? Wat heeft het volk keer op keer gezondigd. Hoe vaak zijn ze niet van God afgewe­ken? Het is één stroom ellende. Wat moet God een geduld hebben. Wat moet er een genade zijn. Het heeft ook soms maar een haar gescheeld of het hele volk was uitgeroeid. Als Stéfanus dan komt bij het punt dat ze met Jezus hun eigen Messias hebben gedood, dan is hun woede compleet. Hij wordt geste­nigd. En Saulus, ook zo’n ijveraar, stond er instemmend bij. Wat een vervol­ging. Moord en dreiging uitvoerend.

Deze Saulus wordt door Jezus Zelf op de weg naar Damascus gestopt. Dat is de ommekeer in het leven van Paulus. Vervolgens gaat hij naar Arabië. Daar verkondigt hij het evangelie. Pas jaren later is hij naar Jeruzalem gegaan. Hij heeft zich afzijdig gehouden van de broeders in Jeruzalem. Hij heeft dat niet gedaan. Dat is ook een opvallende zaak. Hij zou dan in problemen komen met de schriftgeleerden, want hij was toch één van hun grote mannen. Hij was ook zeer geleerd.

De mare van de omkeer bij Saulus is tot de broeders doorgedrongen en zij ver­blijden zich. Paulus zelf zegt daarvan: ik ben door genade geroepen. Grote genade. Jezus is in hem geopenbaard om het evangelie aan de heidenen te ver­kondigen. En dat heeft hij gedaan. Daar gaat het hem om. Hij is door genade en niet naar de mens, een prediker voor de heidenen geworden. Dat wil hij nog een keer aan de Galaten uitleggen. Want er zijn er die zich weer van het ge­predikte woord van Paulus laten aftrekken. Paulus benadrukt met volle kracht dat het niet zijn woorden zijn, maar dat het de openbaring van God is. Daarom is een ieder, die een ander evangelie brengt, vervloekt. Hij kan het niet krach­tiger zeggen. Dat is de kern. Lees het Woord. Predik het Woord. Toets aan het Woord. Laat geen andere invloeden doordringen in je leven. Luister niet naar de anderen, die naast de openbaring van het Woord er zelf ook van alles bij theologiseren of theoretiseren. Geloof het niet! Het brengt je van de wijs. Het brengt je van de weg. Je bent steeds maar bezig om de theorieën van weer een nieuwlichter te toetsten. En dat hoeft niet. Blijf maar rustig bij wat je is toe­vertrouwd. Dan kom je goed uit. En dan houd je vrede in je leven. Aan het bestuderen en lezen van zijn Woord komt geen einde. Het is fantastisch. Ook dit stuk is weer zo bevestigend. We moeten gewoon lezen wat er staat, en geloven wat er staat. Dan hèb je wàt er staat. Glorie voor zijn Naam! Glorie voor zijn Woord! Prijs de HERE!

Galaten 2:1-10

4 augustus [2]

2:2

en ik ging op grond van een openbaring.

2:3

werd… toch niet gedwongen zich te laten besnijden;…

2:4

en zo ons tot slavernij te brengen.

2:6

mij immers hebben zij, die in aanzien waren, verder niets opgelegd.

2:8

immers Hij, die Petrus kracht gaf om apostel te zijn voor de besnedenen, gaf die kracht aan mij voor de heidenen,…

Let wel, pas veertien jaar later gaat Paulus weer naar Jeruzalem. Veertien jaar. Dat is een tijd. Hij is al die jaren blijven werken in het noorden. Daar zijn ook heel wat gemeenten uit ontstaan. In het huidige Syrië en Turkije zijn de Ar­meense kerken ontstaan en de Syrisch Orthodoxe kerk. Het is interessant om dit eens na te gaan. In de Armeense wijk in Jeruzalem heb je een grote biblio­theek met allerlei handschriften. Wat is het toch verbazend interessant om te ontdekken hoe het in de geschiedenis is gegaan. Het christelijk geloof is over de toenmaals bekende wereld verspreid. En met een snelheid die onvoorstel­baar groot is. Een generatie na Jezus was het evangelie al in Spanje bekend. En dat met de vervoermogelijkheden van die tijd. Paulus is daar een grote motor van geweest. Hij is erop uitgetrokken. Van de drie bekende zendings­reizen hebben we een duidelijk beeld. Maar van al zijn werk in die jaren, na zijn krachtdadige bekering, is niets opgeschreven. Ik denk dat Paulus ook niet veel tijd had om veel op te schrijven. Hij had het veel te druk om te reizen. Hij predikte en drong er bij de mensen op aan. Wat fantastisch om zo’n kracht­dadige predikant te hebben. Hij is er vol van. Hij draagt het over. Er komt geen einde aan. Het is geweldig.

Natuurlijk komen de tegenstanders dan ook weer binnen. Daar kun je vast en zeker op rekenen. Elke keer als het evangelie succes heeft, dan ligt de vijand, de tegenstander, ook op de loer. Hij zal alles doen om de vrucht van de Geest aan te vallen. De besnijdenis was hier, zoals steeds, een strijdpunt. Paulus gaat naar Jeruzalem met Barnabas en Titus. En waarschijnlijk ook wel tot zijn ver­bazing en blijdschap, wordt Titus, die een Griek was, niet gedwongen om zich te besnijden. De besnijdenis was iets dat aan de Joden was opgedragen en niet aan de heidenen. Er was een stroming die van mening was dat ook de gelovi­gen uit de heidenen zich moesten laten besnijden. Paulus was die mening niet toegedaan. Hij werd daar in bevestigd door de broeders in Jeruzalem. Even later zegt hij, nadat hij zijn prediking aan de aanzienlijken had uitgelegd, dat Jacobus, Johannes en Petrus hem ook niets verder in de weg legden. Hij werd dus volkomen geaccepteerd als apostel voor de heidenen, zoals Petrus dat voor de Joden was. En daar volgde grote blijdschap op. Het bezoek aan de broeders in Jeruzalem, aan het centrum van de gemeente, zal ongetwijfeld Paulus tot grote blijdschap hebben gebracht. Hij beschrijft het gebeuren hier om maar weer te bevestigen dat het niet nodig is dat de gelovigen uit de hei­denen besneden worden. Waarschijnlijk was daar de grote strijd over onder de gemeenten van de Galaten. Dit is duidelijke taal. En een les voor ons.

Galaten 2:11-21

5 augustus [2]

2:14

Indien gij, die een Jood zijt, naar heidens en niet naar Joods gebruik leeft, hoe kunt gij dan de heidenen dwingen zich als Joden te gedragen?

2:16

om gerechtvaardigd te worden uit het geloof in Christus en niet uit werken der wet,…

2:19

Want ik ben door de wet voor de wet gestorven om voor God te leven.

2:20

Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij.

Dit is toch wel een geweldig en ontwapenend stuk. Wat is er toch steeds een strijd tussen de wet en het geloof. Het komt telkens weer om de hoek. We zitten snel maar weer vast aan menselijke inzettingen die we voorwaarde maken voor ons geloof. We zijn zo kuddeachtig en zo vleselijk en zo vol oordeel en zo schijnheilig. De zonde kleeft aan alle zijden aan ons. Ik ellendig mens, zegt Paulus dan ook in de Romeinenbrief. Als ik het goede wil doen, is het kwade mij nabij. Hoe is dat niet uit het leven gegrepen? We kunnen daar allemaal van getuigen. En zij die zeggen dat het allemaal wel meevalt, die zijn de grootste slachtoffers van deze zonde. Want hoe meer je de genade van de HERE God ziet, hoe meer je ervaart dat je alleen maar door zijn genade kunt leven.

In dit stukje komt Paulus voor de waarachtigheid op. Het was ook absoluut fout, hoe Petrus, maar ook Barnabas en de anderen, weer in hun schulp kropen en huichelachtig waren. Eerst aten ze met de heidenen aan één tafel. Ja, de gelovigen uit de heidenen. Er is toch een eenheid. Maar toen Joden uit Jeruza­lem kwam, gingen ze gauw apart eten. Want Joden eten toch niet met heide­nen aan één tafel. Paulus spreekt hen daarop openlijk aan. Dat kan niet. Dat is de grootst mogelijke schijnheiligheid tegenover de heidenen. Hoe kun je ook verwachten dat er gelovigen uit de heidenen komen als je zo’n schijnheilig gedrag hebt? En daar gaat het steeds maar weer om.Wij worden niet gerecht­vaardigd uit werken der wet, maar door het geloof in Jezus Christus. Dat wil Paulus wel van de daken roepen. En dat moet ook. Want de zonde van de werkheiligheid, de dogma’s, de gewoonten, dat waar we elkaar op afrekenen, dat zit zo in ons. Daar hebben we steeds maar weer mee te maken. Daar moe­ten we ons steeds maar weer van bekeren.

Prachtig hoe Paulus het aan de Galaten klip en klaar zegt: Want ik ben door de wet voor de wet gestorven om voor God te leven. Met Christus ben ik gekrui­sigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. Geweldig toch? Wat een grote kracht. Wat een wonder. Christus leeft in mij. Dat kan toch helemaal niet? Wie ben ik dat Christus in mij leeft? Dat kan ik toch nooit aan? En dat is telkens weer de grote ontdekkingsreis. Dat kunnen we ook helemaal niet aan. We gaan daaraan onderdoor, als we denken het in eigen kracht te kunnen doen. Daar gaan we onder gebukt, als er ook maar één gedachte is dat ik het toch zelf moet kunnen verdienen. Daar komen we ook nooit aan toe, als we maar één gedachte hebben dat ik te zondig ben om het ook te bereiken. Natuurlijk ben ik te zondig. Natuurlijk is er niets in mij dat het verdient. Wij verdienen allemaal de dood. Maar het is de genade, de gena­de van God dat we leven. Hij gaf zijn leven. Gods Zoon. Dat kan toch hele­maal niet? Gods Zoon? Ja, Gods Zoon! Genade, genade. We moeten op onze knieën vallen en God danken, eeuwig danken, voor zijn genade. Genade, genade. Hoe is het mogelijk, dat dat ook voor mij geldt? Ja, het geldt ook voor mij. Leven uit genade. Maar het dan ook doen.

Paulus roept het hier opnieuw. Want er zijn weer mensen onder de Galaten geslopen die het allemaal zelf wel kunnen bedenken. De besnijdenis. Waarop zij kunnen bepalen wie wel en wie niet gelooft. En dat is het slavenjuk. En dat is er niet meer. Er is vrijheid in Christus. Hij woont in ons. Hij wil ons be­schermen. Van daaruit moeten we leven. Maar dan moeten we er ook uít leven. Dan moeten we het ook grijpen. Dan moeten we ons daartoe ook inzet­ten. Dan is het ook de wedstrijd die we moeten lopen. Dan is het ook een strijd. Maar een strijd in overwinning. Doen, doen, doen! Blijf niet bij de pak­ken neerzitten, want het is waar. Het is waar. Geef je over. Lees de Bijbel. Geloof in God, het is genade. Ook het willen en het werken werkt Hij. Want er is niemand die achteraf ook voor maar een moment kan denken dat het zijn eigen werk is geweest dat hem tot het geloof bracht. Het is net als Paulus. Het is de Here Jezus Zelf Die je stilzet en je doorhelpt en vastpakt. Leven voor Christus. Prijs de HERE! We kunnen daar de hele dag wel enthousiast over schrijven. We kunnen er de hele dag en de rest van ons leven uit leven. Glorie voor zijn Naam!

Galaten 3:1-14

6 augustus [2]

3:2

Hebt gij de Geest ontvangen ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof?

3:7

Gij bemerkt dus, dat zij, die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn.

3:8

In u zullen vele volken gezegend worden.

3:9

Zij, die uit het geloof zijn, worden dus gezegend tezamen met de gelovige Abraham.

3:13

Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden;…

3:14

Zo is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door het geloof.

Het is ook wel te begrijpen dat het voor de Joden heel erg moeilijk was om zo maar een geheel andere kijk te krijgen op de Messias en de wet. Ze waren ge­pokt en gemazeld in het leven naar en houden van de wet als voorwaarde om een echt gelovige Jood te zijn. Ze hadden er hun regels voor gemaakt. Hun zeshonderd en dertien geboden, die de Joden moesten houden en de zeven noachitische geboden, die dan zouden gelden voor alle mensen. Hoe zien we dat niet in het leven van de Here Jezus? Het lijkt er wel op dat de Schiftgeleer­den niets anders doen dan om Hem te pakken op het niet houden van die gebo­den. Je moest je handen wassen voor het eten. Je ging geen aren plukken op de sabbat. Je mocht niet meer dan zoveel meter lopen op de sabbat. Je genas niet op sabbat. Je bad en je vastte. Je hele leven was vol van regels en geboden. Dat was hun godsdienst. Dat er gerechtigheid was uit het geloof en niet uit werken der wet, dat was voor hen een nieuw begrip. Het is dan ook geen wonder dat Paulus dat in al zijn brieven steeds maar weer naar voren haalt.

Het was ook heel moeilijk voor de Joden om te zien dat er ook heil was voor de heidenen. En dat nog wel op grond van de belofte aan Abraham. Abraham hun aartsvader. Dat de belofte van God: In u zullen alle volken gezegend wor­den, ermee te maken had dat de beloften voor de Joden ook van toepassing werden voor de volkeren. Dat wilde er bij hen niet in. De orthodoxe Joden wilden dan ook niets anders dan Paulus uit de weg ruimen. Hij zit nu gevan­gen en schrijft zijn brieven. Weg met Jezus, maar ook weg met de fanatieke­ling Paulus.

Paulus put zich in dit stukje dan ook uit om te herhalen dat ze moeten blijven bij wat hij als evangelie gebracht heeft. Geen wonder dat er andere Joden kwamen om hen weer van de wijs te brengen. Dat kwam Paulus overal tegen. Daarom bestrijdt hij het ook zo fel. Het is het één of het ander. Het is zwart of wit. Het zijn zij die uit het geloof zijn, die kinderen van Abraham zijn. Abra­ham is gerechtvaardigd door het geloof. Zo werd het hem tot gerechtigheid gerekend. Lees het zelf maar. Het staat in jullie Torah. Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden. Zo is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door het geloof. Fantastisch als je het gaat zien. Het is genade. Het is genade. Het kan ook niet anders. Want hoe kunnen we het zelf verdienen? Christus is de vloek geworden. Hij heeft zijn leven gegeven. Daar kun je met je verstand toch niet bij? Hij gaf zijn leven. Dat is een lijdende Messias. En dat was in de begrippen van de Joden ook heel moeilijk. Zij waren niet opgegroeid bij het idee van een lijdende Messias. Zij geloofden in een overwinnende Messias. Zij waren er vast van overtuigd dat de Messias zou komen om de Romeinen het land uit te gooien. De bezetter. De gehate bezetter, die hen in hun diepste eer aantastte. Zij, het volk van God. Zij in het beloofde land, waren bezet door de heidense Romeinen. Dat was een krenking van hun eer. Dat kon toch helemaal niet? Daarom was er een vurige Messiasverwachting. Een nationalistische Messiasverwachting. De Messias zou een strijdende en overwinnende Messias zijn en dan zouden de rollen omgekeerd worden. Dan zouden zij gaan heersen over de volkeren, zoals op zoveel plaatsen over de Messias geschreven was.

Een lijdende Messias kwam in hun beeld helemaal niet voor. Dat was het om­gekeerde van wat hen met de paplepel ingegoten was. En toch, Paulus komt met de prediking van een gekruisigde Christus, Die de vloek op Zich genomen heeft, Die geleden heeft voor onze zonden, Die de verzoening is van de zon­den der wereld. Dat kan ook niemand verdienen. Dat is alleen maar genade. Dat kun je alleen maar geloven. Dat kun je niet verdienen. Geloven door de genade en het bloed van Jezus. Alleen het geloof rechtvaardigt ons. Het geloof in een gekruisigde Jezus. Glorie voor zijn Naam! Daar word je enthousiast van als je het gaat zien. Dat moeten we dan ook proclameren. Daar moeten we niet over zwijgen. Daar moeten we steeds enthousiaster van worden. Fantastisch! Heerlijk voor zijn Naam. Prachtig dat we daar uit mogen leven.

Dank U, Here Jezus voor zoveel genade. Ons hart gaat uit naar de kinderen van uw volk. Wilt U hen trekken. Dank U dat U beloften hebt voor uw volk. Zij zullen door Uzelf zien wie ze doorstoken hebben. Wat moeten ze nog veel meemaken. Wat moeten ze nog veel lijden. Wat hebben ze geleden. Wat heb­ben wij, als gelovige heidenen, hen aangedaan? Wat rust er een schuld op ons. Het is toch vreselijk? Hoe kunnen wij voor God bestaan? Wij met onze grote mond gerechtvaardigd door het geloof door genade door het kruis van Golgo­tha en tegelijkertijd hebben we de kinderen van Gods uitverkoren volk ver­volgd en uitgemoord. Door de eeuwen heen tot in onze generatie toe. Ja tot vandaag aan de dag, als we de tegenstanders van de Joden steunen, die hen alleen maar met geweld de zee in willen jagen. O, HERE God, hoe zijn wij met blindheid geslagen. Vergeef ons en open ons de ogen, opdat we het in een juist profetisch perspectief mogen zien. Here, help ons! HERE vergeef ons.

Galaten 3:15-29

7 augustus [2]

3:16

en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus.

3:17

zodat zij de belofte haar kracht zou doen verliezen.

3:18

Immers, als de erfenis van de wet afhangt, dan niet van de belofte; en juist door een belofte heeft God aan Abraham zijn gunst bewezen.

3:21

Is de wet dan in strijd met de beloften [Gods]? Volstrekt niet!

3:25

Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester.

3:28

gij allen zijt immers één in Christus Jezus.

3:29

Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen.

Een belangrijk stuk, waard om twee keer te lezen en te overdenken. Het is geweldig. Er is een Middelaar, een Verlosser: Jezus Christus en Dien gekrui­sigd. De belofte is aan Abraham en zijn zaad. Er staat niet: zijn zaden, maar zijn zaad. In u zullen alle volken gezegend worden. De belofte is aan Christus gegeven. In Christus is de vervulling van de wet. De wet is vierhonderd dertig jaar na Abraham gekomen; aan de belofte toegevoegd, omdat de wet de zonde doet kennen. Maar in Christus zijn wij gerechtvaardigd door het geloof. Niet gerechtvaardigd door de wet, maar door het geloof. God sloot een verbond met Abraham. Wij zijn alle erfgenamen door het geloof in Jezus. Gerechtvaar­digd door het offer van Hem aan het kruis van Golgotha. Het is een geweldige zaak. Paulus put zich uit om het de gelovigen uit de Joden steeds maar duide­lijk te maken. Er is geen sprake van een tegenstelling. Er is eenheid in de Schrift. God geeft zijn eeuwigdurende belofte aan Abraham. God geeft de wet op de Sinaï, vierhonderd dertig jaar later. Dat zet de belofte en de gerechtig­heid uit het geloof niet op losse schroeven. Het is een tuchtmeester voor ons, dat de wet erbij kwam. De wet doet de zonde kennen, maar dat wil niet zeggen dat we er door gerechtvaardigd worden. In tegendeel. Dan komt de beloofde Messias en dat is de vervulling van het zaad. En wij zijn dan gerechtvaardigd door het geloof in het zaad: de Messias. Hij gaf zijn leven. Hij was de ver­vulling van de belofte en Hij was het volmaakte offer. God Zelf verschafte Zich een offerlam. De Zoon van God. Niet Isaäk, niet de wet, niet de offe­randen, maar Jezus Zelf. Hij is de vervulling van de wet. Hij werd de vloek aan het kruishout. Hij nam de zonden van ons op Zich. Wat een wonder. Wat een genadige God, dat Hij zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen overgeven, opdat wij eeuwig leven zouden hebben. Wij waren des doods schuldig. En hoe waar is het niet? Wat brengen wij ervan terecht? We hebben genade en ontferming nodig. Geprezen zij de HERE!

En daarin is er geen onderscheid meer tussen Jood en Griek en wie dan ook. Wij zijn allen één in Christus. Christus is gestorven voor de zonden van de gehele wereld. In Christus zijn we één. En in Christus zijn we het zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen. Niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Wat een genade. Het is geweldig.

Galaten 4:1-20

8 augustus [2]

4:5

om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen.

4:7

indien gij zoon zijt, dan zijt gij ook erfgenaam door God.

4:8

Maar in de tijd, dat gij God niet kendet, hebt gij goden gediend, die het in wezen niet zijn.

4:17

Zij zijn vol ijver voor u, maar niet op de juiste wijze, want zij willen u buitensluiten,…

4:20

want ik ben in zorg over u

De zaken staan er kennelijk slecht voor bij de Galaten. Ze zijn afgeweken van het evangelie dat Paulus bracht. Er zijn mensen binnengeslopen die met grote ijver een ander evangelie prediken. Zij prediken een wettisch geloof. Ze moe­ten dit en ze moeten dat. Het wordt niet helemaal duidelijk wat ze willen. Eén ding is wel duidelijk, dat ze bezig zijn om hen van hun vrijheid in Christus te beroven. Paulus heeft het er heel erg moeilijk mee. En dat terwijl ze, toen ze tot geloof kwamen, Paulus heel erg ziek was, ze toch zijn boodschap gezien hebben als een boodschap van God die ze hebben aangenomen. Ze hebben Paulus ontvangen als was hij Jezus zelf. Ze zouden alles er aan gedaan hebben om hem in zijn ziekte te helpen. Ze zouden hun eigen ogen wel hebben willen geven. Is dit is een aanwijzing dat Paulus aan een oogziekte leed?

En nu toch dit. Dat kan toch niet? Als zij kinderen der belofte zijn, dan zijn zij ook erfgenamen. Dan zijn zij vrij en geen slaaf meer. Tot de tijd, dat Jezus kwam, waren ze slaven, maar nu de Messias gekomen is, zijn zij vrij en delen in de belofte. Paulus kan het niet sterk genoeg benadrukken. Hij wijst er steeds weer op dat er vrijheid is in Christus. Geen gebondenheid meer aan allerlei regels om de heerlijkheid te verdienen. Geen slaaf, maar zoon. En als je zoon bent, dan ben je erfgenaam van God. Hoe is het dan mogelijk dat je weer terugvalt in je gewoonten van voor de openbaring van Jezus in je leven? Daar moet je je tegen wapenen. Die valse herders kunnen wel heel ijverig zijn en van alles uitleggen en je proberen duidelijk te maken, maar je moet er geen aandacht aan schenken. Het zijn valse herders en leraars. Die willen je je vrij­heid en je blijdschap in Hem ontnemen. En dat is gevaarlijk.

Het is een uit het leven gegrepen voorbeeld voor ons. Als we geloven in de kracht van God, dan komen meteen de valse herders en leraars en die doen van alles om je van de liefde en de blijdschap van God af te halen. Het gaat om de kracht van God. Het gaat om de eeuwigdurende belofte van God. Het gaat om de vrijheid in Christus. Zodra we weer onze eigen redeneringen erbij gaan halen, dan raken we onze vrijheid kwijt; dan worden we knechten van ons eigen denken. Dan kan het de ene keer zus zijn en de andere keer zo zijn. Er is dan geen houvast meer buiten onszelf. Het wordt een subjectief geloven, dat ook steeds weer aan verandering onderhevig kan zijn. Daar waarschuwt Pau­lus voor. Daar moeten we ons tegen wapenen. We zijn geen slaven meer. We zijn vrijen. Wij zijn gerechtvaardigd door het geloof in Messias Jezus. Een slaaf moet gehoorzaam zijn aan een meester. Hij mag niet dit en mag niet dat. Maar een vrije mag leven onder de almacht en de vrijheid van God. O beste mensen, roept Paulus, ik zou het wel anders tegen jullie willen zeggen, maar jullie moeten heel dicht bij het evangelie blijven, dat ik jullie verkondigd hebt, want anders kom je verkeerd uit. Ik heb grote zorg over jullie. En ik zeg het jullie dan ook maar heel duidelijk. Daar hebben we allemaal behoefte aan. Ga bij jezelf na waar je weer onder de wet gekropen bent en jezelf verwijderd hebt van de genade? Lees en herlees. Het staat hier duidelijk.

Galaten 4:21-31

9 augustus [2]

4:23

Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije door de belofte.

4:24

twee bedelingen: de ene van de berg Sinaï, die slaven baart,…

4:25

Het staat op één lijn met het tegenwoordige Jeruzalem, want dat is met zijn kinderen in slavernij.

4:27

want talrijker zijn de kinderen der eenzame dan van haar, die een man heeft.

4:29

hem, die naar de geest verwekt was, vervolgde, zo ook nu.

4:31

Daarom, broeders, zijn wij geen kinderen ener slavin, maar van de vrije.

Wel moeilijk dit stukje. Paulus doet opnieuw een poging om het verschil tus­sen de wet en de belofte uit te leggen. Het verschil tussen vrij zijn en slaaf. Hij spreekt over de twee zonen van Abraham. Isaäk, ja dat is een zoon van de vrije Sara. En Ismaël, de zoon van Hagar, dat is een zoon naar het vlees. Dat begrij­pen we. Dat is dan een zoon naar de wet. Want de naam Sinaï waar de wet is gegeven is, is hetzelfde als Hagar. Paulus kent daar een diepere betekenis aan toe.

Het zijn twee bedelingen. De bedeling van de vrijheid en de bedeling van de slavernij. Het tegenwoordige Jeruzalem staat op één lijn met Hagar, want het wil blijven bij de wet. Het wijst de rechtvaardiging door het geloof af. Messias Jezus kan niet de Messias zijn. Dat was een valse Messias, die de wet niet hield. Weg met Hem! Kruisig Hem! Liever een misdadiger vrij, dan Jezus nog langer in leven. Maar het hemelse Jeruzalem is vrij, zegt Paulus. Niet gebon­den door de wet, maar vrij door de belofte. Niet zelf geregeld naar het vlees, maar naar de belofte vertrouwend op wat onmogelijk lijkt.

Dan wordt de tekst uit Jesaja 54 vers 1 aangehaald. Daar gaat het over de on­vruchtbare, die veel kinderen heeft. Daar moeten we ons over verheugen. Het zijn fantastische hoofdstukken na het 53ste hoofdstuk. De lijdende knecht des HEREN. En dan de hoofdstukken dat het heil ook voor alle volkeren is. O, alle gij dorstigen, komt, koopt en eet. Ik zal nog meerderen bijeenbrengen, dan er reeds toegebracht zijn. Fantastische hoofdstukken. We moeten de profeten veel meer lezen. Natuurlijk gaat het over de beloften voor land en volk van Israël. En wij zijn geënt op de wortel. Maar de bedoeling van God is om alles weer te herstellen, zoals het was. Het volk Israël is gekozen, opdat God een weg kon banen om het heil voor de volkeren uit te breiden. De Messias moest een weg vinden om Gods plan te volvoeren. Maar het gaat om het heil voor de wereld. En daarom is het belangrijk om dit stukje in Paulus’ brieven te lezen met het oog op het heil voor de wereld. Dat is een geweldige uitdaging. Daar liep hij op tegen de Joden, die zoveel eeuwen gedacht hebben dat de God, die zij dienden, hun eigen God was. Terwijl het de God van de hele wereld is. Want Hij heeft immers de hemel en de aarde gemaakt. De wet zegt dat toch heel duidelijk. En zij wisten het. Maar ze vergaten, dat die God hen uitverko­ren had om dat heil aan heel de wereld te kunnen brengen door hun Messias Jezus, Die als lijdende knecht gekomen was om de zonden te verzoenen. Daar was toch ook de tempel voor? De plaats waar God wilde wonen bij de men­sen? Daar werden de offers gebracht. Niet alleen als onderscheid met de afgoden rondom hen, maar als de universele God, Die woonde en troonde in Jeruzalem, het centrum van de wereld. Toen en ook nu. En dat is het hemelse Jeruzalem en dat is vrij.

We denken door ons historisch en rationeel besef en onze verdorvenheid, veel te eng van de plannen van God. God is wereldwijd. Hij regeert het heelal. De psalmen staan daar vol van. Paulus probeert alsmaar uit te leggen dat het niet gaat om de wet die alleen voor de Joden is en voor de niet-Joden die erbij ko­men. Neen, het gaat om de andere bedeling, de bedeling van Abraham. De bedeling die er al vierhonderd dertig jaar eerder was dan de wet. Daar wordt gesproken over een eeuwigdurende belofte. Een belofte van de vrije. Abraham kan, door Hagar als vrouw te nemen, wel proberen een erfgenaam naar het vlees te krijgen en Ismaël geboren te laten worden, maar zo werkt God niet. Het kind met de moeder worden daarom ook de woestijn ingestuurd. Abra­ham, Abraham, Abraham wat doe je nu toch dom. Twijfel je dan toch aan de belofte van God? We moeten ontzettend voorzichtig zijn om God niet voor de voeten te lopen. Dat is levensgevaarlijk. Daar komen ongelukken van.

Zelfs vandaag aan de dag hebben we nog te maken met dat ongeloof van Abraham. De kinderen van Ismaël zijn vandaag de Arabieren die voor het grootste gedeelte Moslim zijn, die elke dag bezig zijn om de kinderen van de vrije te vernietigen en in een kwaad daglicht te plaatsen. God heeft geen Zoon, roepen ze heel hard. Zij alleen zijn de echte kinderen van Abraham en weg met de kinderen van Sara. Daar waar Abraham zijn zoon moest offeren, heb­ben zij een grote moskee gebouwd. De Schrift werd verdraait, zo zou niet Isaäk maar Ismaël door Abraham geofferd zijn. Weg met de eeuwigdurende beloften. Weg met Jezus. Weg met de christenen. Joden en christenen zijn in hun ogen hun aartsvijanden. Hoe vriendelijk ze ook over kunnen komen, hun religie zegt het anders. Als een christen hen te na komt dan hebben ze de plicht hem te doden. Want die gaat tegen de leer van Mohammed in. Wat een grote leugen. Wat een consequenties van een fout van Abraham, of liever een grote zonde. Want als God iets belooft, dan moeten wij daar onvoorwaardelijk in geloven en in blijven geloven. Niet denken God een handje te moeten helpen. Want dan komt de straf. God laat niet met zich spotten.

Paulus kan het wel van de daken roepen: Joden, lees toch met je eigen ogen en hart wat je eigen profeten hebben geschreven en gooi die bril van de wet en de wetgeleerden aan de kant. Je moet lezen wat er staat dan heb je wat er staat. Doe dat dan toch! Daarom haalt hij Jesaja 54 aan. De Joden lazen deze hoofd­stukken alleen maar in het verlengde van hun eigen gezichtspunt: de wet! Daarom hebben ze ook ontzettend veel moeite met het daaraan voorafgaande Jesaja 53. Dat gaat over een Messias, Die lijdt. En dat kan niet. Want zij heb­ben hun Messias een overwinnende, een bevrijdende Messias gemaakt, Die de bezetters eruit zal gooien en dan vanuit Jeruzalem zal heersen over de volke­ren. Ze hebben het over een vleselijke, wettische Messias. En daar past Jesaja 53 niet in. Daar lezen ze overheen. Daar willen ze geen discussie over hebben. Wat een tragiek. Het is toch op grond van hun eigen profetieën dat de Messias is gekomen? In de eerste plaats voor hen. Wat een harde strijd om de waarheid naar voren te krijgen. Wat een tragiek voor de Joden, die toch het eerst in aanraking kwamen met dit goede nieuws.

Wat ook een strijd in die eerste gemeenten die al spoedig uitloopt op een scheiding. Paulus, door God geroepen om apostel van de heidenen te zijn, was dan ook krachtdadig geroepen. Soms denk je wel eens dat het ook niet anders kon, want anders was hij misschien ook niet zo tot het bijbelse inzicht geko­men hoe de vork nu werkelijk in de steel zat. Het valt ook niet mee om be­keerd te worden van een dogma dat je van alle kanten en eeuwenlang is voor­gehouden. Daarom is het ook zo ontzettend belangrijk dat we de Bijbel lezen. Lezen, lezen en biddend overdenken. We zitten zo maar aan de verkeerde kant. Zoals wij bijvoorbeeld als gelovigen uit de heidenen, die denken dat de Joden de belofte verworpen hebben en ze Jezus hebben afgewezen, omdat ze ook vandaag nog bij de wet zweren (de bedeling van Hagar, het tegenwoor­dige Jeruzalem, dat met zijn kinderen in slavernij is), wij als gelovigen uit de heidenen dan alle beloften en profetieën dan van toepassing mogen verklaren op de kerk. Voor de Joden, voor Israël, voor het land, zijn geen beloften meer. En dat is ook de grootste leugen die er bestaat.

Messias Jezus is gekomen als lijdende knecht des HEREN. Er is alleen ge­rechtigheid door het geloof op grond van het offer, de verzoening van onze zonden door Messias Jezus op het kruis van Golgotha. Hij is ten hemel geva­ren om ons plaats te bereiden, maar Hij heeft ons niet als wezen achtergelaten. Hij zendt ons de Heilige Geest, de Trooster, de Geest der waarheid. Hij zal komen op de wolken. Hij zal zijn voeten zetten op de Olijfberg. Dan zullen ze zien Wie ze doorstoken hebben. En alle volken zullen erkennen dat Hij God is. En de wet zal uitgaan van Jeruzalem. Dan zullen alle volken elk jaar naar Jeruzalem komen om God te aanbidden. Wat een beloften. Wij, als kerken uit de heidenen, hebben al deze beloften naar onszelf toegetrokken. En welke exegetische kronkel we er ook voor moesten verzinnen, we hebben het ver­zonnen. Er is hier en daar wel wat gemorrel om deze valse theologie te ont­maskeren, maar er is, tot op heden, geen brede erkenning en bekering. Want dan zet je de hele boel ook wel erg op z’n kop. En dat is nu juist wat moet gebeuren: Hoe kunnen we een Jood het evangelie voorhouden als we hem eerst beroven van zijn eigen profetie? Dat slaat toch nergens op. Daar kijkt hij dan ook dwars doorheen. De orthodoxe Jood verafschuwt de christen. Voor hem zijn de christenen dieven en moordenaars. Voor hen is het kruis dan ook gelijk met het zwaard. En dat is ook zo. Wat hebben wij, christenen met de Bijbel in de hand, de Joden niet door de eeuwen heen uitgemoord. Het is toch verschrikkelijk. Het is je toch niet voor te stellen. De recente holocaust is er slechts één van. Vandaag aan de dag wordt nog steeds in de meeste kerken en bij de meeste christenen de verwarring in stand gehouden dat alle beloften van Israël zijn overgegaan op de kerk. En indien een Jood wat wil, dat hij zich dan moet bekeren tot de kerk. Nou, nou, wat een arrogantie.

Maar nog erger. Wat een diefstal. Wij hebben Jezus, van Wie we zeggen dat we Hem op grond van de Schrift als Messias aanvaarden. Gode zij dank dat wij tot dit inzicht gekomen zijn. We hebben met dezelfde haast deze Jezus, onze eigen Messias, beroofd van zijn eigen profetie. Hij was het toch Die ver­telde over zijn terugkomst? Hij sprak toch wenend over Jeruzalem? Hij legde toch de Schriften uit op grond van hun eigen profetie? Hij sprak toch alleen maar over de profeten? De profetie, de Bijbel, die sprak over Zijn komst. Hij klaagde hen toch aan dat ze van de wet een knelling hadden gemaakt, terwijl de wet juist bedoeld is om te kunnen leven in vrijheid, gerechtigheid en rechtvaardigheid. Hij veegde het tempelplein toch leeg, omdat ze er een rovershol van gemaakt hadden, zoals de profetie zegt, in plaats van een bede­plaats voor alle volkeren. En wat doen wij? Geen beloften meer voor zijn volk. We kappen Jezus af van zijn eigen profetie, die juist nodig is om zijn terugkomst voor te bereiden. Zolang er geen radicale bekering is van deze vreselijke leugen, past Messias Jezus in het wettische dogma van een ver­wrongen kerk uit de heidenen. Dit is de Hagar-geest en niet geest der belofte, het hemelse Jeruzalem.

Daar had Paulus het over. Paulus had het niet over de beloften van de Messias die overgingen op de gemeente en van de Joden werd afgenomen. In tegen­deel. Hij bevestigde deze beloften juist. Hij was alleen maar bezig om de Joden ervan te overtuigen en te doordringen, dat zij niet bij de wet moesten blijven hangen maar ook in de bedeling van de vrije, de belofte aan Abraham moesten gaan staan. Zij waren kinderen der belofte en niet kinderen van de slaaf. En de kinderen van de belofte zijn de kinderen die geboren worden uit de rechtvaardiging door het geloof, uit Messias Jezus. Want indien wij met Christus zijn, dan zijn wij zaad van Abraham en naar belofte erfgenamen. Dat geldt voor de gelovigen uit de heidenen, maar dat geldt dan in de eerste plaats voor de gelovigen uit het volk van God Zelf. Zij hebben er in de eerste plaats recht op. Wat een tragiek dat de Joden zoveel moeite hebben om dat te gaan zien. Zij blijven gebonden, zij blijven slaven, omdat ze hun Messias van de wet verwachten en niet naar het verbond, de bedeling van Abraham.

O, HERE God, zendt ons een Paulus vandaag, die met betoon van geest en kracht het evangelie van de vrijheid, het evangelie van de vrije predikt. Het evangelie van de wereldwijde God, Die niet anders wil dan dat mensen tot bekering komen en het eeuwige leven van vrijheid mogen ontvangen door genade, door het offer van de Zoon der vrije Messias Jezus geboren uit de Joden en terugkomende in het uitverkoren land te midden van zijn uitverkoren volk. De prediking van de boodschap van bevrijding heeft prioriteit. Eerst aan de Jood, maar ook aan de Griek. O, HERE God, dank U wel. Dit was een moeilijk stukje. En ik denk dat ik nog maar nauwelijks de diepgang ervan begrepen heb. Of misschien wel helemaal niet. Maar ik ben blij een stukje meer beseft te hebben, hoe uw plan in elkaar zit. Help mij! Ontgiftig ook mij van het zuurdezem van de Farizeeën. Ik ben ook wettisch opgevoed in een theologie van de vervangingsleer en een kerkleer die gestoeld is op een ver­bond dat van uw beloften is losgemaakt. We zitten in de kerk van het Westen zo ontzettend vastgeroest dat we ons wel af mogen vragen of er wel ooit een uitweg is. De vastgeroeste dogma’s en de structuren zijn vervlochten in leven en cultuur. Er moet wel een wonder gebeuren wil dat ooit nog los mogen komen. O HERE, help ons om te bidden en te worstelen, opdat er verandering en verbetering gaat komen. Wij danken U voor uw genade en uw geduld. We danken U voor uw Woord, dat zeer vast is. U komt tot ons door uw Woord en uw Geest. U openbaart Zich. Help ons om in dat Woord, in die beloften te leven. Het leven is dan een feest. HERE wij loven en wij prijzen U!

Galaten 5:1-12

10 augustus [2]

5:1

Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen.

5:4

Gij zijt los van Christus, als gij door de wet gerechtigheid verwacht; buiten de genade staat gij.

5:5

Wij immers verwachten door de Geest uit het geloof gerechtigheid, waarop wij hopen.

5:6

maar geloof, door liefde werkende.

5:7

Gij liept goed. Wie is u in de weg gekomen, dat gij aan de waarheid niet meer gehoorzaamt?

5:10

Maar wie u in verwarring brengt, zal zijn straf hebben te dragen, wie het ook zij.

5:11

Dan is immers het aanstotelijke van het kruis van kracht beroofd.

5:12

Zij moesten zich maar laten snijden, die u verontrusten!

Ja, daar gaat het Paulus om. Hij is gekomen en heeft hen het evangelie van de vrijheid gepredikt. De Galaten hebben dat aangenomen. Zij waren goed be­gonnen. Ze waren blij. Ze waren enthousiast. Ze hadden alles gedaan om die prediking van bevrijding te volgen. En nu waren ze in verwarring gebracht door mensen, die beweerden dat het voor hun behoudenis toch nodig is dat mannen besneden worden. Maar Paulus vertelt over zijn bezoek aan Jeruza­lem, hoe ze hem niets in de weg gelegd hebben. Ze hebben het daar niet over de besnijdenis gehad. Paulus heeft helemaal niets tegen de besnijdenis; hij is zelf besneden, hij is zelf Jood. En dat Joden zich moeten laten besnijden staat voor hem ook helemaal niet ter discussie. Maar nu waren er lieden gekomen die de besnijdenis als voorwaarde stelden voor geloof. Ze probeerden er een wettisch geheel van te maken. Paulus ziet dat als een bedreiging van de bede­ling van de vrije; van de belofte aan Abraham. Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Wij geloven in Messias Jezus, Die ons vrijkocht van de zonde en dat wordt ons tot gerechtigheid gerekend.

Er is een directe lijn tussen de belofte aan Abraham, via David naar Messias Jezus. Het offer van Isaäk is een afschaduwing van het offer van Jezus. God Zelf zal Zich een lam verschaffen. God Zelf zond zijn Zoon, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Het ging im­mers om het herstel van alle dingen? God brengt het paradijs terug. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarop gerechtigheid heerst. Wat een God. Wat een zegen. Paulus zorg is te begrijpen. Hij verzet zich fel als er mensen komen die weer een of andere wettische leer gaan brengen waarmee ze de mensen knech­ten. Het gaat om de liefde van Jezus, het offer van Hem, die door geloof aan­vaard wordt en liefdevol werkt. O mensen, pas toch op. Luister niet naar al die ijveraars voor de wet. In welke gedaante ze ook komen. Ze kunnen je zo knechten en zo tekeergaan.

Ook vandaag zitten de kerken en de kerkenraadsbanken vol met mensen die het beter weten dan God het weet. Ze hebben een eigen wettische leer ge­maakt. Het is gevaarlijk. We mogen niet dit, we mogen niet dat. Ze geloven in een uitverkiezingsleer die heel wat mensen hun hele leven in de onzekerheid laat of ze er wel bij behoren. Mocht het komen staan te gebeuren. Weer wordt enorm veel geleden in de kerken. En dat terwijl we de vrijheid in Christus hebben. We kunnen het zelf absoluut niet verdienen. We kunnen er niets aan toevoegen. We mogen het alleen maar door genade ontvangen. En die genade kunnen we ontvangen door het offer van Christus. Het is waar, zoals ze in de verkiezingsleerkringen zeggen, dat je het moet krijgen. Dat is volkomen waar. Maar je krijgt het dan ook. We mogen ons onvoorwaardelijk overgeven aan God en zijn geboden. En als we dat door zijn genade gedaan hebben, is er niets in ons wat ook maar durft te zeggen dat we het zelf gedaan hebben. Het is enkel genade. Maar om een grote blokkade van deze onmogelijkheid de mensen voor te houden, die ze in eigen kracht nooit kunnen wegnemen, dat is een totaal ander evangelie. Dat heeft niets te maken met gerechtigheid door het geloof maar dat heeft te maken met wetticisme, die de eigen werkheilig­heid naar voren haalt en tegelijk zegt dat het voor geen mens mogelijk is Het is een godsdienstige dwaling waarvan we ons moeten bekeren. Wat wordt er geleden en wat wordt er een blijdschap afgepakt door deze bevindelijke leer. Hoe komen ze erbij door er zo’n leer van te maken?

Zo is er zoveel. We behoren niet tot een kerk, een instituut, maar tot het Lichaam van Christus. Natuurlijk hoort daar de gemeenschap van Christus bij en de gemeenschap der heiligen, maar we moeten de goede volgorde handha­ven. De verbondsleer komt ook uit de bron van wetticisme, zoals Paulus daar­over spreekt. We kunnen de Joden, die bij de wet wilden blijven leven, van alles verwijten, maar we moeten ons als gelovigen uit de heidenen ook afvra­gen waar wij dezelfde fout maken.

O HERE, help ons. O HERE, dank U wel dat uw knecht Paulus alles deed om te benadrukken dat er alleen gerechtigheid uit het geloof is en niet door wer­ken der wet of wat voor werken dan ook. Dank U wel, dat U ons daar ook vandaag bij bepaalt. We hebben het, o zo, nodig. Want het zit ons in het bloed om het zelf te willen verdienen, ook al moeten we ons daar veel en veel meer voor inspannen dan het eenvoudig uit genade ontvangen door het geloof in Jezus Christus. Dat is de ene weg, die wij moeten gaan waardoor ons de toe­gang tot het eeuwige leven wordt gegeven. Dank U HERE! We kunnen U daar niet genoeg voor danken. HERE, red ons! HERE bewaar ons! HERE houd ons vast! Glorie voor uw Naam!

Galaten 5:13-25

11 augustus [2]

5:13

Want gij zijt geroepen, broeders, om vrij te zijn;… maar dient elkander door de liefde.

5:14

gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.

5:18

Indien gij u echter door de Geest laat leiden, dan zijt gij niet onder de wet.

5:19

Het is duidelijk, wat de werken van het vlees zijn:…

5:21

wie dergelijke dingen bedrijven, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.

5:22

Maar de vrucht van de Geest is…

5:23

Tegen zodanige mensen is de wet niet.

5:24

Want wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd.

5:25

Indien wij door de Geest leven, laten wij ook door de Geest het spoor houden.

Zo daar kunnen we het mee doen. We hebben de vrijheid in Christus. Gewel­dig! Wat een bevrijding. Wat een genade. Wat een grote gave. Wat een blijd­schap. Het kan niet op. Het is ook niet te vatten. Het is een geschenk uit de hemel. We genieten er volop van. Weg alle slavernij. Weg alle moeilijke wet­tische trucs. Wij zijn erfgenaam van Abraham, van de belofte. We zijn gebor­gen in Christus, in God. Niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Daar putten we onze kracht uit. Daaruit moeten we dan ook leven. We weten het allemaal heel goed. Als we niet meer onder de wet hoeven te leven dan mogen we de wet vervullen en de vervulling van de wet is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.

Dan volgt er een rijtje werken van het vlees. En die kunnen we zonder proble­men nog vele pagina’s langer maken. Het is duidelijk, dat wie zich met één van deze dingen bezig houdt, het Koninkrijk Gods niet zal beërven. Dat is een duidelijke zaak? Dat heeft niets te maken met een hardvochtige God. Of een boze boeman. Of een onmogelijk te bereiken ideaal. Neen, dat is gezond ver­stand. Het is logisch, als God je de weg van zijn liefde aanbiedt en jij zelf kiest de weg van het verderf, van de duisternis, dan moet je dat God niet ver­wijten. Daar ben je zelf schuldig aan. En indien je, als je in de fout gaat, daar­voor geen vergeving vraagt, maar er rustig mee doorgaat, dan haal je het oordeel over jezelf. God oordeelt je niet: je hebt jezelf geoordeeld. God zal het alleen maar bevestigen. Gods oproep is en blijft: Bekeer je, want zoals je nu doet eindig je in de hel. En daar wil God niemand hebben. Dat is de plaats voor het rijk van de duisternis. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars. Zij, die in deze wereld al in de hel van de werken der duisternis verkeren die weten het maar al te goed. Die kennen het werk van de duivel die rondgaat als een briesende leeuw. De duivel is niet een fabeltje. Hij is een realiteit, die in­derdaad mensen verleidt om al de vreselijke dingen te doen die in dit hoofd­stuk zijn opgesomd. Geen wonder dat de wet van God daar heel duidelijk over is. De wet is dan ook niet afgeschaft. Nee, integendeel. Als we uit de vrijheid door de genade van Jezus leven, dan willen we uit dankbaarheid juist leven naar de richtlijnen die in ons hart zijn gelegd. Het komt er eigenlijk nog scher­per op aan. Jezus gaf zijn leven om voor ons de vloek op zich te nemen. Dan willen wij toch ook leven volgens de ons door genade gegeven verlossing? Dan wil je de zonde haten en daar van wegvluchten, dan wil je je inzetten om het goede te doen.

We wandelen door de Geest en niet uit het begeren van het vlees. Wandelen in de vrijheid van de belofte. Want de vrucht van de Geest is:
liefde,
blijdschap,
vrede,
lankmoedigheid,
vriendelijkheid,
goedheid,
trouw,
zachtmoedigheid,
zelfbeheersing.
Dat moet je uit je hoofd leren en dat moet je boven je bed hangen. Daar moet je jezelf steeds weer met de haren bijslepen als je met je gedachten en je daden weer de verkeerde hoek in dreigt te gaan. Hoe gemakkelijk gaat dat niet? HERE, help ons!

De Geest werkt in ons en werkt fantastisch. Helend. Het is ook beschamend, omdat je zo vaak jezelf tegenkomt, maar het is bevrijdend als je ontdekt dat het offer van Jezus ook de enige weg is om jou uit de ellende van het vlees te verlossen, om je door genade te trekken op deze weg. Indien je in de fout gaat, dan is daar de trekkende genadekracht van God, die je weer op het rechte spoor wil brengen. Heerlijk toch, die permanente reddingslijn, die je nooit in de steek laat?

We hebben onze begeerten en hartstochten, maar die mogen gekruisigd zijn op het kruis van Golgotha. Daar mogen we ons naar uitstrekken. O HERE, help ons! O HERE, dank U wel. O HERE, wat een genade. Ik ellendig mens. Maar Gode zij dank, door het offer van mijn Messias Jezus zijn mijn vlees, de harts­tochten en begeerten gekruisigd. Wat een wonder. Niet meer ik, maar Christus leeft in mij.

Op dat spoor moeten we blijven. We weten de richting. Die richting moeten we dan ook gaan. Wie er ook op onze weg komt. Wat kunnen er een schuins­marcheerders en dwaalleraars op onze weg komen. Wat houden ze er mooie verhalen op na. Het ene is nog mooier dan het andere. Maar we moeten bij het Woord blijven. De Geest maakt het ons duidelijk. Het is de openbaring van God. Doen! Glorie voor zijn Naam!

Galaten 6:1-18

12 augustus [2]

6:1

Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen.

6:2

Verdraagt elkanders moeilijkheden; zó zult gij de wet van Christus vervullen.

6:7

Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten.

6:14

Maar ik moge ervoor bewaard blijven te roemen anders dan in het kruis van onze Here Jezus Christus, door wie de wereld mij gekruisigd is en ik der wereld.

6:18

De genade van onze Here Jezus Christus zij met uw geest, broeders! Amen.

Het is wel een krachtige en direct toepasbare brief van Paulus. We hebben net gelezen dat we door de Geest het spoor moeten houden. Maar meteen daar­achter lezen we, dat als iemand in een overtreding valt, we hem met wijze zachtmoedigheid moeten helpen om hem weer op het goede spoor te wijzen en te helpen. En dan volgt er: we mochten ook zelf eens in verzoeking komen. En zo is het. We staan zo vaak gelijk met ons oordeel klaar. Zo van, zie je nou wel. Ik had het al gedacht. En nu zie je het. Ja, hij ook altijd met zijn vrome praat en nu moet je eens zien, enz., enz., enz. En zo zitten we elkaar al weer te verbijten, te vereten en te oordelen. Het lijkt wel of dat vanzelf gaat. Paulus weet daar ook alles van. Daarom voegt hij er meteen aan toe dat je iemand terecht moet wijzen in een geest van zachtmoedigheid. Niet van dik hout zaagt men planken. Neen, zachtmoedig van geest. Want je mocht ook zelf eens in verzoeking komen. Dan verwacht je ook dat er een wijze broeder komt in een geest van zachtmoedigheid die je de weg wijst om weer uit de verzoeking te komen.

Wat hebben we toch veelvuldig zwaar geschut in stelling gebracht en gebruikt. Het gaat vanzelf. Zeker wij in de kerk. Er is zoveel haat en nijd. Er is vaak ook zoveel gebeurd. Vaak is het ook allemaal heel erg. Maar de wijze geest van zachtmoedigheid, die zouden we wel wat meer kunnen beoefenen. Het is overigens ook een vrucht van de Geest. Zachtmoedigheid betekent balsem op de wonde. Het is helend, het is reddend uit een verzoeking, waarin je zou onder gaan als de ander, door God gezonden in de geest van zachtmoedigheid, je daar niet uit redt.

We moeten dan vooral ook niet letten op de fouten van een ander. We hebben onze handen vol aan onszelf. Als we op onszelf letten waar we met ons lek en gebrek tekort doen aan de vrucht van de Geest, dan zijn we nog lang niet klaar en komen aan de ander helemaal niet toe. We moeten ons laten onderrichten door het Woord. En Hij Die ons onderricht, daar moeten we respect voor heb­ben en Die moeten we eren. Daar kun je niet blij genoeg om zijn. We moeten dan ook niet dwalen. Want wat je zaait, dat zul je ook oogsten. Blijf je in je vlees zaaien, dan zul je de eeuwigheid niet beërven. Maar zaai je op de akker van de Geest, dan zul je het eeuwige leven oogsten. Heerlijk toch? Wat een oproep, wat een waarschuwing. Het is de hel of het hemels Koninkrijk. Maar we weten het dan ook.

We moeten ons dan ook blijven inzetten om het goede te doen. Daar moeten we niet in verslappen. En kennelijk is die oproep steeds weer nodig, want hoe gauw verslappen we niet? Als de ander niet snel genoeg luistert en reageert, dan laten we het er al heel gauw bij zitten. De ander waardeert het toch niet. Ik blijf mijn tijd niet verknoeien met die ander, enz., enz., enz. En zo gaat de liefde verloren, daar waar het kansen had om op te bloeien. Heerlijk voor God om vol te houden met goed doen. Ook al krijg je er geen waardering voor. Want daar gaat het immers niet om. Willen we dat wel, dan zijn we eigenlijk met onze eigen eer bezig. De Here Jezus deed niets anders dan goed. Maar in plaats van dank en eer kruisigden ze Hem aan het kruis van Golgotha. Zijn wij meer dan onze Meester?

Aan het eind herhaalt Paulus zijn belangrijke punt in deze brief. Ze kunnen wel komen met een nieuwe leer, als zou je je moeten besnijden, wil je het Koninkrijk beërven, maar geloof het niet. Het is weer een poging om de wet boven het kruis van Jezus te stellen, zegt Paulus en voor de laatste maal in deze brief en op heel krachtige wijze zegt hij dat hij in niets anders wil roe­men dan in het kruis van Christus, door wie de wereld hem gekruisigd is en hij der wereld. Wij verwachten een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar ge­rechtigheid heerst. Het is de kracht van God, die ons helpt om ziende op Jezus te volharden in deze strijd.

Vrede en barmhartigheid kome over hen en ook over het Israël Gods. Het is alsof Paulus er nu niet op in wil gaan, maar hij bidt zijn broeders uit de Joden de vrede Gods toe. Zij hebben de verbonden. Zij zijn uitverkoren door God. Zij hebben de belofte. Zij hebben heel veel voor. Uit hen is de Christus gebo­ren, Die in de eerste plaats voor hen kwam. Wat zou hij toch graag willen dat zijn volksgenoten zouden zien dat het gaat om de bedeling van Abraham en niet om de bedeling van de wet om gerechtigheid te ontvangen. Wat een predi­king om ook vandaag met kracht te brengen, want er is ook vandaag weer zo­veel wetticisme ingeslopen dat we met betoon van Geest en kracht deze bood­schap van bevrijding door het bloed van Jezus moeten brengen aan een wereld verloren in schuld. Prijs de Heer, voor zoveel duidelijkheid in dit briefje. We kunnen steeds meer leren. Het Woord van God is een onuitputtelijke bron van rijkdom.