Amos 1:1-2:16

15 oktober [2]

1:1

twee jaar vóór de aardbeving.

1:2

De HERE brult uit Sion en uit Jeruzalem verheft Hij zijn stem,…

1:5

en Arams bevolking zal in ballingschap gaan naar Kir,…

1:8

zodat de rest der Filistijnen te gronde gaat,…

1:10

zal Ik vuur werpen binnen de muur van Tyrus, zodat het zijn burchten verteert.

1:12

zal Ik vuur werpen in Teman, zodat het Bozra’s burchten verteert.

1:14

zal Ik een vuur ontsteken binnen de muur van Rabba,…

2:3

en Ik zal uit zijn midden de heerser uitroeien en al zijn vorsten met hem doden,…

2:4

Zo zegt de HERE: Om drie overtredingen van Juda, ja om vier, zal Ik het niet herroepen. Omdat zij de wet des HEREN verworpen en zijn inzettingen niet onderhouden hebben, maar hun leugengoden, die hun vaderen reeds achterna liepen, hen hebben verleid,

2:5

zal Ik vuur werpen in Juda, zodat het Jeruzalems burchten verteert.

2:13

Zie, Ik maak, dat het onder u zal kraken, gelijk een wagen kraakt, van garven overvol.

2:16

Ja, de kloekhartigste onder de helden zal te dien dagen naakt wegvluchten, luidt het woord des HEREN.

Amos profeteert twee jaar voor de grote aardbeving in de dagen van Uzzia. Dat moet een enorme aardbeving geweest zijn, want de profeet Zacharia komt er ook op terug. Dat moet zo vreselijk geweest zijn dat de mensen vluchtten. Het was een benauwde tijd. Er kunnen dus aardbevingen zijn in Israël. Dan kan ook de Olijfberg dus splijten. Dat zal ook gebeuren. Het gebeurt omdat het er staat, niet omdat het kan. Want bij God kan alles. Hier worden de oordelen uitgesproken. Alle omringende volkeren worden gestraft voor hun vreselijke zonden. Wat kunnen mensen toch wreed zijn tegen elkaar. Het is toch te gek. Maar ook Juda en Israël ontkomen niet aan het oordeel. Want zij hebben de Here God verlaten Ze hebben andere goden nagelopen. En dat keer op keer. God zal vuur werpen in Juda, zodat het Jeruzalems burchten verteert. En we weten dat het gebeurd is. Niet een keer, maar vaker. En het volk is in ballingschap weggevoerd. En het is in het jaar 70 verwoest. En nooit meer op­gebouwd. Het is een woestenij geweest. Eeuwen lang. En waarom? Vanwege hun zonden. We moeten het allemaal heel scherp zien. Het is niet de vreugde des HEREN die er heerst. Maar de afval. De Baäls en Moloch dienst. Het is verschrikkelijk. Vlak onder de tempelberg. Niet te geloven. En dan Israël. Daar wordt uitgebreid beschreven wat ze de arme, de geringe, de rechtvaardi­ge aandoen. Ze buigen het recht. Ze doen recht wat krom is. En dat terwijl God toch alles had gedaan om ze te redden en te zegenen. Maar ze luisterden niet. Ze gingen zwelgend hun weg. God stuurde profeten, maar ze luisterden niet. Ze verboden de profeten te profeteren. Het is vreselijk. Dat kan toch niet.

En dan komt het oordeel. Zie, Ik maak dat het onder u zal kraken, gelijk een wagen kraakt, van garven overvol. Het gevolg is dat ze geen kant op kunnen. De snelheid is eruit. Alles kraakt. Hun kracht zal zwakheid worden. Daar waar ze trots op waren, dat is nu niets meer. Dat is de straf. God neemt het niet als mensen zondigen. En als de omringende volkeren ook nog eens het volk van God vervolgen, dan neemt God het helemaal niet. Want zijn volk kan dan wel gezondigd hebben, maar dan hoeven wij er niet een schepje bovenop te doen. Dat is de schuld, die op allen rust die én in de Bijbel én door de eeuwen heen, tot vandaag toe Gods, uitverkoren volk de voet dwars zetten. Dat neemt God niet. En ieder die zich niet bekeert zal zijn trekken thuis krijgen. Net als hier. Daarom is het zaak om nauwgezet te ontdekken wat God in zijn woord bedoelt met alle profetieën. We moeten het dan ook lezen en proberen toe te passen op de actualiteit van vandaag, waar we geconfronteerd worden met apocalypti­sche verschijnselen. Het gaat hier steeds zo, dat de HERE vuur zal werpen. En wat zien we om ons heen. Wat een vuur overal. Het is spannend. Hij komt spoedig. Al gaat het door vuur heen. Prijs de HEER.

Amos 3:1-4:5

16 oktober [2]

3:2

U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden aan u bezoeken.

3:7

Voorzeker, de Here HERE doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten.

3:8

De leeuw heeft gebruld, – wie zou niet vrezen? De Here HERE heeft gesproken, – wie zou niet profeteren?

3:10

Ja, zij weten niet van recht doen, luidt het woord des HEREN,…

3:11

Daarom, zo zegt de Here HERE: De vijand! En rondom het land!

3:15

ja vele huizen zullen hun einde vinden, luidt het woord des HEREN.

4:1

Hoort dit woord, gij koeien van Basan, die woont op de berg Samaria, gij, die geringen verdrukt en armen vertrapt,…

4:2

De Here HERE heeft gezworen bij zijn heiligheid:…

4:3

en gij zult weggesleept worden naar Haharmon, luidt het woord des HEREN.

4:4

Komt naar Bethel en pleegt afval,…

4:5

Zo wilt gij het immers gaarne, o Israëlieten, luidt het woord van de Here HERE.

Spannende profetie. Ja, de zonde is tot in de hemel gestegen. Het oordeel komt. Het kan niet langer duren. Het is genoeg. De leeuw brult uit Sion. De HERE God zelf treedt op. God heeft zijn volk zelf uitverkoren, maar ze heb­ben zich van Hem afgekeerd. En nu komt het oordeel. Hij zal al hun ongerech­tigheden aan hen bezoeken. Waar zonde is moet geboet worden. En Hij heeft zijn profeten gestuurd. Zij hebben opgeroepen tot bekering. Hij heeft zijn raad aan de profeten geopenbaard. Want gebeurt er een ramp in de stad, zonder dat de HERE die bewerkt? Het zijn de rampen die volgen op de zonde van het volk. De profeten hebben het aangekondigd. En natuurlijk worden de profeten aangevallen en ze worden belachelijk gemaakt, maar daar waar de zonde hui­zenhoog opklimt, daar komt het oordeel. En vandaag aan de dag worden de kinderen van de wereld met 50 miljoen per jaar uit de moederschoot gerukt. En dat is het oordeel dat God over de wereld laat gaan. God neemt het niet. Het moet afgelopen wezen. Het oordeel staat vast. En Hij heeft zijn raad aan zijn knechten geopenbaard. En wie zou dan niet vrezen. De Here HERE heeft gesproken, wie zou niet profeteren? Het is een retorische vraag. Als al deze dingen beginnen te gebeuren dan moet men met des te meer verve het woord proclameren. Dan is er geen tijd meer voor kleine administratieve zaken die ons van de boodschap afhouden. Dan is het tijd om te proclameren. En midden op de straat het evangelie te proclameren. Bekeert u want het koninkrijk van God is nabij gekomen. Profeteer nu. Nu. Maar dan ook nu! Want de rampen die over de wereld trekken hebben alles te maken met de zonden van de mens­heid.

En de straf komt. De vorsten kunnen wel denken dat ze veilig zijn in hun burchten, maar de HERE stuurt de vijand! En rondom het land! Het is een vreselijke zaak. En ze komen de burchten verwoesten, de stad innemen. Dan zullen de paleizen en de huizen verwoest worden. Dan zullen ze verbijsterd kijken en niet weten waar ze het zoeken moeten. Het zal gebeuren. De HERE spreekt. De Here brult. Let op wat Hij te zeggen heeft. Het gaat gebeuren. Het is zover.

En het wordt scherp gezegd. Er worden geen doekjes om gewonden. Gij koe­ien van Basan, gij die de geringen verdrukt en de armen vertrapt. De HERE zal komen en je denkt dat je je veilig kunt verbergen, maar de HERE zal je er­uit trekken en je zult weggesleept worden naar Harmon. Dat zegt de HERE. En cynisch klinkt het: Komt naar Bethel en pleegt afval. Dat wilden jullie toch zo graag. Ga dan maar je gang. Mijn oordeel staat vast, luidt het woord van de Here HERE. Daarom is de toepassing ook weer heel simpel. Bekeer je. Bekeer je. Volg Jezus. Laat je niet meeslepen met de zonden. Ga je verootmoedigen en kom tot bekering en wordt nuchter. Het is de hoogste tijd. Aan de slag, niet morgen, maar nu. Het is tijd.

Amos 4:6-5:27

17 oktober [2]

4:8

En twee, drie steden wankelden naar één stad om water te drinken, maar zij werden niet verzadigd. Toch hebt gij u niet tot Mij bekeerd, luidt het woord des HEREN.

4:11

Ik heb onder u een omkering aangericht, gelijk God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft,… Toch hebt gij u niet tot Mij bekeerd, luidt het woord des HEREN.

4:12

bereid u om uw God te ontmoeten,…

4:13

en de mens te kennen geeft wat zijn overleg is,… HERE, God der heerscharen, is zijn naam.

5:2

Gevallen is zij, zij zal niet weer opstaan de jonkvrouw Israëls, nedergeworpen ligt zij op haar bodem, niemand richt haar op.

5:4

Want zo zegt de HERE tot het huis Israëls: Zoekt Mij en leeft.

5:6

Zoekt de HERE en leeft, opdat Hij niet vare als een vuur in het huis van Jozef en het vertere, terwijl er geen blusser zal zijn voor Bethel.

5:7

O, zij die het recht in alsem verkeren, en de gerechtigheid ter aarde nederwerpen!

5:8

HERE is zijn naam!

5:10

en verafschuwen wie spreekt in oprechtheid.

5:12

Want Ik weet, dat uw overtredingen vele zijn, en uw zonden talrijk, – gij die de rechtvaardige benauwt, die losgeld aanneemt, en die de armen in de poort terzijde dringt.

5:13

Daarom zwijgt de verstandige in die tijd, want het is een boze tijd.

5:14

Zoekt het goede en niet het kwade, opdat gij leeft en aldus de HERE, de God der heerscharen, met u zij,…

5:17

En in alle wijngaarden zal weeklage zijn, wanneer Ik door uw midden heen ga, – zegt de HERE.

5:18

Wee hun, die verlangen naar de dag des HEREN! Wat toch zal de dag des HEREN voor u zijn? Duisternis is hij, en geen licht!

5:21

Ik haat, Ik veracht uw feesten, en kan uw samenkomsten niet luchten.

5:23

Doe van Mij weg het getier van uw liederen, het getokkel van uw harpen wil Ik niet horen.

5:24

Maar laat het recht als water golven, en gerechtigheid als een immer vloeiende beek.

5:27

Dus zal Ik u in ballingschap voeren, – voorbij Damaskus – zegt de HERE, wiens naam is God der heerscharen.

Zoekt Mij en leeft, zegt de HERE. Daar gaat het om. Israël zondigt en valt. De vijanden komen aan en ze worden verslagen. De HERE geeft regen en droog­te. Hij probeert ze aan hun verstand te peuteren, door de gerichten heen, dat ze zich moeten bekeren. Maar de conclusie is steeds: zij bekeerden zich niet. En dan vallen ze. De HERE is lankmoedig en groot van goedertierenheid. Hij heeft een eindeloos geduld, maar de kastijding volgt op hardnekkige zonde.

Want zoek je de HERE niet, dan komt het oordeel. Als de kennis Gods uit het land is, dan komt het oordeel. Als je recht en gerechtigheid vertrapt dan komt er onrecht. Dan worden de zwakken en de armen, de weduwen en de wees ver­trapt. Dan wordt het recht in de poort gebogen. Daarom zwijgt de verstandige. Hij doet er niet aan mee, want het is een boze tijd. Daarom moet je het goede zoeken en niet het kwade, opdat gij leeft. Dan is God met je. Want God wil het goede. Hij wil niet het onrecht. Want God is een God van recht. En als we recht zoeken, dan is dat het goede en dan zal het onrecht uitgebannen worden. Dan gaat het goed. Want dan heb je God aan je zijde. Want als God door het midden gaat en de zonden bestraft dan roept men op alle pleinen: Ach, ach!

En de dag des HEREN zal komen maar als je je niet bekeert dan zal die dag des HEREN duisternis en donkerte voor je zijn! Dan kun je er beter niet naar verlangen. Daarom is de oproep: bekeer je met je gehele hart. Want je kunt er wel een eredienst op na houden, mooie liederen zingen, maar de HERE kan het niet aanhoren. Het volk heeft keer op keer de HERE verlaten en dan komt het oordeel. En nu staat het er heel concreet: dus zal Ik u in ballingschap voe­ren, voorbij Damaskus, zegt de HERE, wiens naam is God der heerscharen. En daarom geldt ook vandaag de oproep: bekeert u. De tijd is nabij. Het ko­ninkrijk Gods is nabijgekomen. Gelooft het evangelie. En dat is de weg tot be­houd. Bekeert U. Dat moet klinken op de pleinen en de straten van deze stad en van het land en van de wereld. God heeft het goede voor met de mensen, maar als wij de mensen maar een beetje een vals, slap evangelie voorhouden, dan staan wij ook schuldig. Heerlijk is het om te weten wat de marsroute is. Het evangelie. Zoekt het goede en niet het kwade. Hebt de vrede lief. Wandel in oprechtheid. Dan zal Hij uw paden recht maken. Glorie voor zijn Naam. Heerlijk evangelie. Dank U, HERE Jezus.

Amos 6:1-7:9

18 oktober [2]

6:6

en met de voortreffelijkste olie u zalft, maar om de verbreking van Jozef u niet bekommert!

6:7

Daarom zullen zij nu in ballingschap gaan aan de spits der ballingen, en uit is het met het getier van wie zo omhangen.

6:8

Ik verafschuw de hoogmoed van Jakob en haat zijn paleizen; ja prijsgeven zal Ik de stad met al wat erin is.

6:12

dat gij het recht in venijn verkeert en de vrucht der gerechtigheid in alsem;…

6:14

Ik verwek over u, huis Israëls, luidt het woord van de HERE, de God der heerscharen, een volk dat u zal verdrukken van de weg van Hamath tot de beek der Araba.

7:2

En toen zij op het punt stonden het kruid des lands volledig af te vreten, zeide ik: Here HERE, vergeef toch! Hoe zou Jakob staande kunnen blijven? Hij is immers klein!

7:3

Dit berouwde de HERE. Het zal niet geschieden, zeide de HERE.

7:4

Zie, de Here HERE riep een vuur op om te straffen.

7:6

Dit berouwde de HERE. Ook dit zal niet geschieden, zeide de Here HERE.

7:7

Zie, de Here stond bij een loodrechte muur, met een paslood in zijn hand.

7:8

Zie, Ik ga het paslood aanleggen in het midden van Israël, mijn volk; Ik zal het voortaan niet meer sparen.

7:9

Isaäks hoogten zullen verwoest en Israëls heiligdommen vernield worden, en tegen Jerobeams huis zal Ik optreden met het zwaard.

Kijk ze nu eens zorgeloos bezig. Ze voelen zich veilig. Ze hebben toch hun eredienst. Alles reilt en zeilt. Wat kan hen overkomen. Ze hebben hun zaakjes goed voor elkaar. Ze zwelgen in hun welvaart. Ze doen de hele dag niets dan zich een beetje vermaken Ze zijn hoogmoedig. Ze denken dat ze de wijsheid in pacht hebben. Maar ze maken zich niet druk over de verbreking van Jakob. Ze zijn niet bedroefd over de splitsing van het rijk. Dat hebben ze geaccepteerd, zowel in Jeruzalem als in Samaria. Ze gaan er van uit dat het zo hoort en zo zal blijven. En daar heeft de HERE een gruwel aan. Hij heeft hen gestraft met deze splitsing, opdat zij zich zouden bekeren. Maar in tegenstelling tot dat, hebben zij zich zowel in Jeruzalem als in Samaria goed genesteld. Ze bekom­meren zich niet over de splitsing van het rijk. Er is geen verlangen naar de hereniging. En dat is de HERE een gruwel.

En het recht en de gerechtigheid worden verbroken. En dat neemt de HERE niet. Hij gaf hen zijn tien geboden, maar zij zijn van Hem afgeweken. Ze zijn afgeweken van de HERE hun God. En ze zijn trots op eigen kracht. Ze denken dat ze het zelf allemaal geklaard hebben. En God verwekt een volk dat over hen zal heersen; dat hen in ballingschap zal voeren. God wil hen straffen met sprinkhanen. Maar Amos bidt, dat God het niet doet. En Hij doet het niet. En dan komt er een oordeel met vuur. En Amos bidt en het berouwde de HERE. Want Jakob heeft kleine kracht en zou vergaan. O HERE, ontferm U, doe het niet.

En dan staat de HERE bij een hoge steile echte muur met een paslood. En dan zegt de HERE het paslood aan te leggen temidden van het volk Israël. En Hij zal het voortaan niet meer sparen. Wat een zonde. Wat een nood. God komt met zijn toorn. Het is verwoesting. Het is een einde maken aan de eigenwillige godsdienst. God neemt het niet. Het is afgelopen. Het oordeel komt.

Amos 7:10-8:14

19 oktober [2]

7:10

Amos smeedt een samenzwering tegen u te midden van het huis Israëls; het land zal al zijn woorden niet kunnen verdragen.

7:12

Ziener! ga heen, vlucht naar het land van Juda; eet daar brood, en profeteer daar.

7:17

gij zelf zult op onreine bodem sterven, en Israël zal voorzeker in ballingschap wegtrekken uit zijn land.

8:1

Zie, een korf met rijpe vruchten.

8:2

Rijp is het einde voor Israël, mijn volk. Ik zal het voortaan niet meer sparen.

8:3

Allerwegen werpt Hij ze neder! Stil!

8:4

Hoort dit, gij die fel zijt op de arme, om de weerlozen des lands te vernietigen,…

8:5

met bedrieglijk gebruik van een valse weegschaal,…

8:6

en wij verkopen afval voor graan!

8:8

Zou hiervan de aarde niet beven, zodat al wie erop woont rouw bedrijft?

8:10

Dan zal Ik uw feesten in rouw verkeren, en al uw liederen in klaagzang.

8:11

dat Ik een honger in het land zal zenden… maar om de woorden des HEREN te horen.

8:12

Dan zullen zij zwerven van zee tot zee en van het noorden naar het oosten zullen zij dolen, om te zoeken het woord des HEREN; maar vinden zullen zij het niet.

8:14

Ja, zij zullen vallen en niet weer opstaan.

Je kunt wel denken dat je ongestraft kunt profeteren, maar de priester is het zat. Hij vertelt het aan de koning dat de profeet een samenzwering voorbe­reidt. En zo gaat het altijd. Leugen en bedrog. Er is helemaal geen sprake van een samenzwering. Het is gewoon te gek voor woorden. Maar dat is de tactiek van de tegenstander. De zaken omdraaien en valse geruchten verspreiden en daar dan een zaak van maken. En de koning geeft er gehoor aan. Hij beveelt Amazia om aan Amos te zeggen, dat hij het land uit moet. Hij moet maar naar Juda gaan en daar profeteren. Ze kunnen de woorden niet meer verdragen. Ze willen het niet meer horen. Het is afgelopen. En dan profeteert Amos, met ge­vaar voor eigen leven, dat hij helemaal geen profeet is, maar veehouder en kweker van moerbeivijgen en dat hij deze woorden móet spreken. Dan profe­teert hij dat de familie van de koning zal sterven en dat de koning zal sterven op vreemde grond en dat het volk in ballingschap zal gaan. En natuurlijk wil de koning daar niet naar luisteren. Wat denkt zo’n boer wel. Maar het is alle­maal gebeurd. En het volk Israël is tot op vandaag niet uit ballingschap terug­gekomen. De zonden van het volk rijzen op naar de hemel. En dat kan eeuwen duren. Wat een straf. Dat is je toch niet voor te stellen. Het is verschrikkelijk. En dan ziet Amos weer een visioen. Een korf met rijpe druiven. Het is genoeg met Israël. De straf staat vast. Het gaat gebeuren. De zonden zijn rijp voor de HERE. De straf komt.

Wat doen ze. Ze persen de armen af. Ze gebruiken een valse weegschaal en ze verkopen afval voor graan. Wat een bedriegers. Dat kan zo niet duren. God zal hun zonden straffen en de aarde zal er van beven. Iedereen die op de aarde woont zal rouw bedrijven.

Want er zal een honger in het land komen. Geen honger om brood, maar hon­ger om de woorden des HEREN te horen. Dan zal er rouw zijn, zoals over een eerstgeborene. Dan zullen ze zwerven over de aarde en zoeken, maar ze vin­den het niet. Ze zullen zoeken en vallen en niet meer opstaan. Het is gebeurd. Wat een straf. Wat een tragiek. Het had zo mooi kunnen zijn. En het loopt zo triest af. Zou dit dan het einde zijn of is er nog hoop?

Amos 9:1-15

20 oktober [2]

9:1

Ik zag de Here staan bij het altaar, en Hij zeide: Sla het kapiteel, zodat de drempels beven, en breek ze stuk op hun aller hoofd, en wie van hen overblijven, zal Ik doden met het zwaard.

9:4

Zo richt Ik op hen mijn oog, ten kwade en niet ten goede.

9:6

die het water der zee heeft opgeroepen en uitgegoten over de oppervlakte der aarde, – HERE is zijn naam.

9:8

Evenwel zal Ik het huis Jakobs niet geheel en al verdelgen, luidt het woord des HEREN.

9:9

Want zie, Ik geef bevel, en Ik schud het huis van Israël onder al de volken, gelijk men met een zeef schudt, en geen steentje zal ter aarde vallen.

9:11

Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, Ik zal haar scheuren dichten en wat daarvan is ingestort, overeind zetten; Ik zal haar herbouwen als in de dagen van ouds,…

9:13

dan zullen de bergen druipen van jonge wijn en al de heuvelen daarvan overvloeien.

9:14

Ik zal een keer brengen in het lot van mijn volk Israël: verwoeste steden zullen zij herbouwen en bewonen; wijngaarden zullen zij planten en de wijn ervan drinken; boomgaarden zullen zij aanleggen en de vrucht daarvan eten.

9:15

Dan zal Ik hen planten in hun grond, en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit de grond die Ik hun gegeven heb, zegt de HERE, uw God.

‘Het beslissende gericht’ heeft men boven dit hoofdstuk gezet. Het vijfde visi­oen. De HERE staat bij het altaar en geeft bevel om het kapiteel stuk te slaan, op hun hoofd. En wie overblijven zal, zal Ik doden door het zwaard. Ze gaan eraan. Ze kunnen proberen om te ontvluchten, maar Ik zal ze vinden en ze om­brengen. Hij richt op hen het oog ten kwade en niet ten goede. Hij heeft de aarde gegrondvest; Hij heeft het water uit de zee opgeroepen en uitgegoten over het oppervlakte der aard; De HERE is zijn Naam. Zie de ogen des HE­REN zijn tegen het zondige koninkrijk, en Ik zal hen verdelgen van de aard­bodem.

Evenwel zal Ik het huis Jakobs niet geheel en al verdelgen, luidt het woord des HEREN. Want zie, Ik geef bevel, en Ik schud het huis van Israël onder al de volken. Maar: Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten. Ik zal haar herbouwen als in de dagen als van ouds. Dan zullen de bergen drui­pen van jonge wijn en al de heuvelen daarvan vloeien. Ik zal een keer brengen in het lot van mijn volk Israël: verwoeste steden zullen zij herbouwen en be­wonen; wijngaarden zullen zij planten en de wijn ervan drinken; boomgaarden zullen zij aanleggen en de vrucht daarvan eten. Dan zal Ik hen planten in hun grond, en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit de grond, die Ik hun gege­ven heb, zegt de HERE, uw God. En zo zal het gaan. Het volk heeft gezon­digd. Het volk gaat in ballingschap. Het volk keert maar met een klein getal terug. God zal hen straffen, want zij hebben gezondigd. God zond de profeten, maar de profeten worden weggestuurd. Ze worden vermoord. Ze worden uit­gelachen. Want de kerk heeft hun eredienst geregeld. Daar moet je niet tegen op komen. De grofste zonden worden gedaan. Ze laten Gods water over Gods akker lopen. Want ze willen er niet aan, dat God een jaloers God is, die niet duldt, dat de dienst aan Hem te grabbel wordt gegooid. En de kerkleiders doen hun uiterste best om God zo ver mogelijk van hun bed te houden. Ook al roe­pen ze zijn Naam aan. Maar God duldt het niet. Hij maakt er een einde aan. Een vreselijk oordeel treft zijn volk. Ze worden door de HERE zelf uitgeroeid.

Kun je je dat voorstellen? Wij staan al klaar met ons oordeel en zeggen; Is dat nou hun God. Is dat nou liefde. Hoe kan God dat nu doen. Maar de werkelijk­heid is, dat we God tot in het diepst gekrenkt hebben. En ook al hebben we de profeten gehoord. We hebben er niet naar geluisterd. We doen alsof het er niet toe doet. Maar het doet er wel toe. Abortus is moord. En ontucht is ontucht En je doodt geen ouder wordend leven. Daar begin je toch niet aan. Maar wat ge­beurt er. De kinderen worden in de moederschoot gedood. En we hebben het er niet eens meer over. We doen alsof het een gepasseerd station is. En dat is het niet. Het is vreselijk. Wat een ellende. God leeft. God is een jaloers God. Hij is een heilig God. En Hij laat niet met zich spotten. Als wij denken er de kantjes maar een beetje van af te kunnen lopen, dan hebben we het verkeerd. Dan gaat het verkeerd. Dan hebben we zelf het oordeel over ons heen gehaald. Dan zullen we het ook weten. Daarom is het nu de tijd om met kracht het woord te verkondigen om elkaar op te roepen om wakker te worden. Want het oordeel is komende. Het komt eraan.

En wat doet God. Te dien dage zal Hij de vervallen hut van David weder op­richten. Hij zal een keer brengen in het lot van Israël. Hij zal het doen. De hut is vervallen, maar Hij zal die weer oprichten. Het lijkt er helemaal niet meer op, maar dan grijpt God in. Hij slaat zijn volk. Het is alsof het helemaal afge­lopen is, maar dan grijpt Hij in. De verwoeste steden zullen zij herbouwen, wijngaarden zullen zij planten en boomgaarden aanleggen. Er is dus ontzet­tend veel verwoest. Wat een toestand. Maar dan brengt God er een keer in. Het is afgelopen met het oordeel over zijn uitverkoren volk. God grijpt in. Hij ontfermt zich over hen. Ze zullen zichzelf niet bekeren, maar God zal zijn wet in hun binnenste leggen. Het is allemaal niet voor te stellen, maar het gaat ge­beuren. Deze profetie zal ook vervuld worden. Want als de profetieën ten aan­zien van de komst van de Messias vervuld zijn, dan zullen ook de profetieën ten aanzien van zijn wederkomst, en wat daaraan vooraf gaat, vervuld worden. Dat is eerlijke exegese. Het staat er, dus het gebeurt. Wat hebben we een oor­deel op ons geladen door al deze profetieën te vergeestelijken. Wat erg. Wat een enorme straf hebben we op ons geladen.

En dan sluit Amos af: dan zal Ik hen planten in hun grond, en zij zullen niet meer uitgerukt worden uit de grond, die Ik hun gegeven heb, zegt de HERE, uw God. Zo is het. En daar wachten we op. Dat zien we voor onze ogen ge­beuren. Het is een heerlijk perspectief. Het is geweldig. Glorie voor zijn Naam. Halleluja. Profeten lezen, is profeten leven. Het is doorzicht krijgen in de tekenen der tijden. De profeten van het oude en het nieuwe testament. De Bijbel is één doorgaande profetische openbaring. We moeten leren gewoon te lezen wat er staat. Wat een heerlijkheid om steeds meer zicht te krijgen op de dingen die gebeuren. Het kan nog zo stormen in de wereld, maar God gaat door met zijn plan. Wij zijn geborgen in de ark van het behoud en we mogen de Naam van God loven en prijzen. Glorie voor zijn Naam.