2 Samuël 1:1-27

1 augustus [2]

1:4

maar ook Saul en zijn zoon Jonathan zijn dood.

1:8

Ik ben een Amelekiet.

1:9

Toen zeide hij tot mij: Treed op mij toe en dood mij, want een duizeling heeft mij bevangen,…

1:10

Toen trad ik op hem toe en doodde hem,…

1:16

Uw bloed zij op uw hoofd, want uw eigen mond heeft tegen u getuigd, doordat gij gezegd hebt: ik heb de gezalfde des HEREN gedood.

1:22

keerde de boog van Jonathan nimmer terug,
en ledig kwam het waard van Saul niet weder

1:26

mijn broeder Jonathan,
gij waart mij zeer lief;…

Saul is gevallen. In de strijd tegen de Filistijnen. Ook Jonathan is dood. David hoort het van de Amalekiet. Hij is verslagen. Hij roept een tijd van geween en vasten uit. De gezalfde des HEREN is gestorven. Je zou denken dat David een feestmaal aanrichtte, want zijn vijand, de man die hem naar het leven stond, is gevallen. Maar niets daarvan. David blijft volharden in het zien zoals God het heeft verordineerd. Saul is tot koning gezalfd. En ook al is David in zijn plaats aangesteld, zolang de koning leeft, is het zijn tijd nog niet. Hoe groot ook het gevaar en de aanval en de vervolging is. David blijft gehoorzaam aan God. Dat is een groot geloof. Dan moet je wel een rotsvast geloof hebben in God, Die de omstandigheden dan wel vreselijk moeilijk maakt, maar toch blijft vasthouden aan zijn trouw tegenover zijn schepselen. En dat is uit het leven gegrepen. Hoe vaak zijn de omstandigheden allerberoerdst. Hoe zien we het soms niet zitten, hoe kunnen we opstandig zijn. Hoe vaak zouden we de ander ook wel eens mores willen leren. Enz, enz. Uit het leven gegrepen.

Maar dan is daar de geruststellende trouw van God. Daar staan de Psalmen vol van. Het is de cadans. Het lijkt wel of de goddelozen, onze tegenstanders, het voor het zeggen hebben. Maar nee. O God, ik blijf op U vertrouwen. De god­delozen hebben geen toekomst. Ze kunnen brallen en tekeergaan. Ze kunnen me naar het leven staan. Ze kunnen me mijn welvaart ontnemen, maar het gaat voorbij. Maar zij die met God leven, leven eeuwig. Hen komt recht en gerech­tigheid toe. Daar gaat het om. Daar kunnen we in moeilijkheden mee verder. Daar moeten we ons steeds opnieuw en soms tegen ons zelf in, aan vasthou­den.

David is echt verdrietig. Als hij hoort dat deze Amalekiet de zwaargewonde Saul heeft gedood, omdat hij toch niet meer in leven zou blijven, dan gebiedt David deze man te doden, omdat hij de gezalfde des Heren gedood heeft. En daar staat de doodstraf op. David blijft rechtvaardig, hij duldt geen aantasting van de eer van God. En dan zingt hij het lied, de klaagzang over de dood van Saul en Jonathan. Ze zijn niet teruggekeerd. Ze waren geliefd om Gods wil. Saul had het volk gezegend. Jonathan had David lief. Het was zijn grote vriend. Maar Jonathan had zijn vader niet verlaten. Hij was blijven strijden aan de zijde van zijn vader. Alhoewel ook Jonathan wist dat David koning zou worden. Hij is de gezalfde des Heren niet ontrouw geworden. Ook een grote gehoorzaamheid. Tegen zichzelf in. Trouw tot in de dood. David weent. Hij had Jonathan lief. Met een bijzondere liefde.

Wat een verdriet kun je hebben. Dat is ook goed. Als een goede vriend sterft, dan mag je daarover rouwen. Daar kun je intens verdriet van hebben en dat is goed. Daar mag je ook uiting aan geven. Voor jezelf, maar ook voor de ande­ren. De ander mag zien, hoe je van iemand gehouden hebt. Je moet dat ook niet wegstoppen. Je moet er mee voor de dag komen. Het is rouwverwerking. Daar zijn we allemaal een beetje de verkeerde weg mee opgegaan. Je mag een beetje rouwen. Maar je moet het vooral niet laten zien. Tranen dat is uit de boze. En het op papier zetten al helemaal. We hebben het allemaal heel strak gemaakt. En dat terwijl we vol zitten van verdriet. En het wel van de daken zouden willen schreeuwen. Daar mag ook een stukje opstand in zitten. Waar­om? Hoe is het mogelijk? Waarom overkomt me dit? Want er blijven zoveel vragen over. En de dood is zo onherroepelijk. Het maakt scheiding. Je bent een eenheid geworden in het leven. En zo hoort het ook. En dan komt de dood. Die kan plotseling komen. Die kan jong komen. Die kan langzaam komen. Die kan met veel lijden gepaard gaan. We weten het allemaal niet. Je weet in de morgen niet of je in de avond weer thuiskomt.

Maar God zegt: Ik ben er en Ik blijf er. De dood is de laatste prikkel. Over­wonnen op het kruis van Golgotha. Jezus gaf zijn leven, opdat wij eeuwig zou­den leven. Wat een genade. Wat een leven. Daar krijg je nooit genoeg van. En als Paulus het dan allemaal heeft uitgelegd in de Romeinenbrief, dan roept hij aan het slot van hoofdstuk acht uit: Niets kan mij scheiden van de liefde van Christus. Ook de dood niet. Nou dat is nog al wat. En het geheim is, dat het waar is, Het is waar, omdat God het zegt. En wij kunnen het geloven, omdat Hij dat geloof in onze harten uitwerkt. En dat is het grote wonder. Het zijn de dingen die we niet zien. En dan kunnen we met Hem verder. Door geloof. Op weg naar het eeuwige leven. Heerlijk. Wat een genade. Wat een wonder. Men­sen kunnen daar vreemd tegen aan kijken. Maar onze rouw en ons vertrouwen op de Here kan anderen tot jaloersheid verwekken. Zo wordt rouw evangelisa­tie. Vergeet dat nooit. Saul en Jonathan zijn gestorven. David rouwt. Hij roept de Here aan. David blijft trouw aan God. David gaat verder. De situatie is ver­anderd. Dat is ook vaak in ons leven. We gaan verder, met God, omdat we het leven nog hebben. En we hebben het leven nog, omdat we geschapen zijn om Hem met heel ons hart en leven te dienen. Prijs de Heer.

2 Samuël 2:1-3:1

2 augustus [2]

2:1

De HERE antwoordde hem: Trek op. …naar Hebron.

2:4

En de mannen van Juda kwamen en zalfden David daar tot koning over het huis van Juda.

2:8

Abner,… had Isboseth, de zoon van Saul, genomen, naar Mahanaïm overgebracht

2:9

en koning gemaakt over Gilead, …ja, over geheel Israël.

2:16

en terwijl de een zijn zwaard in de zijde van de ander stiet, stortten zij samen neer;…

2:23

en hij viel daar en bleef op de plaats dood.

3:1

En er was een langdurige strijd tussen het huis van Saul en het huis van David; David werd gaandeweg sterker en het huis van Saul gaandeweg zwakker.

De strijd is nog niet gestreden. De zoon van Saul wordt tot koning gezalfd. Door de legeroverste Abner. Hoewel ze wisten dat David de gezalfde was, bleven ze volharden in het kwade. David trekt op bevel van de HERE naar He­bron en wordt daar tot koning gezalfd over Juda. De andere stammen vol­gen Saul. Ze blijven nog volharden in het verkeerde. Samuël had David voor het oog van het volk gezalfd en aangewezen. Maar het duurt nog een hele tijd voordat David het koningschap overneemt. Er heerst lange tijd oorlog tussen het huis van Saul en het huis van David. David wordt gaande weg sterker en Saul gaandeweg zwakker. Maar wat een leed heeft dat veroorzaakt, wat een toestanden. Wat een onrust. De zonde woekert voort. God wijst wel een weg aan, maar het huis van Saul woekert voort. Dat gaat tegen God in. De vrede is er nog niet.

David strijdt verder. Er vallen doden. Asaël valt in de strijd. Hij gaat dood. Hij achtervolgt Abner. Die probeert hem weg te jagen, maar hij gaat niet links en niet rechts. En dan stoot hij hem neer. Zodat de spies door het lichaam heen komt. Hij is dood. Daarvoor hebben de twaalf van David en de twaalf van Is­boseth gestreden als kampvechters. Dat had de strijd kunnen beslechten. Maar ze vallen allemaal tegelijk. Dat is ook een bijzondere kampvechterij. En dan laait de strijd op. Een hevige strijd. Het eindigt dat Abner het land uitgaat de Jordaan over.

Het is ook weer een parallel met vandaag. Het lijkt wel of Israël permanent in oorlog leeft. Er zijn vijanden aan alle kanten. Ze zijn dan wel teruggekeerd in het land, maar ze worden van alle kanten vervolgd. Als de vijanden de kans krijgen, dan doden ze alle Israëlieten. Ze willen ze de zee injagen. En daarom zijn ze ook tot de tanden bewapend. Ze moeten wel. Want verslappen ze even, dan krijgen ze de vijand op hun dak. Het is een leven van angst. Van steeds sneller zijn dan je tegenstander. Je zult maar het uitverkoren volk van God zijn. Je zult maar door de eeuwen heen vervolgd zijn geworden, omdat je be­hoort tot het uitverkoren volk. Vele Joden willen dan ook helemaal geen Jood zijn. Ze willen ook niet anders dan tot hun geschiedenis behoren, maar dat ze uitverkoren zijn, daar willen heel veel niet van horen. Daar moeten ze niets van hebben. Daar zijn ze zelfs tegen.

En zo zien we hier ook al, dat er een strijd heerst. Het huis van David is het koningshuis door God aangewezen, maar het afgevallen en afgezette huis van Saul vecht door. Broederstrijd. Wat moet dat allemaal worden. Het is het uit­verkoren volk. De Messias moet daaruit geboren worden. Maar het gaat wel door strijd heen. Tot op vandaag toe, want de Messias is gekomen. De zonden zijn verzoend, zijn rijk van recht en gerechtigheid komt, maar door strijd heen. Hij zal komen op de wolken. Dan zal elk oog Hem zien, ook zij die Hem door­stoken hebben. Wat een grote gigantische verschuiving. Wat een toekomst. Wat een gevecht om de overwinning te behalen. De tegenstander van God gaat tekeer. Hij wil zoveel mogelijk ellende en dood aanbrengen. Maar God over­wint. Hij zal zijn koninkrijk vestigen en zonde van leven scheiden. Geworpen in de eeuwige poel van vuur en zwavel. En dan dat eeuwige koninkrijk waar geen dood en zonde meer zal zijn. Dat is toch geweldig. Het is een keuze. Die keuze mogen we maken. Hij maakt die voor ons en Hij wil het ook in ons en in een ieder werken. Daar moeten we voor open staan. Dat moeten we procla­meren. Prijs de Heer.

2 Samuël 3:2-21

3 augustus [2]

3:8

Ben ik een hondskop, die het met Juda houdt?

3:11

En hij was niet meer in staat, Abner iets te antwoorden, omdat hij hem vreesde.

3:13

zonder eerst, wanneer gij mij komt bezoeken, Michal, de dochter van Saul, te brengen.

3:21

opdat zij een verbond met u sluiten en gij koning wordt over het geheel, waarnaar uw begeerte uitgaat.

David woont in Hebron. Hem worden zonen geboren. Maar Michal zijn eerste vrouw, die Saul van hem afgenomen heeft, die wil hij ook terug hebben. En als Isboseth, Abner de legeroverste, die steeds meer macht krijgt, vermaant over een misstap met een vrouw dan wordt hij boos op Isboseth en begint par­tij te kiezen voor David. Isboseth durft niets te zeggen, want hij is bang voor de macht van Abner. En zo zien we dat de koning in de macht is van zijn le­geroverste. En Abner begint te konkelen met David. David eist zijn vrouw Michal op. En dat gebeurt. En Abner komt bij David en David ontvangt hem, overlegt en Abner zal zorgen dat David koning wordt niet alleen over Juda, maar over geheel Israël. David ontvangt de vijand. Abner komt terug op wat de Heere tot David gezegd heeft. Hij wist het dus wel. Hij wist het dus ook toen hij de zoon van Saul tot koning maakte. Hij wilde waarschijnlijk zelf de macht in handen houden. Hij ging willens en wetens tegen de wil van God in. Hij zegt dat de Here heeft gezegd dat hij Israël door de hand van David uit de macht der Filistijnen zal verlossen. Saul wist het, maar gaat toch tegen David tekeer. Abner weet het maar gaat toch tegen David tekeer. Nu hij zelf boos is op Isboseth, komt hij er op terug en zweert samen tegen Isboseth en loopt over naar David en komt dan met deze tekst op de proppen.

Het is weer het oude liedje. Als het in onze kraam te pas komt, dan willen we wel pleiten op de beloften van de Here God. Maar als het ons niet uitkomt, dan gaan we door met ons zondige leven. En dat kunnen heel ernstige dingen zijn, zoals hoererij in welke vorm dan ook. En daar hebben we ook vaak ver­goelijkende redenen voor. We zwakken onze zonden af. We zijn nu eenmaal zondaren. Iedereen doet het toch. Ik kan niet anders. We zien hier hoe het gaat. We moeten steeds opnieuw heel dicht blijven leven bij het woord van God. We zien hier hoe Abner gebruikt wordt om David op de troon te helpen. We zien hier hoe David vlees tot zijn arm neemt. Hij eet met de legeroverste van zijn vijand. Hij vertrouwt hem. Een vreemde zaak. Hoe zal dit aflopen?

We komen veel van deze vreemde verhalen tegen in de Bijbel. We vragen ons dan af hoe het allemaal zit. Wat moeten we ermee. Maar we kunnen niet an­ders zien dan dat de weg die God met zijn volk gaat, vol voetangels en klem­men zit. Het zijn allemaal heel menselijke verhalen. Waar we steeds weer les­sen uit kunnen halen. Elke keer kunnen we er mee verder. Here God, help ons om heel dicht bij U te leven. Elke dag is weer een nieuwe dag. We komen elke dag weer opnieuw allerlei dingen tegen, waar we moeten kiezen. Help ons te kiezen voor Uw liefde en Uw macht. U regeert het grote wereldgebeuren. U maakt Uw plan af. Zoals het nu is, kan het niet langer. We wachten op Uw rijk van recht en gerechtigheid. Hier gaat het over David zoveel eeuwen geleden. Vandaag zijn we 2000 jaar na de komst van de grote David. We wachten met smart op de komst van uw eeuwige Koninkrijk van recht en gerechtigheid. Here, help ons om vol verwachting U te blijven verwachten. Here, dank U wel.

2 Samuël 3:22-39

4 augustus [2]

3:24

waarom hebt gij hem dan laten gaan, zodat hij ongehinderd kon vertrekken?

3:27

en hij stak hem daar in het onderlijf zodat hij stierf, om het bloed van zijn broeder Asaël

3:33

De koning hief dit klaaglied aan over Abner:…

3:38

Weet gij niet, dat er deze dag een vorst, een groot man, gevallen is in Israël?

3:39

Moge de HERE hem die het kwaad gedaan heeft, naar zijn kwaad vergelden.

Dat Joab het er niet mee eens zou zijn dat David Abner had laten gaan dat zat er wel in. Joab neemt het de koning dan ook kwalijk. En kennelijk had Joab het lef, of David nog niet zoveel gezag, dat hij Abner achterna ging en hem met een smoes terugnam naar Hebron. Abner, van geen kwaad bewust, en ze­ker niet met de gedachte, dat Joab uit eigen wil handelde, ging mee terug. En bij de poort van Hebron gekomen steekt hij Abner in het onderlijf en hij sterft. En dan staat er dat het de vergelding is van de dood van hun broeder Asaël. David hoort het. Hij scheurt zijn klederen. En hij zweert dat Joab die dit ge­daan heeft een smaad in zijn familie krijgt en die liegt er niet om. Als dat zo is, dan is de rest van het geslacht van Joab geteisterd met ziekte.

Daar moeten we goed aan denken. De zonde van onze vaderen kan consequen­ties hebben tot in het derde en vierde geslacht, zegt de wet. Wat wij doen heeft consequenties voor de toekomst. Dat is een waarschuwing, dat we heel dicht moeten blijven bij het Woord van God. En wat dat is, is heel duidelijk. Dat kunnen we allemaal begrijpen. Daar hoeven we niet zo moeilijk over te doen. Wat kunnen we daar toch moeilijk over doen. We denken dat de geboden van God moeilijk zijn. Maar dit is een smoes. Dat laten we ons maar aanpraten. Ze zijn juist gemakkelijk. Je hoeft er niet voor naar de overkant van de zee. Zoals in Deuteronomium zo plastisch gezegd wordt. Je moet ze in je hart nemen. Je moet er ja tegen zeggen. Weg met alle smoezen.

David is zeer ontstemd, dat Joab Abner gedood heeft. Hij is er over bedroefd. Het is tegen zijn wil. Hij is nog niet krachtig genoeg om dit te voorkomen. Hij zegt ook, dat hij krachtiger moet zijn om dit in de toekomst te voorkomen. Hij kan niet tegen Joab op. Hij maakt een lied op de dood van Abner. Hij is ge­storven als een moordenaar, als in een val gelopen. Zo sterven generaals niet. Die horen te sterven op het slagveld. Met eer en in de strijd. Het volk weent over de dood van Abner. Het volk ziet dat David het meent. Hij laat zich niet troosten. De rouw moet verwerkt worden. Er is een groot man gevallen in Is­raël. Moge de HERE het kwaad, dat hem aangedaan is, vergelden. Dat geldt Joab. Hij heeft tegen de wil van de koning gehandeld. Hoe zal het allemaal aflopen. Wat een verhaal. Wat een geschiedenis. Wat een strijd. Wat een on­rust. Wat een gevechten. Wat een tegenstellingen. Wat gaat de boze toch te­keer. Het is al sinds de zondeval, dat het leven gewikkeld is in strijd. God regeert, maar de boze gaat rond als een briesende leeuw. Zoekende wie hij kan verslinden.

De dood heerst in het leven. De mensen staan tegen elkaar op. En vooral heeft hij het gemunt op het volk, dat God heeft uitverkoren om de Messias geboren te laten worden. De beloften aan Abraham zijn eeuwigdurend. Dus het plan moet worden uitgevoerd. Het kan links of het kan rechts gaan, maar het moet gebeuren. God heeft daarvoor zijn weg. Hij doet het in ieder geval zo, dat wij de eer niet naar ons zelf toe kunnen trekken en de boze zal niets anders doen dan proberen dat plan te dwarsbomen. Die heeft macht. Hij is de overste dezer wereld. Hij probeert het heilsplan kapot te maken. En daarom is het zo belang­rijk, dat we heel dicht bij God blijven leven. Want anders ziet hij kans om ons onderuit te halen. En hoe vaak gebeurt dat niet. Dat is het gevaar dat ons steeds weer bedreigt. Dat is ook de les van dit stukje. Dicht bij de geboden van God blijven. David is de man naar Gods hart. Hij is gezalfd tot koning. David wees sterk. Laat gelden dat je de gezalfde des Heren bent. De Here heeft een plan met het leven van David. David heeft ook nog heel wat lessen te ver­wachten.

2 Samuël 4:1-5:5

5 augustus [2]

4:1

ontzonk hem de moed, en geheel Israël werd verschrikt.

4:4

Jonathan, de zoon van Saul, had een zoon, die verlamd was aan zijn voeten. …maar door haar haastige vlucht was hij gevallen en kreupel geworden. Hij heette Mefiboseth.

4:6

en staken hem in het onderlijf.

4:7

zij sloegen hem dood en hieuwen zijn hoofd af.

4:11

hoeveel te meer, nu goddeloze mannen een rechtvaardig man in zijn huis op zijn bed gedood hebben!

5:3

en koning David sloot met hen voor het aangezicht des HEREN te Hebron een verbond; daarop zalfden zij David tot koning over Israël.

5:4

Dertig jaar was David oud, toen hij koning werd; veertig jaar heeft hij geregeerd.

5:5

In Hebron heeft hij zeven jaar en zes maanden geregeerd over Juda, en in Jeruzalem drieëndertig jaar over geheel Israël en Juda.

Abner is gedood. Isboseth schrikt en met hem heel Israël. En dan komen god­deloze mannen en die doden Isboseth. Vreselijk. Ze brengen het hoofd bij Da­vid. Die doet hetzelfde als bij de bode die Saul de laatste doodsteek gaf. Wie zal de gezalfde des Heren doden. Hij heeft hen gedood. Nu hebben ze Isboseth de zoon van Saul gedood. David laat ze doden. En het hoofd van Isboseth be­graven ze in het graf bij Abner.

Daar tussendoor is het verhaal van de kleine Mefiboseth. Een kind van Jona­than. En nadat Jonathan dood was is zijn voedster met de vijf jaar oude zoon gevlucht en tijdens de vlucht gestruikeld. Hij is nu kreupel aan zijn beide voe­ten. In dit verhaal gaat het nog niet over wat er met hem gebeurt. Dat komt later wel. Het is allemaal wel een ruige tijd. Het is ook een onzekere tijd. Het is ook een tijd, waar veel in beweging is. Er heerste kennelijk nog lang geen centraal gezag. Dit kon ook zo maar gebeuren. Er was nog geen sterk gezag. David is wel tot koning gezalfd, maar wordt nog niet algemeen erkend.

Maar nu is het zover. Alle stammen komen naar Hebron en David sluit een verbond met hen allen. Het hele volk. Ze weten het ook wel, want ze zeggen dat David al voordien uittrok en voor alle stammen streed en de overwinning bracht. Maar nu is het de tijd, dat er orde en gezag komt in het land. Ze zalven David tot koning. Hij is dertig jaar oud. Hij regeerde veertig jaar. Dat is een hele tijd. Zeven jaar in Hebron en 33 jaar in Jeruzalem. Koning David. Zijn regeringsperiode breekt aan. De zoon van Isaï. De jongste. Niet de oudste, maar de jongste wordt verkozen. De jongste strijd tegen de reus. Zijn slinger­steen doodt de reus. God leidt deze herdersknaap door het leven. Hij wordt gehard in de strijd. Op de vlucht voor Saul. Die hem wil doden. Hij doodt zijn koning niet. Hij heeft enkele malen de kans, maar hij doet de gezalfde des HEREN geen kwaad. Hij heeft een zuiver gevoel voor verhoudingen zoals de Almachtige die ziet. Die heeft Saul tot koning gezalfd. En ook al is David door Samuël aangewezen als koning, Saul is het nog steeds. En je moet niet voor je beurt spreken. Dat deed Saul steeds en dat heeft hem zijn koningschap gekost. David wacht op de tijd die God gesteld heeft. En kennelijk is het nu de tijd. David tot koning gezalfd. Wat zal dat allemaal gaan betekenen.

2 Samuël 5:6-25

6 augustus [2]

5:7

Maar David veroverde de burcht Sion, dat is de stad Davids.

5:8

moet door de watergang binnendringen;…

5:10

en de HERE, de God der heerscharen, was met hem.

5:11

zij bouwden voor hem een paleis.

5:19

Trek op, want Ik zal de Filistijnen zeker in uw macht geven.

5:23

Trek niet op; maak een omtrekkende beweging…

5:24

want dan is de HERE voor u uitgetrokken om het leger der Filistijnen te verslaan.

5:25

hij versloeg de Filistijnen van Gibea af tot bij Gezer.

David gaat aan de slag. Hij trekt naar Jeruzalem. Daar wonen de Jebusieten. Dat is ook gek. Daar heb je het dus al. God had geboden dat ze alle volkeren weg moesten jagen. Maar de Jebusieten zaten er nog. Die hadden ze niet weg­gejaagd. En die lieten zich ook niet wegjagen. Die zaten veilig in hun burcht. Die was onneembaar. Daar was niet tegen te vechten. Die lag hoog en je kon de vijand van alle kanten te lijf gaan. Wee je gebeente als je deze burcht aan­viel. En daarom tarten ze David ook. Wat denkt hij wel. Maar David is slim. Hij weet dat hij de vesting alleen kan binnendringen door de watergangen. En dat doet hij dan ook. Dat had niemand verwacht en zo overvalt hij hen. Hij verovert de burcht Sion, dat is de stad Davids. Tot vandaag op de dag is het een heldenstuk. Hij vestigt zich in Jeruzalem.

De Filistijnen horen van zijn zalving en gaan meteen over tot de aanval. David vraagt de HERE en de HERE zegt: val aan. En zo gaat de Here vooraan in de strijd en de Filistijnen worden verslagen. Maar ze hergroeperen zich en gaan weer in de aanval, David vraagt weer de Here God. Neen, zegt God, nu moet je een omtrekkende beweging maken, zodat je achter de legers komt. Dan zal ik mijn geluid laten horen in de balsemstruiken en dan weet je, dat Ik de over­winning geef. En zo gaat het. De HERE gaat voor. Wat een geloof. Wat ook een les voor ons. Hoe vaak staan we niet ergens voor? Wat het ook is. Wij gaan meestal al over tot de orde van de dag. We begeven ons al in de strijd en dan wil er nog wel eens een schietgebedje af. Maar dat is het dan ook wel. Het besef dat we eerst de HERE moeten vragen en dan het ook van Hem verwach­ten is vaak zover weggezakt, dat we er vaak niet eens aan denken. En daar ligt nu juist het gevaar. Daar ligt het verkeerde. De tegenstander van God vindt het al lang goed als we verslappen in onze afhankelijkheid van God. Natuurlijk. Dan heeft hij meer terrein en hij zal het ook innemen. Want er is oorlog. Het gaat over goed en kwaad. Er heerst een wereldwijd gevecht op leven en dood. Daar moeten we niet te licht over denken. Het is zo. En daarom moeten we onze wapenrusting aantrekken. En wat is dat? Het woord van God is het zwaard des Geestes. En dat wil dat zeggen. Net als Davids onvoorwaardelijke overgave aan God, Die ons leven in zijn hand heeft en leidt en wil leiden. Hij weet wat goed voor ons is. Daarom moeten we Hem aan het hoofd van ons leven laten staan. Daar staat Hij trouwens ook, al denken we vaak van niet. Gaan we onder Hem staan of laten we Hem maar een beetje aan de kant staan, dan moeten we het ook maar zelf weten. En als de genade van God niet groot was dan kwamen we nog allemaal om. Hij reikt ons elke keer weer de hand en roept ons dan met zachte stem toe: Je wist toch dat Ik vooraan wilde gaan. Waarom doe je nou weer zo dom. Doe het nu niet. Blijf nu achter Mij aan gaan. Ik weet hoe hard en zwaar de strijd is. Het is een geestelijke strijd in de hemelse gewesten. Ik heb overwonnen op het kruis van Golgotha.

We zijn al weer zoveel verder als in de tijd van mijn knecht David, maar je moet wel bij Mij blijven. Dat heb ik David ook geleerd. Door schade en schande. En je hebt toch gelezen, dat elke keer als David achter mij aan ging, de overwinning zeker is. Dat is de weg die Ik met mijn kinderen ga. Dan kun je wel schade oplopen en voor het oog het er niet zo best van af brengen. Maar Ik kijk naar het hart. Als je hart op de goede plaats zit, dan kan de rest er bij bungelen, maar je bent gered voor de eeuwigheid. En je weet hier, op deze in zonde gevallen en geschonden wereld, vinden we het toch niet, maar we zijn door het kruis van Golgotha heen op weg naar dat eeuwige Koninkrijk van recht en gerechtigheid, dat vast en zeker komende is. Daar hoef je niet aan te twijfelen. Je ziet het toch voor je ogen. Je moet wel stekeblind zijn om dat niet te zien. En als je naar Mij luistert, dan geef Ik je ogen in je hart om de verge­zichten van Mij te zien. Heerlijk toch. Ga maar door met het lezen. David gaat ons voor. We kunnen heel veel van hem leren. Prijs de Heer. Hij gaat ons voor. Dank U, Here God, voor al uw zegen en uw voorgaan. Wij volgen. U valt aan. In U zijn we veilig. Heerlijk. Wat een zekerheid te midden van zo­veel onzekerheid en verwarring. Prijs de Heer.

2 Samuël 6:1-23

7 augustus [2]

6:2

de naam van de HERE der heerscharen, die op de cherubs troont.

6:5

David en het gehele huis van Israël dansten voor het aangezicht des HEREN,…

6:7

En de toorn des HEREN ontbrandde tegen Uzza en God sloeg hem daar om deze onbedachtzaamheid.

6:14

En David danste uit alle macht voor het aangezicht des HEREN;…

6:16

en zij verachtte hem in haar hart.

6:20

zoals een lichtzinnig man zich schaamteloos ontbloot!

6:22

ik zal onaanzienlijk zijn in eigen ogen,…

6:23

Michal nu, de dochter van Saul, bleef kinderloos tot de dag van haar dood toe.

De ark moet komen. De ark waarop de naam des HEREN is uitgeroepen, die op de Cherubs woont. David en heel Israël dansen voor de ark. Het is een eer­biedwaardige eer aan God. Maar dan gebeurt het: de runderen glijden uit en Uzza grijpt de ark. En dan komt de toorn van God. Je raakt de ark niet aan. De priesters met de draagstokken mogen de ark dragen, maar je raakt de ark niet aan. Uzza sterft ter plaatse. David komt diep onder de indruk. Hij durft de ark niet meer mee nemen. De ark blijft drie maanden bij Obed Edom. En wat wordt deze man gezegend. Dat bericht bereikt David en dan haalt hij de ark. Hij danst met alle macht voor de ark. Het is eer geven aan de HERE der heer­scharen. Het is je onderdanig maken aan de Koning der koningen. Michal ver­acht hem en ze zegt het ook: David, je hebt je aangesteld als een man van lich­te zeden. Maar David antwoordt verontwaardigd, dat hij zich vernederd heeft voor de HERE God. Hij is bereid de onderste weg te gaan ten aanschouwen van iedereen om zijn God maar te dienen. Wat een eerbied voor God. David de grote koning vernedert zich ten aanzien van heel het volk voor de HERE zijn God. Hij danst met de anderen uit alle macht voor de ark. Michal blijft kinderloos tot aan haar dood. Je moet het wel weten als je de gezalfde des HEREN zo behandelt. David, die zijn HERE eert, wordt negatief bejegend door zijn vrouw. Dat kan niet.

Wat zit dat toch ook vaak dichtbij. Hoe vaak staan wij niet met ons oordeel klaar, als anderen uit liefde voor hun Heer en Heiland zich soms anders uiten dan wij gewend zijn. De een staat met de handen omhoog. De ander kan niet stil blijven staan. Weer een ander maakt geluiden of roept halleluja. Maar dat kan allemaal niet in onze gestroomlijnde erediensten. Weg met de handen. Weg met die tongen. Rustig en melodieus. En vooral niet knielen als we zin­gen: ‘Wij knielen voor uw zetel neer’. En vooral de handen niet omhoog. Wat zien we bij David? Hij danste uit alle macht en de muziek instrumenten maak­ten een kabaal. Het was grote vreugde. Wat is het toch verrukkelijk om te zien hoe David zich verheugt en verlustigt in zijn Here. Hij gaat helemaal uit zijn dak. Wat een koning. Wat een indrukwekkend gebeuren, Daar was ook alle reden voor. Want de Here God woonde weer te midden van zijn volk. In de stad Davids. Er begint een hele nieuwe fase van het wonen van God bij de mensen. We zullen er nog heel veel van horen. Een bewogen en enerverende geschiedenis van God bij zijn volk. Tot aan vandaag toe; nu hij ook bij de ge­lovigen uit de heidenvolken woont. Prijs de Heer.

Laten we met eerbied en ontzag over onze Here spreken en handelen. Want als we zijn Naam ontheiligen, dan staat er een rechtstreekse straf te wachten. Want wie niet in de Zoon gelooft is reeds veroordeeld. Het gaat dus om de eer van God. Om de naam van de Messias. Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.

2 Samuël 7:1-29

8 augustus [2]

7:11

Ik zal u rust geven van al uw vijanden.

7:13

Die zal mijn naam een huis bouwen,…

7:16

Uw huis en uw koningschap zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht, uw troon zal vast staan voor altijd.

7:23

En wie is gelijk uw volk, gelijk Israël, het enige volk op aarde, dat God Zich tot een volk ging vrijkopen, om Zich een naam te maken.

God geeft David en het volk rust aan alle zijden. Alle vijanden zijn afge­schrikt. Het volk kan in rust en vrede wonen. En dan wil David voor de Here God een huis van cederhout bouwen. Maar dan komt de profeet en zegt, dat niet hij, maar zijn zoon een huis zal bouwen voor de Here God. God heeft David gezegend. Hij heeft alle vijanden voor hem uitgeroeid. En Hij zal zijn koningschap bevestigen. Voor altijd. Wat een belofte. Wat een zegen. En de Here zal voor David een huis bouwen. David mag voor zichzelf een paleis bouwen. Neen, de Here zal het doen. David mag rusten van al zijn werken. God zegent hem. Het is onvoorstelbaar wat de Here God doet. Wat een gewel­dige God. David dankt God dan ook voor zijn grote daden. Hij weet eigenlijk niet hoe hij de Here God daarvoor kan danken. Hij is er helemaal van vervuld. Hij uit zich in een grote dankpsalm voor de weldaden van de Here God. Je wordt ook bedolven onder de weldaden van God, als je mag zien wat een ze­gen het is om een kind van God te zijn.

We zijn zo vaak wankelmoedig en op ons zelf gericht. We zitten zo vaak te klagen. Of zijn met onszelf bezig. Maar we moeten veel meer naar boven kij­ken. En lezen wat God in zijn woord aan beloften geeft. Het is je toch niet voor te stellen wat God hier allemaal aan David en zijn huis belooft. Het gaat er dan om dat we voor die God in gehoorzaamheid leven. En dat is toch wel het minste dat van je verwacht mag worden. Daar moeten we ons dan ook naar uitstrekken. We kunnen wel klagen en kreunen, maar als we tegelijk doorgaan met ons eigen ongehoorzame leventje, dan moeten we dat God ook niet kwa­lijk nemen. En we weten best wel waar we er een potje van maken. Daar hoe­ven we niet zo ver voor te denken. Hoe vaak hebben we niet onenigheid met een ander. Hoe vaak zijn we niet vergevingsgezind. Hoe vaak zoeken we eerst ons zelf en dan nog eens een ander. Hoe vaak zitten we ons zelf niet schoon te pleiten. En dit zijn dan zogenaamd van die kleine dingen, maar hoe vaak zijn er onbeleden zonden in ons leven. Hoe vaak hebben we een verborgen grote zonde. Nou ja, u kunt het zelf wel invullen. Het geheim is dat God ons aan­spreekt om schoon schip te maken. Hij kan vaak met zijn zegen niet verder, omdat Hij eerst wil dat wij schoon schip maken. Hij wil ook dat willen wer­ken. En dat doet Hij dus op dit moment. Schoon schip maken, roept Hij. Ik zal je helpen. En als je het doet zul je zien welk een zegen dan van boven neer­daalt. Want wat is mooier dan Gods vrede in je hart en je leven.

Prijs de Heer. David gaat verder. Er staan grote dingen op het spel. De Messi­as is beloofd al vlak na de zondeval. Die Messias mag komen door het uitver­koren volk en in het uitverkoren land. De grote draad door de geschiedenis. Die Messias is gekomen. En Die haast zich nu om terug te komen om dat rijk van recht en gerechtigheid te grondvesten De nieuwe hemel en de nieuwe aar­de waarop gerechtigheid woont. Dat is de grote boodschap aan ons vandaag. Heerlijk toch. Wat een zegen. Dat is net zo rijk als Gods woorden aan David. Daar kunnen wij de Here God wel elke dag voor danken. Dat moeten we dan ook doen. Prijs de Heer.

2 Samuël 8:1-18

9 augustus [2]

8:6

De HERE gaf David de overwinning overal waar hij heentrok.

8:14

De HERE gaf David de overwinning overal waar hij heentrok.

8:15

handhaafde David recht en gerechtigheid onder zijn gehele volk.

8:18

en de zonen van David waren priesters.

Het wordt allemaal met naam en toenaam beschreven. De Here gaf de over­winningen overal waar David heen trok. Het is toch wel heel duidelijk. Wij denken vaak, geweldig van David. Wat een koning. En dat is ook zo. Het was ook een geweldige koning. Maar het was de Here die David zond en hem de overwinning gaf. We moeten dus veel meer denken: wat een geweldige God. God zond David en gaf hem steeds de overwinning. Dat is toch wel geweldig. Wat een God. En die God is niet veranderd. Dat is ook vandaag aan de dag nog precies hetzelfde. We mogen uitgaan en daarom ook God aanlopen en Hem loven en prijzen voor de grote dingen die Hij doet. Het is daarom ook zo belangrijk, dat we Hem aanlopen in onze gebeden en heel dicht bij het woord blijven.

Dat zie je nu ook al weer. We ontdekken des te sterker dat de Here God hem de overwinning geeft overal waar hij heen trok. Deze tekst staat er twee keer. Het is kennelijk belangrijk. En als je ziet welke machtige rijken aan hem on­derworpen zijn, dan moet het wel de hand van de Here God zijn, want anders lukt je dat nooit. He rijk van David strekt zich uit van de Nijl tot de Eufraat. En dat is een groot rijk. Het rijk is nooit meer zo groot geweest als in de dagen van David. Wat een machtige God, wat een machtige koning. Als je een ver­bond sluit met God, dan ben je de machtigste op aarde. God en jij zijn de meerderheid. Al zijn legioenen engelen staan klaar om je te helpen daar waar dat nodig is. Dat ga je steeds meer begrijpen, als je ontdekt welke macht God heeft. Hij is Almachtig. Hij staat ver boven ons. Er is veel meer dan we kun­nen bidden of beseffen. We begrijpen er maar een heel klein beetje van. En dat is al geweldig. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Hij heeft alles in zijn hand. Ja, de overste der duisternis probeert ook tekeer te gaan als een briesen­de leeuw.

Dat zien we ook in het leven van David. De Here strijdt deze strijd. Het is een strijd in de hemelse gewesten. Maar God heeft overwonnen. Hij laat de duivel los zover hij wil. En die slaat enorm om zich heen. Dat heeft David in zijn le­ven ook gezien. Maar David hield door Gods kracht stand. Dat geldt ook voor ons. We weten allemaal, hoe de duivel ons probeert te verleiden. Maar wij moeten krachtig blijven in Hem. Hem aanlopen en vragen wat we moeten doen, zijn geboden bewaren. Dan kom je goed uit. En David regeert zijn rijk dan ook met recht en gerechtigheid. Hij houdt er een goede organisatie op na. Daar gaat het goed. En er is vrede. De mensen hoeven niet bang te zijn voor elkaar. Er heerst recht en gerechtigheid. Wat is het heerlijk om te wonen in een land waar recht en gerechtigheid op grond van Gods woord heerst. Daar gaat het ook goed. En zodra je dat loslaat dan gaat het mis. Dat kun je voor je ogen zien. En dat zien we dan ook voor onze ogen. Here God, help ons om dicht bij uw woord te leven. Vergeef ons onze zonde. Leidt ons in uw waar­heid op het eeuwige spoor. Dank U wel.

2 Samuël 9:1-13

10 augustus [2]

9:1

Dan zal ik hem trouw bewijzen ter wille van Jonathan.

9:3

die verlamd is aan beide voeten.

9:8

Wat is uw knecht, dat gij u bekommert om een dode hond, als ik ben?

9:11

Dus at Mefiboseth aan de tafel van David als een der zonen van de koning.

Daar komt Mefiboseth weer naar voren. Hij was verlamd geraakt, toen hij met zijn voedster vijf jaar oud op de vlucht was. Hij vluchtte om veilig te zijn, Het huis van Saul was niet meer. En hij is een zoon van Jonathan. En David, nu hij rust van alle strijd en de Here hem geweldig gezegend heeft en er recht en ge­rechtigheid is in het land, denkt aan Jonathan. Wat had hij in hem een goede vriend. Hij heeft nooit zo’n goede vriend gehad en zal er ook nooit meer zo één krijgen. Hij had Jonathan lief. Jonathan bleef trouw aan zijn vader, de ge­zalfde des Heren en David raakte de gezalfde des Heren niet aan. Jonathan stierf in dezelfde strijd als Saul. David ontdekt dat Mefiboseth nog leeft. Hij is aan beide voeten verlamd. Niets meer waard. Een misbaksel. Een straf van God? Hij wordt naar David geroepen. Waarom stelt David belang in deze do­de hond, zoals hij zichzelf beschrijft. Hij had geen enkele eigenwaarde meer. Een verlamde telde niet mee. Hij was een nietsnut. Een dode hond, daar had je niets aan. Maar David ziet daar over heen. Hij mag eten aan de tafel van Da­vid, als een zoon van de koning. Hij krijgt de landerijen van Saul terug. En zijn knecht moet met zijn huis en zijn knechten de landerijen bewerken en Mefiboseth van de opbrengst onderhouden. Wat een verhaal. Hoe een verlam­de omhoog getrokken wordt aan de tafel van de koning. Hoe David Jonathan zijn vriend eert over de dood heen. Hoe voor God ook een aan beide voeten verlamde niet een dode hond is, maar een burger, die het waard is om aan de tafel van de koning als koningszoon geëerd te worden.

Wat een verhaal ook met een toepassing voor vandaag. God eert juist datgene wat zwak is. En wat is er veel zwak in de samenleving. Daar moeten we ons op richten. De Messias kwam voor de verbrokenen van hart. De minstbedeel­den. Zij die niet meetelden. Jesaja 61 spreekt boekdelen. Hij verloste gevange­nen uit de gevangenis. Hij was bij hen, die lijden. Hij heelde de vredestichters. Je kunt vervolgd worden om zijns Naams wil, maar Hij houd je vast. Draagt je er doorheen. Wat een grote God hebben wij. Wat moeten we ons dan ook in­zetten voor allen die misdeeld zijn, We moeten helpen hen die zwak zijn. We moeten delen vanuit onze welvaart. We moeten nooit onszelf als sterkste op de voorgrond zetten. Wat een verhaal van David en Mefiboseth.

Geef Here dat wij ook onze minste broeders voorop zetten. Wat gij voor de minste van deze gedaan hebt, hebt gij voor Mij gedaan. Matthéüs 25. We zul­len geoordeeld en beoordeeld worden voor wat we naar de minstbedeelden hebben gedaan. Het moet een normaal proces in ons leven worden. We mer­ken het niet eens meer, dat we het doen. Het is de gewoonste zaak van de we­reld. Maar als we het niet doen, dan wacht ons het oordeel. Ik ken u niet. Om­dat we de minstbedeelden niet gekend hebben. Wat hebben we dan de handen vol in onze samenleving. Wat een geweldige opdracht. Wat een geweldige ze­gen. Wat een liefde van God. Hij weet van het lijden van deze wereld. Hij gaf zijn Zoon om te lijden en te sterven voor het lijden van de wereld. We weten niet welk lijden ons boven het hoofd hangt. Wij zijn zo gezegend, dat we niet meer weten wat lijden is. Maar we zijn geroepen om hen te dienen, die lijden, Laat ons hart uitgaan naar hen die lijden. O Here God, dank U wel, dat U ons dit stukje liet lezen. Het is een krachtige boodschap. Dank U voor uw grote zoon David. Die ons het voorbeeld gaf.

2 Samuël 10:1-19

11 augustus [2]

10:5

Blijft in Jericho, totdat uw baard weer aangegroeid is, en komt dan terug.

10:12

De HERE doe wat goed is in zijn ogen.

10:19

sloten zij vrede met Israël en onderwierpen zich aan hen; en de Arameeërs durfden de Ammonieten niet weer te hulp te komen.

David steunt op de hulp van de Ammonieten tegenover zijn vijanden. Hij stuurt zijn mannen op condoleance bezoek, maar de Ammonieten vertrouwen het niet en beledigen de mannen door hun baard voor de helft af te scheren, alsmede ook hun klederen. David geeft ze opdracht om in Jericho te blijven, totdat hun baard weer aangegroeid is. Als de Ammonieten bemerken dat ze in een kwaad daglicht staan bij David, maken ze met hun bondgenoten een sterk leger. Joab gaat er op uit met zijn broer Abisai. Ze winnen de strijd. Dan pro­beren de Arameeërs het nog eens en David gaat er op uit. Maar de Here geeft hem de overwinning. Het leger wordt finaal verslagen. En ze sluiten vrede met David en ze durven niet weer samen met de Ammonieten de strijd aan te gaan met David.

Wat een verhaal. Wat heeft ons dat te zeggen. Ik weet het niet precies. Ik kan wel iets bedenken. En dat was mijn eerste gedachte. Vreemd dat David steunt op de Ammonieten in zijn strijd tegen de andere vorsten. Daarom gaat hij op condoleance bezoek. Is het niet zo dat David op de Here moet vertrouwen en niet op een heidense vorst. Het past toch helemaal niet om naar zo’n occulte toestand te gaan. Raar eigenlijk. Geen wonder dat de Ammonieten het niet vertrouwen. Ze denken dat het een list is. En ze beledigen en vernederen de delegatie. Dat was heel erg. Wat een vernedering. Het was zeker een hoge de­legatie en die ga je niet zo behandelen. Ze weten dat ze nu in een kwade reuk bij David staan. Ze maken samen een groot leger met hun andere omliggende vorsten. Dat wordt een hele dobber voor Joab en zijn broer Abisai. Ze zeggen: de HERE doe wat goed is in zijn ogen. Ze winnen de strijd. Dan denken de Arameers: nu is het onze beurt en zij maken een groot leger. David trekt erop uit en hij verslaat het leger. Ze durven niet meer tegen David te strijden. Maar de Here had David toch rust beloofd aan alle zijden en nu moet hij weer de strijd voeren. Zou het niet zo zijn dat de Here David leert om niet te vertrou­wen op zijn omliggende volken die in feite vijanden van God en dus ook van David zijn, Als hij onvoorwaardelijk op de HERE vertrouwd had dan was waarschijnlijk deze hele strijd er niet geweest. De Here is David genadig en Hij geeft de overwinning tot twee keer toe.

Dat is dan weer de genade en het grote wonder. Daar moeten wij ons ook al­tijd aan spiegelen. We moeten niet met de tegenstanders van God om een tafel gaan zitten om een gezamenlijk doel te bereiken. We moeten zuiver staan voor God en zijn wetten gehoorzamen en geen verbond maken met de duivel om een goed doel te dienen. Want het is eigenlijk een gebrek aan vertrouwen op God. God kan de overwinning geven net zo goed door velen als door weini­gen. Hoe vaak is dat niet in de geschiedenis van Israël gebeurd. En daar moe­ten we op bouwen.

Het is hetzelfde als het verhaal van koning Asa die eerst wel op de Here ver­trouwde en een grote overwinning behaalde en later niet op de Here steunt maar, net als hier, op de vijand van zijn vijand. En dan zegt de profeet: “Maar Asa wist je niet: dat Gods ogen de ganse wereld doorlopen om krachtig bij te staan, hen wier hart naar Hem uitgaat.” Daar gaat het om. Daar gaat het bij David ook om. Daar gaat het bij ons ook om. We moeten onvoorwaardelijk op God vertrouwen. Hij zal het dan ook doen. Here God, dank U wel voor deze belangrijke lessen die we nu weer leren. Help ze ons te onthouden als het er op aan komt. Dank U Heer. Uw woord is de waarheid. Wat een rijkdom. Er komt geen einde aan.

2 Samuël 11:1-27

12 augustus [2]

11:2

en hij zag van het dak af een vrouw, bezig zich te baden; en die vrouw was zeer schoon van uiterlijk.

11:4

Zij kwam tot hem, en hij lag bij haar –…

11:5

en liet David weten: Ik ben zwanger.

11:10

Uria is niet naar zijn huis gegaan.

11:11

om te eten en te drinken en bij mijn vrouw te liggen?

11:13

en hij maakte hem dronken. … En naar zijn huis ging hij niet.

11:15

opdat hij getroffen worden en sneuvele.

11:21

dan moet gij zeggen: ook uw knecht, de Hethiet Uria, is dood.

11:25

want het zwaard verteert nu eens dezen, dan weer genen.

11:27

Zij werd hem tot vrouw en baarde hem een zoon. Maar de zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen des HEREN.

Wat een gemene streek. Hoe is het mogelijk. Wat een gemene poging om ook nog te doen voorkomen of ze zwanger is van Uria. En wat David ook doet hij krijgt Uria niet naar huis. Uria is trouw aan Joab. Hij is soldaat en laat zich niet weglokken van Joab en de manschappen. Dat zou desertie zijn. Om even tussendoor naar huis te kunnen om bij zijn vrouw te liggen. David voert hem dronken, maar ook dan gaat hij niet naar zijn huis. Wat toch een gemene streek. Het begon allemaal met het zien van een mooie vrouw. En dan wordt David verleid. Ze komt tot hem en hij ligt bij haar. Het is alsof dat in een gedachte gebeurt. De vrouw van een ander nemen. Dat is echtbreuk. Daar is de wet heel sterk en streng over. Gij zult niet begeren. En dat gaat dan niet alleen over uws naasten vrouw, maar over veel meer.

En als de Here Jezus het wee over u uitspreekt, dan heeft Hij het over de man die in zijn gedachten echtbreuk pleegt. En dat is de spijker op zijn kop. Er wordt meer echtbreuk gepleegd in het denken van de man en de vrouw dan in het echt. En wat een onreinheid zijn er waarin mannen zich verlustigen. De kranten en de media staan er vol van. Je kunt je hoofd niet buiten de deur steken of je wordt ermee geconfronteerd. Het is verschrikkelijk. We worden aan de blootheid blootgesteld alsof we in een grote hoerenkast leven. En daar aan we aan te gronde. Alles wat seksueel kan worden getoond dat wordt ook getoond. We weten niet half hoever we al afgezakt zijn. We moeten ons best doen om er niet aan blootgesteld te worden. Dat wat thuishoort in de intimiteit van het huwelijk, wordt op allerlei manieren te grabbel gegooid in onze sa­menleving. Geen wonder dat er ontucht en incest en seksuele losbandigheid is, overal om ons heen en ook in onze eigen kringen. En hoe moeten we ons eigen leven niet reinigen van allerlei gedachten die hier mee te maken hebben.

Wat kunnen we schijnheilig en listig zijn om onze zonden te bedekken. David is er een uitgerekend voorbeeld van. David nog wel. De grote koning. De ge­zalfde des Heren. Dat kan toch helemaal niet. En toch gebeurt het. Het is ver­schrikkelijk. En als het David dan niet lukt om hem met list bij zijn vrouw te krijgen om dan te doen alsof het kind van hem is dan gooit hij het over een andere boeg. Hij zou als het hem wel gelukt was Bathséba zonder pardon tot een leugenaar gemaakt hebben. Zij wist dat het kind van David is, maar hij zou het in alle toonaarden ontkend hebben. Neen dat is van Uria kijk maar toen en toen is hij naar zijn huis gegaan en uit het leger gedeserteerd, Hij zou het dan omgekeerd hebben om Uria in een kwaad daglicht te stellen. Uria, Uria, jij deserteerde uit het leger, terwijl Joab en zijn mannen je zo nodig hadden. Jij bent een nietsnut. En Bathséba zou met een geheim rondlopen en niemand zou haar geloven. Ze zouden haar voor een leugenaar en hoogmoedi­ge vrouw uitmaken. Wat verbeeldt zij zich wel. Bij de koning gelegen. Dat doet een koning toch niet. En dan toch zeker niet bij deze vrouw, En zo kun je nog wel een tijdje doorgaan om de waarheid te verdraaien, zodanig dat de mensen het geloven.

David moet een weg vinden om met ere aan deze vrouw te komen. Hij zal haar nog wel mooi vinden en nog wel verliefd op haar zijn. Dan maar de list om hem in het leger op een plaats te zetten waar je er zeker van bent dat hij sneu­velt. Hij geeft Joab opdracht. Hij vertelt niet waarom. En Joab plaatst hem op een plaats waar het bijna zeker is dat hij zal sneuvelen. En zo gebeurt het ook. De mannen schieten vanaf de muur van de stad als zij de vijanden terugdrin­gen tot aan de poort van hun stad en Uria wordt getroffen. Een bode bericht het David en er wordt weer een hele schijnvertoning opgevoerd. Ook Joab zit in het complot. De bode moet dan zeggen: En ook Uria is dood. En dan gaat de schijnheilige David nog even verder. En zegt schijnheilig: In de strijd sterft dan deze en dan gene. Dat gaat nu eenmaal zo. Maar in zijn hart is het hem ge­lukt van Uria af te komen, zonder dat iemand de ware reden weet.

Wat een vreselijke kerel. Of is het allemaal niet zo ver weg. Zit ook ons hart vol met arglistigheid en leugen om onze eigen zin toch te bereiken ten koste van een ander. En ja, zo is het. Ons hart zit vol arglistigheden. Daar spreekt God over. Daar wil Hij ons van bevrijden. Daar wil Hij ons steeds weer op wijzen. Wij moeten deze zonde belijden. Want het is vreselijk. Als we zo dit verhaal van David lezen dan word je toch ontzettend boos. We lezen het hier zonder verborgenheden. Het is geheel doorzichtig. Maar het was een grote arglistigheid. Het was dus een grote leugen. Het was een grote gemene rot­streek. Je zou David toch. Als hij dat bij mij zou doen dan zou ik hem dit en dat.

Uria is dood en David neemt Bathséba tot vrouw in zijn huis als zij de rouw heeft bedreven. Haar man is gesneuveld. Niet wetend dat het een list van Da­vid is. Zal hij het haar later verteld hebben? Het is niet zijn plan. Hij heeft zijn doel bereikt. De mooie vrouw is in zijn paleis zwanger van een kind van hem. Einde verhaal? In heel veel gevallen wel. Niemand die er ooit iets van zegt. Het blijft een geheim voor alle anderen, behalve voor jezelf. Met dat geheim ga je verder je leven door. Het ligt niet open. Hoevelen zouden er met een geheim door het leven gaan? Hoevelen lopen rond met een verborgen zonde. Sommigen worden er door gekweld. Anderen verlustigen zich er nog steeds in. Maar het hoofdstuk eindigt met: Maar de zaak die David gedaan had, was kwaad in de ogen des HEREN. En daar gaat het om. Voor ons en de anderen kan het allemaal verborgen wezen, maar voor de HERE God is het allemaal duidelijk. Hij ziet dwars door ons heen. Hij kijkt ons hart aan. Wij kunnen wel zo hoogmoedig en eigenwijs zijn, alsof niemand het ziet. Maar ons hart ligt open voor de Here God. We kunnen voor Hem niets verbergen. Arglistigheid is dan ook opstand tegen God. Wat denken we wel te kunnen doen en God er buiten proberen te houden. We minachten dan de Almacht van de HERE God. We nemen Hem niet serieus. We spelen een beetje met de heiligheid en Al­macht van de HERE God. God is daar heel duidelijk over.

Op hoeveel plaatsen zegt Hij niet: jullie weten wie Ik ben en hoe Ik ben. Ik heb jullie mijn geboden ten leven voorgehouden. Ik heb jullie keer op keer opgeroepen om de Wet te houden. Maar doe je het niet, dan moet je het ook maar zelf weten dan haal je het oordeel over je heen. Dan moet je niet kinder­achtig zijn en achteraf van de ellende die je zelf over je haalt, Mij de schuld geven. Je hebt het toch zelf gewild. Je hebt toch zelf gedacht, het zonder Mij wel allemaal te kunnen regelen. Nou dan moet je het zelf ook maar weten. Je mag altijd terugkeren en daar blijf Ik jullie toe oproepen, maar tot dan zul je in je eigen ellende omkomen. Het kan lijken of het alles zonder Mij beter gaat, maar je weet wel beter. Sterven doe je en je kunt niets meenemen en dan is het voorbij. Maar het oordeel wacht. Want de Here God is rechtvaardig en duldt geen onrecht. Hij is een God van recht en gerechtigheid. Hij zal de rechtvaar­digen ondersteunen en de onrechtvaardige verdelgen. Daarom doet ieder er goed aan om in zijn leven God gehoorzaam te zijn. Niets trachten voor Hem te verbergen. En dan wandelen in het licht van zijn geboden. En je zult zien dat het werkt. Want de regels van God zijn regels om in recht en gerechtigheid met elkaar te kunnen leven. Daar past geen ontucht bij. Daar past reinheid en trouw aan je eigen vrouw bij. Daar past bij, dat je je gezicht afwendt van de hoer en de verleiding, hoe agressief die ook op je af kunnen komen. Pas op, want in een moment van onbedachtzaamheid slaat de vijand toe. David is er het slachtoffer van. We moeten ons daartegen wapenen.

Want de tegenstander van God is de grote hoer. Het Babylon. Dat de wereld verleidt. En seksualiteit en sensualiteit en de verlokkende begeerte van de on­tucht zijn een krachtige invalspoort voor de boze. De Bijbel staat daar vol van en de geschiedenis spreekt boekdelen. Als eenmaal de hoererij en de ontucht is toegeslagen, dan zijn de mensen alleen nog maar met onreinheid en ontucht be­zig. Dan gaat de samenleving daaraan te gronde. Dan wordt het haat en nijd. En oorlog. Dan gaat het denken vanuit de ontucht verkeerde beslissingen for­ceren. Dan kunnen de raarste dingen gebeuren. O Here God, wat hebben we er een potje van gemaakt. We zijn een grote hoerenclub geworden. O Here, wek ons op. O Here reinig ons. Laat ons niet verloren gaan. David en Bathseba zijn uit het leven gegrepen voorbeelden, hoe wij ons en ons land moeten reinigen van de ontucht. Here, nog is het niet te laat. Here, help.

2 Samuël 12:1-31

13 augustus [2]

12:4

dus nam hij het ooilam van de arme man…

12:5

de man die dit gedaan heeft, is een kind des doods.

12:7

Gij zijt die man!

12:10

het zwaard zal van uw huis nimmermeer wijken,…

12:12

maar Ik zal dit doen in tegenwoordigheid van geheel Israël en in het volle licht.

12:14

de zoon echter, die u geboren is, zal sterven.

12:16

hij vastte…

12:17

maar hij wilde niet;…

12:19

Het is dood.

12:22

misschien is de HERE mij genadig,…

12:23

Ik zal wel tot hem gaan, maar hij keert tot mij niet terug.

12:24

zij baarde een zoon en hij noemde hem Salomo. De HERE nu had hem lief:…

Hij is des doods schuldig. Wat een vreselijke man. Zelf had hij alles en dan nog dat wat de ander had, afnemen. Nathan pakt David. Gij zijt die man. En David begrijpt dat Nathan hem het verhaal van Uria vertelde. Hij is schuldig. Hij is des doods schuldig. Het is niet zomaar een slippertje van David. Het is een grove zonde tegen de Here God. Hij lastert de naam en de heiligheid van God. Wij denken er tegenwoordig maar lichtzinnig over. Wij denken dat het wel moet kunnen. Maar van God uit gezien, is dit een doodzonde. David, Da­vid. Jij bent des doods schuldig. Je zult niet worden gedood, maar het kind zal sterven. Wat een vreselijke straf. Dat is toch te gek. Wat een verdriet. Het kind wordt geboren en het wordt ziek. David weet dat dit het oordeel van God is. Maar hij smeekt en bidt en vast. Hij ligt op zijn knieën. Met hem is niets te beginnen. Hij praat niet tegen zijn dienaren. David weet waar het vandaan komt. Maar hij blijft de Here God aanroepen. Als hij God eens mocht vermur­wen en Hem tot genade verleiden. Maar na zeven dagen sterft het kind. En dan staat David op. Hij heeft gedaan wat hij kon voordat het overlijden er was. En nu is dit getuigenis ook weer een zegen voor anderen. David staat op en begint te eten. Terwijl je zou verwachten dat hij zal gaan rouwen en niet eten, gaat hij wel eten. Dat zal een vreemde gedachte zijn voor de Joden om hen heen. David weet dat deze zoon niet meer terugkeert. Hij heeft gesmeekt, maar de Here is bij de uitvoering van zijn straf gebleven. Dat is ook een goede les voor ons. Wij moeten schuld belijden aan elkaar en aan de Here God. Doe het van­daag, begin er mee. Het helpt. David krijgt bij Bathséba een tweede zoon, Sa­lomo. En de Here hield van hem. Wat een verhaal.

Wat een waarschuwing Wat een oproep. De Here laat de zonden niet onge­straft. Soms zitten we ons hele leven ermee. Daarom is het zo belangrijk om heilig en rechtvaardig te wandelen. Er geen tweede agenda op na houden. Recht door zee te gaan. De Here te volgen. Zijn woord proclameren. Gelegen of ongelegen. Handen uit de mouwen steken als er nood is. En wat een nood is er niet op de wereld. O Here God, we leven in profetische tijden. Here, help ons om voortdurend de profetische boodschap te verspreiden. Prijs de Heer.

2 Samuël 13:1-22

14 augustus [2]

13:1

had een bekoorlijke zuster, Tamar geheten; en Amnon, de zoon van David, kreeg haar lief.

13:8

Toen ging Tamar naar het huis van haar broeder Amnon, die te bed lag,…

13:9

Laat iedereen bij mij weggaan.

13:11

Kom, ga bij mij liggen, mijn zuster.

13:14

maar overweldigde haar, onteerde en verkrachtte haar.

13:15

Sta op, ga weg!

13:20

En Tamar ging in het huis van haar broeder Absalom wonen, als een eenzame.

13:22

maar Absalom haatte Amnon,…

Hij is smoorverliefd. Hij is er ziek van. Dan moet je wel erg oppassen. Want dan kan je verstand het wel eens verliezen van je gevoel en je verliefde emo­ties. Het komt er dan wel op aan dat je het goede doet. Want in je emotionele driften kun je zo maar verkeerde keuzes maken. Het verhaal van Tamar is een zeer krachtig en waarschuwend voorbeeld. Hier heb je twee koningskinderen. Amnon werd verliefd op Tamar, de zuster van Absalom. Wat kan hij doen. Dat kan toch nooit wat worden. En dan heeft zijn vriend een idee om er toch iets van te maken. Doe alsof je ziek bent. Eet niet. Dan zal je vader koning Da­vid komen en dan vraag je of hij Tamar wil sturen om eten voor hem te ma­ken. En zo gebeurt het. Een eenvoudig verhaal, Hij moet toch zien dat hij Ta­mar aan zijn bed krijgt. Tamar komt, maakt koeken, maar hij eet het niet. Eerst moet iedereen weg van zijn bed. Tamar en ook de anderen hadden onraad moeten ruiken. Maar iedereen gaat weg En dan wil hij dat Tamar bij hem komt liggen. Ze sputtert tegen, waarschuwt voor de gevolgen, ook voor haar. Maar hij luister niet. Hij overweldigt haar en verkracht haar. Dat gaat allemaal heel snel. In een ogenblik van onbedachtzaamheid is het gebeurd. Hij heeft haar verkracht.

Opnieuw is dit een ernstige waarschuwing om je niet door je emoties mee te laten nemen Hoe vaak in ons leven en zeker in onze perverse samenleving worden we verleid door allerlei sensuele prikkels, die van alle kanten ons wor­den opgedrongen. En hoe vaak horen we niet dat er huwelijksproblemen zijn doordat de vader met een ander gaat. En dan komen de zondige gedachten en dan komen de seksuele prikkels en er is geslachtgemeenschap. Waarom zijn toch zoveel huwelijken, ook in christelijke kringen kapot. Het heeft met Ta­mars gevoelens te maken. Het heeft met de zonde te maken Het heeft met de wet van God te maken. Er staat niet voor niets: Gij zult niet echtbreken. Dat is kennelijk een zonde die zo belangrijk was en zo gemakkelijk voor kwam, dat God er een apart gebod aan wijdt. Niet doodslaan, niet echtbreken en niet stelen. Wat een zonde, wat een zonde. En opnieuw moeten we zeggen wat de Here Jezus zei: wie een vrouw aanziet om haar te begeren, die pleegt reeds echtbreuk in zijn hart. Het komt erop aan niet wat je doet, maar wat je denkt en wat er in je hart leeft. Het komt er dus erg op aan. Amnon liet zich gaan. En dan heeft hij een grote afkeer van haar. Groter dan zijn liefde voor haar. Hij stuurt haar weg. Wat een lafaard. Tamar scheurt haar gewaad dat ze als maagd droeg. Ze gaat naar Absalom en vertelt het hele verhaal. Absalom verdoezelt het en zegt er niets van. En Tamar woont in het huis van Absalom, afgezon­derd als een eenzame. David hoort het allemaal en hij wordt zeer toornig. Wat een gemene streek. Is daarmee het verhaal af? Wat had er met Amnon moeten gebeuren? Tamar zit daar eenzaam met een kind van Amnon. Wat een zonde.

Wat een toestand als je je door emoties laat beheersen. De consequenties zijn verwoestend. En wat zijn er niet een situaties waarin huwelijken verwoest zijn en er verkeerde situaties gegroeid zijn. Het is toch vreselijk. We zien het voor ons. We zien zoveel echtscheidingen. We zien zoveel kinderen daarvan de du­pe worden. Wat een verknipte situaties. Het gaat om trouw in het huwelijk. Het gaat om trouw in relaties. Dat begint al jong. Hoeveel jongens gaan niet met meisjes naar bed. En hoe normaal vinden ze het, dat ze voor het huwelijk seks met elkaar hebben. Wat een verworden situatie. Een meisje is voor haar leven beschadigd, de eerste keer als ze met een jongen naar bed gaat. En wat een beestachtige jongens. Ze doen het alsof ze beesten zijn, Het is om het ple­ziertje. Het is zo voorbij. En ze zijn voor hun leven beschadigd. En, wij als ouderen. We laten het allemaal maar een beetje gaan. We vinden het allang goed als we het een beetje in de hand kunnen houden. Terwijl we geroepen zijn om onze kinderen met kracht en met liefde te behoeden voor de valkuilen van het leven.

O Here God, help ons opnieuw onze taak te verstaan. We moeten uw Woord weer open doen, we moeten gehoorzaam worden. We moeten ons niet laten meesleuren met de geest van de tijd. Onze kinderen zijn de dupe. O Here help. O Here, treedt handelend op. Wij en onze kinderen staan op het spel. Dank U wel voor uw Woord. Uw Woord is de waarheid. We kunnen ons daaraan vast houden. Het verhaal van Tamar is duidelijk.

2 Samuël 13:23-39

15 augustus [2]

13:26

laat dan tenminste mijn broeder Amnon met ons meegaan.

13:28

dan moet gij hem doden.

13:33

alleen Amnon is dood,…

13:38

hij bleef daar drie jaar.

13:39

Toen kwijnde koning David van verlangen naar Absalom;…

Absalom haatte Amnon wat hij met zijn zuster Tamar had gedaan. Het was ook heel laag en gemeen. En daarna Tamar verstoten. Ze woonde bij Absalom in huis. Het kind zal daar in de eenzaamheid wel geboren zijn. Het is nu twee jaar later. Maar de haat tegen zijn broer Amnon is nog steeds zeer groot. Hij voert iets in zijn schild. Hij vraagt alle zonen van David op het feest. Maar David laat ze niet allemaal gaan. Maar Amnon is er wel bij op uitdrukkelijk verzoek van Absalom. Hij voert in zijn schild om Amnon te doden. Hij zegt tegen de dienaars: voer hem dronken; als hij dronken is en ik zeg: dood Am­non, dan moeten jullie hem doden. En wees niet bang om het te doen. Ik zeg het toch. En zo gebeurt het. Amnon is dood. En dan vlucht Absalom, want hij weet dat hij een moord op zijn geweten heeft. David hoort het en denkt eerst dat al zijn zonen gedood zijn. Maar dat blijkt niet het geval, want op een zeker moment zien ze een grote stoet terugkeren van het feest van Absalom. En al­leen Amnon blijkt dood te zijn. David weent, en al zijn broers met David. Het is een moord in de familie. Absalom is gevlucht naar een naburige koning. Daar acht hij zich veilig en daar blijft hij drie jaar. David verlangt daarna naar Absalom en wil dat hij terugkeert.

Vreemd eigenlijk. David had Absalom toch moeten halen en straffen voor zijn moord op zijn broer. Dat kun je toch niet dulden. Dat gaat als koning toch veel te ver. Maar David schijnt niets te doen dan alleen te rouwen om de dood van Amnon. En het leven gaat weer zijn gang. Is moord dan toegestaan? Het is toch brute moord. Had hij ook al niet direct na de verkrachting van Tamar moeten optreden tegen Amnon. Dat was ook niet gebeurd. Tamar wordt in eenzaamheid opgesloten in het huis van Absalom. Tamar zit nu met een kind, geboren uit verkrachting. Wat is er verder van haar geworden? Wat had er volgens de wet moeten gebeuren? Een vreemde zaak, David. Was David dan niet krachtig genoeg tegen zijn kinderen? Ook uit het leven gegrepen.

Wat maken wij niet mee in onze kringen als we zien dat onze kinderen de ver­keerde kant op gaan. Wat is het toch belangrijk om onze kinderen van heel vroeg aan te vertellen wat God van hen vraagt. En hoe geweldig het is om van­uit Gods geboden te leven. We zien vandaag dat kinderen er ook maar een pot­je van maken. Ze wonen samen. Gaan ook met elkaar naar bed voor het hu­we­lijk. Het is toch te gek. Dat kan toch niet. Dat heeft ook alles te maken met de tijdgeest waarin we leven. We laten het maar gaan. Wat moeten we er aan doen. Natuurlijk kunnen we er iets aan doen. We moeten het niet nemen. We moeten zelf ons bekeren als ouders en er dwars voor gaan staan. Het gaat om onze kinderen. En daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen. Je gaat dan te­gen de stroom in. Maar dat moet dan ook. Het is de hoogste tijd dat de storm­bal gehesen wordt. Je ziet het aan David. Nu heeft Absalom Amnon gedood. En David doet niets. Waar is nu de dappere David. Die toen Nabal zijn vrouw zo behandelde en de knechten van David wel actie ondernam? Nu was Abisai zijn vrouw. Wat zou die er van gezegd hebben? David, hoe zit het nu. Het ver­haal gaat verder. Maar een ding is zeker. Als je geen regels houdt en je kinde­ren de dingen van de HERE niet voorhoudt, dan sluipt de verslapping en ver­loedering binnen. Daar kun je de klok op gelijk zetten. Wees dus op je hoede.

2 Samuël 14:1-33

16 augustus [2]

14:2

…en gedraag u als een vrouw die reeds lange tijd over een dode treurt.

14:7

Uitdoven willen zij de gloeiende kool, die mij nog rest,…

14:11

…geen haar van uw zoon zal ter aarde vallen!

14:20

Maar mijn heer is zo wijs als een engel Gods: hij weet alles wat op aarde geschiedt.

14:21

…ga dus heen, breng de jongeman Absalom terug.

14:27

Aan Absalom werden drie zonen geboren en een dochter, Tamar geheten. Zij werd een vrouw, schoon van uiterlijk.

14:33

…en de koning kuste Absalom.

Absalom is weg. Drie jaar lang. En dan gaat Joab met een list via een verklede rouwende vrouw naar David. David spreekt uit dat de ene zoon die de andere zoon gedood heeft niet gedood zal worden. De vrouw zal dus een erfgenaam hebben. En zo begrijpt David dat Joab ten gunste van Absalom hem erin heeft laten lopen. Hij begrijpt dat het gaat om de vraag of als Absalom terugkomt, hij hem in leven zal laten. En Absalom kan dus terug komen. Maar hij ziet het aangezicht van de koning niet. Dat wil Absalom ook veranderen. En opnieuw stuurt hij bericht naar de koning. En Absalom mag bij de koning komen. En David kust Absalom. Absalom is een schoonheid. Zijn golvende haren zijn een pracht. Het valt iedereen op. Het is een van de schoonheden. Hij krijgt ook kinderen en een ervan is Tamar. Een schone dochter. Wat een leven. Wat een interessant tussen verhaal. David begrijpt het. Het gaat om Absalom. Die heeft Amnom gedood, die met Tamar naar bed ging. David laat de zonde de zonde. En dan gaat het mis.

We moeten opstaan en de zonde de zonde noemen en daar niet omheen praten. We moeten tot actie komen en de verkeerde dingen uitbannen in ons leven en in de samenleving. We zijn mede verantwoordelijk voor wat er gebeurt. We moeten de waarheid en de liefde van Jezus proclameren. Prijs de Heer. Dat moeten we steeds weer opnieuw doen. Het is eigenlijk heel eenvoudig. We moeten gewoon de Bijbel openen en lezen en doorgeven wat er staat. Dat is toch fantastisch. Daar gaat het toch om. Het gaat om de kennis Gods. En daar waar de kennis van God in de harten neerdaalt, daar komt vrede en activiteit. Dat kan niet anders. Want de in het geloof opgehoopte kennis en kracht komt ten goede aan allen die Hem zoeken. Het is fantastisch. Wat een genadige God. Prijs de Heer. Want Hij is goed, HERE wilt U de vreze des Heren terug­brengen in deze gemeente. Geprezen zij zijn Naam, Halleluja.

2 Samuël 15:1-37

17 augustus [2]

15:6

en zo stal Absalom het hart der mannen van Israël.

15:9

Daarop antwoordde hem de koning: Ga in vrede.

15:12

en voortdurend kwam er meer volk bij Absalom.

15:20

Want ik moet gaan, waarheen ik maar gaan kan.

15:29

Toen bracht Zadok met Abjathar de ark Gods naar Jeruzalem terug en zij bleven daar.

15:30

hadden het hoofd omhuld en trokken al wenende voort.

15:31

Verijdel toch de raad van Achitofel, o HERE.

15:37

En Husai, de vriend van David, kwam Jeruzalem binnen, juist, toen Absalom de stad binnentrok.

Het verhaal gaat voort. Absalom steelt de gunst van het volk, om het ieder in zijn rechtspraak naar de zin te maken en zijn vader, de koning in een kwaad daglicht te stellen. Davids is slap en staat hem toe terug te keren. En dat ter­wijl het bloed van de moord op Amnon en zijn weigering om daar vergeving voor te vragen nog aan zijn handen kleeft. En dan komt het verraad van Absa­lom Hij heeft de machtigen om zich heen verzameld. Zelfs Achitofel. En dan gaat David op de vlucht. Hij ziet geen andere mogelijkheid. Waar blijft het godsvertrouwen van Davids op zijn Here God. Het blijkt meer dat ze zelf aan het beoordelen zijn wat de slagingskansen zijn van de zaak. David verzamelt het volk. Ze denken ook de ark mee te nemen, maar David laat de ark terug­brengen in het vertrouwen dat de Here zal spreken dat Hij terug mag en moet. Wat een verhaal, maar dan gaat David met al de mensen toch wenende voort. Gedesillusioneerd. De strijd is gestreden. Is dit nu het einde? Is dit nu het ko­ningschap waaraan geen einde zou komen. Ze zijn nog maar nauwelijks op stap of de ene wettische opmerking na de andere vliegt daar over de kerkelijke toonbank. Stoppen. Positief aan het werk. Begin een opvangcentra voor onge­wenst zwanger vrouwen. Laat hen in die tijd vooral zien op welke wijze zij zich kunnen helpen.

David trekt al wenende voort. Het is ook vreselijk. Hij, de koning op de vlucht voor Absalom, de moordenaar van zijn broer. Davids zoon. En daar gaat de stoet. Wat een optocht. Husai die ook mee wil trekken komt omhoog van het slachtveld en vraagt of hij ook mee mag trekken. Maar hij moet verklikker worden. Hij moet aan David vertellen vanuit het huis van Absalom wat hij in zijn schild voert. Het is toch verschrikkelijk dat David de stad verlaat. En dat de rebellerende Absalom zo maar de stad in kan trekken. Was dat nu allemaal wel nodig. David was toch de gezalfde des Heren. Gaat hij voor de rebellie op de vlucht. Dat kan toch allemaal niet. Here God, maak ons duidelijk wat dit allemaal te betekenen heeft. Heeft David niet U aangeroepen om hem te be­vrijden van deze vreselijke zaak. Heeft het wellicht allemaal te maken met de slapte van David in zijn gezin. Had hij sterker op moeten treden. Heeft hij de ontucht van Amnon maar laten gaan. Heeft hij de moord op Amnon door Ab­salom laten gaan. Is hij dat, die het allemaal zo goed weet? En heeft hij, die het ook zelf in zijn leven met Uria en Bathséba heeft meegemaakt hoe de Here daar over denkt, nu zelf de strakke hand van God laten varen in zijn leven en in zijn gezin? Ik weet het niet allemaal, maar ik vond het maar een rare verto­ning dat de gezalfde des Heren zo met de staart tussen de benen de heilige stad, zijn stad moet verlaten. De stad Davids die hij zelf heeft veroverd. En waarheen? Niemand weet het. Here God, U gaat wonderlijke wegen.

Here God, het doet me ook denken aan ons zelf. Hoe belangrijk is het niet, dat we onze kinderen heel dicht bij U opvoeden en in de vreze des Heren van kinds af aan opvoeden en terechtwijzen en terugroepen en niet verslappen. Here, help de jonge vaders en moeders te midden van een verdraaid en ver­keerd geslacht hun kinderen opvoeden in de vreze des Heren. Dank U wel Here, dat U hen niet in de steek wil laten, maar hen door Uw Woord en Geest aanmoedigt om hun kinderen op te voeden. Wat kunnen we veel leren van de geschiedenis van David. We moeten dicht bij U blijven. Dank U Here Jezus, dat Uw bloed vloeide ter verzoening van onze zonden. En dat we een nieuwe schepping zijn, in U gerechtvaardigd door het geloof. Dank U wel. Wat een kracht. Wat een toekomst. Wat een mogelijkheden. Er komt geen einde aan. Prijs de Heer. Het kan niet stuk. Halleluja.

2 Samuël 16:1-23

18 augustus [2]

16:3

heden zal het huis Israëls mij het koninkrijk van mijn vader teruggeven.

16:8

gij zijt nu in de ellende, omdat gij een bloedvergieter zijt.

16:11

Laat hem met rust en laat hij mij vervloeken, want de HERE heeft het hem gezegd.

16:19

Zoals ik uw vader gediend heb, zal ik ook u dienen.

16:23

zó zwaar woog elke raad van Achitofel zowel bij David als bij Absalom.

David trekt voort. De knecht van Mefiboseth brengt voedsel voor David. Me­fiboseth is naar Jeruzalem gegaan. Hij gelooft dat het koningschap aan zijn vaders huis zal worden teruggegeven. Vreselijk. Dat was de zoon van Jona­than die aan beide voeten verlamd was, die David in zijn paleis had opgevan­gen. Die aan de tafel van David at. Aan hem had David al de bezittingen van Saul gegeven. En nu verraadt hij hem. Stank voor dank. Vreselijk. Je kunt ook op niemand meer vertrouwen. Waar blijft het vertrouwen, waar blijft de on­derlinge liefde. Als er nu één dankbaar zou moeten zijn, is het toch wel Mefi­boseth. Het zal David groot verdriet hebben gedaan. Hij geeft alles van Mefi­boseth aan zijn knecht. En dan komt Simeï. Die gooit met stenen en stof en vervloekt David. Hij is een knecht van Saul. Hij schreeuwt de bloedvergieter allerlei verwensingen naar het hoofd. Abjatar wil hem het hoofd afhouwen, maar dat wil David niet. De Here heeft het hem gezegd om mij te vervloeken. En wie weet, wil de HERE een keer brengen in mijn lot. En zo trekken ze voort over de berg heen. En Simeï blijft maar schelden. Vreselijk. En dan heeft Absalom zich in Jeruzalem gevestigd. En Chusai de vriend van David meldt zich bij Absalom en zegt dat hij Absalom net zo wil dienen als hij zijn vader David heeft gediend. Hij is de verklikker. En hij is vlak bij Absalom. Vlak bij het machtscentrum.

Dat doet me ook denken aan het gevaar, dat we altijd te maken hebben met on­betrouwbare mensen om je heen. Je moet altijd op je hoede zijn. Je moet niet uit reactie gaan leven, maar je moet wel wijs zijn wat je zegt en aan wie je het zegt. En bovenal je moet op de Heer vertrouwen en Hem om wijsheid bidden, hoe je moet omgaan met de mensen om je heen. Achitofel is ook met Absalom mee getrokken. Hij doet het advies dat Absalom bij de bijvrouwen van David gaat liggen ten aanschouwen van Israël. Dan zullen alle mensen erkennen dat de macht op hem is overgegaan. En hij plaatst een tent op het dak. Het is toch vreselijk. Dat is nog wel de priester. En nu zo’n advies. Dat heeft toch niets meer met God te maken. Dat is klinkklare heidendom. Dat is een tergen van God. Wat een wereld. Hoe kan het verkeren. Wat een koninkrijk. Is dit nu het koninkrijk waarlangs de Here God zich de Messias wil verwerven? Het is niet te geloven. Wat een wonderlijk weg. En de raad van Achitofel woog heel zwaar staat er nog wel uitdrukkelijk bij. Het was als een woord van God. Wat een overloper. Eerst David dienen en nu zonder blikken of blozen met de op­standeling meegaan. Dat heeft niets te maken met gerechtigheid en recht. Dat is onrecht en onrechtvaardigheid. HERE God, help. Dit kan niet. En uw ge­zalfde ligt vermoeid ergens buiten Jeruzalem met zijn mannen. Beschimpt, be­schadigd en uitgeput. Hoe moet dat nu verder?

2 Samuël 17:1-29

19 augustus [2]

17:8

verbitterd als een berin in het veld, die van jongen beroofd is.

17:14

Want de HERE had beschikt, dat de goede raad van Achitofel teniet gedaan zou worden, opdat de HERE onheil over Absalom zou brengen.

17:21

Maakt u gereed en trekt haastig het water over, want zo en zo heeft Achitofel tegen u geraden.

17:23

hij trof beschikkingen voor zijn huis en verhing zich.

17:24

en Absalom was de Jordaan overgetrokken, hij en alle mannen van Israël met hem.

Achitofel is niet te beroerd om de gezalfde des Heren te vermoorden. Hij doet een slim voorstel aan Absalom. En die vindt het goed. Met een kleine leger­macht de vermoeide vluchtelingen overvallen en dan David doden, dan zal het volk zich bij Absalom voegen. Maar toen Husai geraadpleegd werd waar­schuwde hij om een aangeschoten beer niet aan te vallen. Hij stelt voor om heel het volk van Dan tot Berséba bijeen te roepen en David aan te vallen. En zo gebeurt het. En dan staat er zo nadrukkelijk in vers 14 dat Chusai door de Here gebruikt wordt om deze raad te geven, opdat de HERE onheil over Absa­lom zou brengen. En dan bericht Husai aan David via dienstknechten dat hij de Jordaan over moet steken. En dat doet hij dan ook. Het lijkt alsof David verder in de problemen komt. Verder weg van Jeruzalem. Achitofel bemerkt dat zijn plan niet doorgaat. Hij verhangt zich. Hij ziet het niet meer zitten. Maar Absalom monstert het hele volk aan en gaat achter David aan. Hij trekt ook over de Jordaan. De grote strijd kan beginnen.

Het is interessant om tot in de kleinste details te zien hoe alles gaat. De ver­klikkers die de boodschap aan David moeten brengen worden verraden door een jongen. En de soldaten van Absalom gaan de verklikkers achterna, maar een vrouw verbergt hen in een kuil waar ze een kleed en graan overheen legt. En als de soldaten dan komen, zegt ze dat ze over de beek gevlucht zijn. Waarom dit detail ook vermeld. Het is interessant om dat te weten. Waarom het ene wel vermeld en het ander niet. Er gebeurt natuurlijk veel meer. Wat een verhaal. Wat een familieruzie. Wat staan ze elkaar naar het leven. Het is ook uit het leven gegrepen. Een vader op de vlucht voor zijn zoon. Wat een verdriet. Wat een schande. Ik kan er niet over uit dat de gezalfde des Heren op de vlucht is. Welk beeld roept dat op. Hij is verworpen door zijn eigen kinde­ren. Dat is toch vreselijk.

Ik moet eraan denken, dat wij de Here Jezus, die voor ons geleden heeft, ook zo vaak in de steek laten. Wij zijn door Hem gekocht en betaald en toch zijn we zo vaak met ons zelf bezig. Vergeten we Hem. Laten Hem eigenlijk te schande staan. Want, waar is ons vertrouwen? En wat voor getuigenis is dat tegen onze naaste. Wat moeten de mensen wel zeggen. Waar is nou je Jezus. Waar je zegt zo op te vertrouwen. En ze beginnen te spotten. David, David, waar ben je nu. Er komt een grote strijd aan. Want ook Absalom is met een heel leger de Jordaan overgetrokken. En David mag dan getergde sterke man­nen bij zich hebben, maar wat moet je tegen zo’n grote overmacht doen. Daar kun je toch nooit tegenop. De strijd is al beslist voor je er aan begint.

2 Samuël 18:1-23

20 augustus [2]

18:2

Ook ik zal vast en zeker met u uittrekken.

18:5

Behandelt de jongeling, Absalom, met zachtheid. En al het volk hoorde, wat de koning ten aanzien van Absalom aan alle oversten beval.

18:9

raakte zijn hoofd vast in de terebint, zodat hij tussen hemel en aarde bleef hangen;…

18:14

Toen nam hij drie werpspiesen in zijn hand en stiet ze in het hart van Absalom.

18:23

En Achimaäz snelde heen in de richting van de Streek en kwam de Ethiopiër voor.

De strijd is aanstaande. David monstert zijn troepen. Hij zegt, dat hij ook met hen mee zal strijden. Hij verdeelt het volk in drie delen. Zij zeggen hem dat hij in de stad moet blijven. En dat doet hij. En Absalom komt ook oprukken. En hij wordt verslagen. Een grote slachting. En in het woud vallen er nog meer. Ze achtervolgen Israël. En dan zien ze Absalom op een muildier rijden en in het bos blijft hij met zijn haren verward in de takken hangen, terwijl zijn muil­dier door rijdt. En zo hangt hij daar tussen hemel en aarde. De knechten ko­men het Joab meldden. Die is boos, dat ze hem niet gedood hebben. Maar heel het volk heeft gehoord hoe David tot Joab zei, dat hij zijn zoon moest sparen. Zij willen dan ook Absalom niet doden tegen de wil van de koning in. Maar Joab, ongeduldig, pakt drie werpspiesen en steekt ze door het hart van Absa­lom en de knechten maken het werk af om hem te doden. En ze begraven hem en doen er een grote hoop stenen bovenop. Absalom is dood.

En als een knecht het aan David wil berichten dan probeert Joab dat te voor­komen. Hij heeft geen goede boodschap voor de koning. Joab weet ook wel wat de koning gezegd heeft om Absalom te sparen. Hij weet dat als David hoort dat Absalom dood is, hij dat een hele slechte tijding zal vinden. Joab zelf stuurt een Ethiopiër die moet vertellen wat hij gezien heeft, maar dan wil de knecht ook gaan. En uiteindelijk laat Joab het maar toe. En hij snelt ook heen. De Ethiopiër achterna. En hij haalt hem in. Hij is dus voor en straks het eerst bij David. Wat zal Davids reactie zijn. Vreselijk ook om zoveel strijd mee te maken. De zoon van David, de opstandeling, gedood. En op welk een vreemde wijze. Helemaal geen heldhaftig verhaal. Alleen doet het ons denken aan de mooie haren van Absalom, waar we eerder over lazen. Het volk vond hem een prachtige mooie man met prachtige haren, een mooie verschijning. Het oog wil ook wat. En dat was ook zo. Het volk volgde de ijdele Absalom, die daar heel goed op inspeelde ten koste van zijn vader, de gezalfde des He­ren. Wat een ingrijpen van God. Husai’s raad werd opgevolgd. En inderdaad, de Here had bedoeld om David de overwinning te geven.

God heeft alles in zijn hand en onder controle. De boze kan tekeergaan. En wat kan de boze tekeergaan in het leven van een mens. Maar God ziet het al­lemaal. En Hij wil controle houden over ons hele leven. Hij is sterker dan elke macht. Hij is sterker dan de dood. Wat wij moeten doen, is ons vertrouwen op Hem stellen. Er kan ons dan van alles overkomen in ons leven, maar we moe­ten ons daardoor niet in de war laten brengen. We laten ons leiden door de Here God. Hij is ons licht op ons pad. Hij laat ons niet in de steek.

2 Samuël 18:24-19:8

21 augustus [2]

18:26

Ook die brengt goede tijding.

18:32

Is het wel met de jongeling, met Absalom?

18:33

Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik in uw plaats gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!

19:4

Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!

19:6

want gij hebt lief wie u haten, en haat wie u liefhebben!

19:8

Toen stond de koning op en ging in de poort zitten.

De beide mannen komen aan. Absalom is dood. De koning komt het te weten. Men denkt dat het een goede tijding is, maar het is een slechte. Hij weent. Hij weent. En hij roept maar: Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom. De koning is niet te troosten. En dat terwijl Absalom bloed aan zijn handen heeft. En dat terwijl Absalom zijn vader heeft vernederd. David is de stad uitgejaagd. Zijn leger heeft Absalom verslagen. Ze hebben hun leven ervoor gewaagd. En nu is de koning niet tot bedaren te brengen, omdat deze opstandeling gedood is. En de vijanden van de koning zijn alle uitgeroeid. Joab komt op de koning toe en zegt het heel scherp. Koning u hebt lief die u haten en haat die u liefhebben. Dat moet u veranderen, anders loopt het volk weg. Want ze denken dat ze goed hebben gedaan en u doet alsof ze het verkeerd hebben gedaan. En dan komt David tevoorschijn. Het volk ziet hem. Ze vatten weer moed. En al het volk verscheen voor de koning. Gelukkig, de koning is er nog voor het volk. Hij wil hen zegenen en de leiding nemen. En heel Israël is gevlucht. Zij zijn naar hun tenten teruggekeerd. Ze hebben de opstand verloren. De koning kan terugkeren. God heeft de overwinning gegeven. De strijd is gestreden. De ge­zalfde des Heren heeft het gewonnen.

Vreemd toch dat David toch zo begaan is met de dood van Absalom. Vreemd. Hij kon van hem toch helemaal geen goeds verwachten. Hij wilde met geweld de troon van zijn vader overnemen. En waarschijnlijk wist hij de zwakte van zijn vader. Zijn vader mocht Absalom. Hij was een rijzige gestalte met prach­tig haar. David was klein van gestalte en had rossig haar. Misschien had David zijn hele leven wel een minderwaardigheidscomplex omdat hij klein was. Nu zag hij zijn zoon Absalom en voor hem was dat de ideale postuur voor een ko­ning. Wie weet wat er in de gedachten en het onderbewustzijn van David alle­maal gepeeld heeft. In ieder geval is duidelijk dat David ongehoorzaam is. Hij laat het onrecht in zijn familie voortwoekeren. En daarvan krijg je altijd je trekken thuis. Daar moet je erg voor oppassen.

Je moet je leven reinigen en heiligen. Je zonden belijden. Schoon schip ma­ken. Wat het ook zij. We denken vaak dat de zogenaamde kleine zonden er niet toe doen, maar het zijn altijd de kleine vossen die de wijngaard bederven. Daarom heiligt u, want Ik ben heilig. Wedersta de duivel en hij zal van u vlie­den. Dat kan alleen als we rein en heilig voor de Here staan. Geen uitvalspoort zijn voor de boze op welk terrein dan ook maar. Here dank U wel voor uw grote liefde. We kunnen weer vooruit. U bent dezelfde. U laat ons nooit in de steek. Met U springen we over muren. Prijs de Heer. Prijs de Heer.

2 Samuël 19:9-20

22 augustus [2]

19:10

Nu dan, waarom aarzelt gij de koning te doen terugkeren?

19:15

Toen keerde de koning terug en kwam bij de Jordaan.

19:19

laat de koning er toch geen acht meer op slaan.

Ja daar staat de koning buiten Jeruzalem: over de Jordaan. Het volk roept om terugkeer. Er is verdeeldheid. Hoe moet het gebeuren en door wie? De koning trekt naar de Jordaan. Allerlei mensen komen eraan. Ze begrijpen dat de rol is omgekeerd. Koning David is niet een vluchteling, maar hij komt in overwin­ning terug. En zij, die hem uitgescholden hebben zijn er het eerste bij om in een goed blaadje bij David te komen te staan. De knecht van Mefiboseth komt helpen om David en zijn mannen over te zetten. Simeï die David had uitge­scholden is er ook als de kippen bij. Here, vergeef toch wat ik gedaan heb. Hij begrijpt heel goed dat dit in het normale geval zijn kop zal kosten. Daar kun je vergif op in nemen. En daarom smeekt hij de koning om hem te helpen. Hij weet dat dit zijn laatste kans is. Wat gaat koning Jezus doen. Zonder enig pro­bleem kan hij hem uit de weg ruimen. Want wat deze man aangericht heeft, is verschrikkelijk.

2 Samuël 19:21-43

23 augustus [2]

19:22

Zou heden iemand in Israël ter dood gebracht worden?

19:25

Waarom zijt gij niet met mij meegegaan, Mefiboseth?

19:28

hoe zou ik dan nog op de koning een beroep mogen doen?

19:38

Kimham zal met mij meetrekken en ik zal hem doen wat u goeddunkt; alles wat gij van mij verlangt, zal ik voor u doen.

19:43

Wij hebben tienmaal meer recht op de koning, ja op David, dan gij. … Maar de woorden van de mannen van Juda hadden meer kracht dan die van de mannen van Israël.

De terugkeer van David. Ja daar komen ze. Weet u nog, Simeï die David ver­achtte en met stenen en zand gooide, toen de koning, vernederd, de vlucht moest nemen met zijn volk. Toen wilden zijn krijgsoversten Simeï al doden. Maar David verhinderde het. David zei dat hij het van Godswege moest doen. Wat moeten die krijgsoversten wel gedacht hebben. Wie durft je baas zo vre­selijk te vervloeken. David was toch de koning. En hoe wist David dat het van Godswege was dat Simeï zo tekeerging. Dat gaat toch veel te ver. Dat kun je toch niet maken. En waarschijnlijk hebben de soldaten van David daar wel moeite mee gehad. Het is interessant om het karakter van David verder te ont­leden. Het is heel bijzonder. Het lijkt erop dat de dappere David, die niet te­rugdeinsde voor de legers van de Filistijnen en de vijanden van Israël, die dappere daden deed als het aankwam op hem, zelf een stap terug deed. Als het op zijn familie aankwam, dan gebeurden er dingen die toch niet in de haak waren. Natuurlijk zijn eigen verhouding met Bathséba. Vreselijk. De straf is ook groot. Tamar, Amnon, Absalom. Dood. En wat doet David? Hij treurt over Absalom die hem notabene uit Jeruzalem verdreven heeft, met een aantal trawanten, waarvan David dacht, dat het zijn trouwe dienaren waren. Vrese­lijk. Zou het te maken hebben met Nathan die het heeft over viervoudig wre­ken in zijn familie. Zou David dit geweten hebben dat het steeds daar mee te maken had. Ja, er was vergeving. David klaagt zijn nood in Psalm 51. David weet van de rechtvaardige, wrekende God, die geen zonde duldt. Dé wreking geschiedde op het kruis van Golgotha. Wij als mensen zijn niet in staat om onze zonden te verzoenen. Op zonde volgt straf. Dat kan niet anders. De ver­zoening kwam tot stand door het offer, het leven van de Zoon van God. Wat een genade. Daar krijg je toch nooit genoeg van. Daar moeten we veel meer aan denken.

We zijn zoveel van de onvoorstelbare genadekracht van Messias Jezus kwijt­geraakt. We moeten daar bij blijven. En niet steeds onze rationele dogma’s erop los laten. Dan gaat het mis. Stom. Stom. En nu willen ze Simeï, die zelf ook denkt dat het met hem gebeurd is, doden. Hij komt als eerste op David af. Maar niets ervan. En dan Mefiboseth. Die is ook achtergebleven. Hij vertelt nu dat zijn knecht hem misleid heeft. Een beetje een ander verhaal dan eerder vermeld staat. Ik begreep dat hij ook de zijde van Absalom koos. Maar nu zegt hij dit. David vergeeft hem en hij mag de helft van zijn land terug. De rijke gastheer wil niet mee. Hij is tachtig jaar. Hij blijft waar hij woont, maar zijn knecht gaat wel mee. David bedankt voor de gastvrijheid. Hij is al die tijd veilig geweest.

Het is een mooi verhaal. Hij, die de koning herbergt. Dat overkomt je niet alle dagen. Hij heeft hem van eten en alles voorzien. Hij was gastvrij. De vluchte­lingen geherbergd. Dit staat ons ook te doen. Een open huis voor de vluchte­lingen. Daar rust zegen op. En dan krijgen Israël en Juda al weer mot. Wie is nu het belangrijkste bij het terugbrengen van de koning naar Jeruzalem. Ze gaan tegen elkaar tekeer. Israël vindt dat zij daar tien maal meer recht op heb­ben. Want zij zijn met de koning meegetrokken. Maar de woorden van Juda hebben meer kracht staat er dan. Waarom dit stukje er nu bij moet, weet ik niet. Misschien alleen al om aan te geven, dat er sinds de woestijnreis niet veel veranderd is. Ze blijven tegen elkaar en tegen God tekeergaan. Nu komt de koning terug en in plaats dat ze allemaal één zijn en er een groot feest van maken, zitten ze te bakkeleien, wie nu wel het meeste recht heeft op David. Nou ja. Wij kunnen er ook wat van. Laten we maar bij ons zelf blijven. In ieder geval is het een fantastische zaak dat de gezalfde des Heren na zo’n ver­nederende tijd in pracht en praal terugkeert naar de stad van God, Jeruzalem.

2 Samuël 20:1-26

24 augustus [2]

20:3

Zij bleven als in weduwschap afgezonderd tot de dag van haar dood toe.

20:4

drie dagen; wees dan weer hier!

20:10

deze stak hem daarmee in het onderlijf, zodat zijn ingewanden ter aarde stortten.

20:13

En nadat hij hem van de weg verwijderd had, volgden alle mannen Joab,…

20:22

daarop hieuwen zij Seba, de zoon van Bikri, het hoofd af en wierpen het Joab toe.

Het was er op uitgelopen dat Seba de Israëlieten achter zich aanroept: Wat hebben we met David te maken. En heel Israël gaat achter deze nietsnut aan. Zo zie je maar. Je moet wel oppassen naar wie je luistert. Let op de weg die de Heer uitstippelt. We hebben hier te maken met de gezalfde des Heren: David. En dan moet Amasa, de door David in plaats van Joab aangewezen legerover­ste, de kerntroepen monsteren om achter Seba aan te gaan. David begrijpt dat hij nu moet ingrijpen anders wordt het nog erger dan bij Absalom. Maar Ama­sa heeft geen haast. Na drie dagen zijn ze nog niet gereed om uit te trekken. En Abisai moet nu gaan. Want er is haast. En dan doodt Joab Amasa. Hij steekt hem in het onderlijf en zijn ingewanden komen naar buiten. Ze blijven allemaal staan als ze het ontzielde lichaam zien. Maar de mannen moeten niet blijven staan, maar achter Joab aan.

Het is ook wel verwarrend. Amasa is de legeroverste van David en nu moeten ze achter Joab aan, die Absalom gedood heeft, waar David over ontstemd is. Maar als de man van de weg af is gesleept, dan trekken ze achter Joab aan. En Seba die verschanst is in een stad wordt, na de raad van een wijze vrouw, ont­hoofd en zijn hoofd wordt naar Joab gegooid die de stad had belegerd en bezig is om de muur te vernielen, om de stad in te nemen en te plunderen. Als de ko­ning geen krachtige leiding uitstraalt, dan is het met het volk zo gebeurd. Dan valt de zaak uiteen en dan ziet niemand het meer zitten. En dan is de dood in de pot. Joab was misschien een eigengereide sterke persoonlijkheid, die niet bang was de koning te zeggen, hoe hij er over dacht. In dit geval neemt hij de leiding over van de krachteloze niet gehoorzame Amasa die tegen de wil van David verwarring sticht op het strijdtoneel. Joab die de situatie meteen onder­kent lost het op door zijn broer te doden en de eenheid of command te herstel­len. Seba wordt dan ook verslagen. Op een heel bijzonder wijze zonder dat er bloed vloeit, behalve dan het hoofd van Seba dat over de muur gegooid wordt.

Ook weer zo’n verhaal waar de Bijbel vol van staat. Er doen zich altijd verras­sende wendingen voor. Hier vloeit geen broederbloed. Hier ontbrandt geen strijd. De nietsnut Seba wordt gedood. En het volk keert terug naar huis. Joab blaast de hoorn naar alle kanten, dat er vrede is. En Joab voerde het bevel over het hele leger van Israël. Er was weer eenheid in de legerleiding.

2 Samuël 21:1-22

25 augustus [2]

21:1

Er was in de dagen van David een hongersnood gedurende drie jaren achtereen; en David zocht het aangezicht des HEREN. De HERE zeide: Op Saul en op zijn huis rust een bloedschuld, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft.

21:6

laat ons uit zijn zonen zeven mannen gegeven worden, opdat wij hen ophangen.

21:14

Men deed alles wat de koning had geboden, en hierna ontfermde God Zich over het land.

21:17

Gij zult niet meer met ons ten strijde uittrekken, opdat gij de lamp van Israël niet uitblust.

21:22

Deze vier stamden af van Rafa te Gath; zij vielen door de hand van David en zijn dienaren.

Er was dus een hongersnood van drie jaren achtereen. Stel je voor. Drie jaren een hongersnood. Wat zullen de mensen gekermd hebben. Wat zullen er een mensen gestorven zijn. Dat is te gek. Waarom zo’n hongersnood. Zouden ze iets op hun geweten hebben? En David roept de HERE aan. Er is dus een ver­band tussen de zonden van het verleden, die niet beleden zijn en gebeurtenis­sen, die later gebeuren. En wat komt er hier uit? Saul heeft bloedschuld op het land geladen omdat hij tegen de wil van God in de Gibeonieten heeft trachten uit te moorden. En daarom gaat David er naar toe om hen voor te leggen, hoe de zaak weer in het reine te brengen. Ze wisten het nog maar al te goed hoe het allemaal te werk gegaan was. Ze doen alsof ze niet hoeven van Israël. Maar dan zeggen ze: geef ons zeven afstammelingen, opdat wij die ophangen als verzoening van de zonden. En zo gebeurt het. Alleen Mefiboseth spaart David ter wille van zijn vriend Jonathan, en het verbond dat hij gesloten had. Mefiboseth blijft in leven. En zo gebeurt het dat de zeven worden opgehangen. En een groot grof doek wordt over hun lijken gelegd. Niemand komt er aan. En als David het hoort laat hij het gebeente van Saul en Jonathan halen en voegt het bij het gebeente van de anderen. En samen worden ze begraven in Jeruzalem. Wat een verhaal. En dan in vers 12: en de HERE ontfermde zich over het land. De zaak is weer in het reine.

De HERE kan weer verder en wij kunnen ook weer verder. Hij is een genadige God. Maar zonden moeten verzoend worden. Het is, geen zand erover. De zaak moet uitgesproken en uitgepraat worden en de consequenties worden ge­trokken. Daarna volgen de verhalen van de sterke Filistijnen, die door de man­nen van David worden gedood. Het zijn nog steeds de reuzen, met hun zware wapenrusting. Zij worden ook uitgenodigd om mee te doen met de strijd. Maar in vier gevallen worden ze gedood door de dappere mannen van David. Wat een lef moet je hebben om zulke sterke grote mannen, die kennelijk bestaan hebben, te durven doden. Maar het gebeurt. Het moeten dappere mannen ge­weest zijn.

2 Samuël 22:1-30

26 augustus [2]

22:3

mijn God, de Rots, bij wie ik schuil,…

22:4

Geloofd zij de HERE, roep ik uit;…

22:23

Want al zijn verordeningen stonden mij voor ogen…

22:27

jegens de reine toont Gij U rein,…

22:30

Met U immers loop ik op een legerbende in,
met mijn God spring ik over een muur.

Wat heeft David veel meegemaakt. Wat heeft hij in het nauw gezeten. Wat zij ze tegen hem tekeergegaan. Hij heeft vele oorlogen moeten voeren. Hij heeft moeten vluchten voor Absalom. Hij is onder de Filistijnen geweest. Wat een druk, wat een dreiging. Wat een vreselijke benauwdheid. Maar Hij heeft op God vertrouwd. God is zijn Helper, zijn Rots. God laat de donder rollen. God spreekt door de adem van zijn neus. De stormen waaien. De natuur spreekt. Hij jaagt grote legers op de vlucht. Hij kan wel een bedreiging voor je zijn. Het kan wel lijken of Hij er niet is, maar Hij is er wel. Hij zegent de rechtvaar­digen. Hij is bij hen die de rechtvaardigheid doen. Hij is de beschermer voor de zijnen. De vijanden kunnen wel tekeergaan. Ze kunnen je wel naar het le­ven staan, maar Hij is er altijd. Hij geeft je kracht. Dat is Davids zekerheid. Daar put hij kracht uit. Daar leeft hij voor. Dat brengt hem niet in de war.

De Here is groot. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Het kan wel lijken of de vijand de overmacht heeft. Maar een zucht van God en de vijand is niet meer. David haalt steeds de natuurelementen erbij. Daarin ziet hij Gods Al­macht. Het is geweldig om daaruit te leven. Wat een God hebben wij. Wat zijn we toch vaak kleingelovig. We denken dat het dan nooit meer goed komt. Dat onze kleine moeilijkheden eigenlijk het belangrijkste zijn in de hele wereld. We zijn dan zo met ons zelf bezig. Dat is een beperkt denken over God. Dat is God zien als iemand die zich naar onze denkrichting moet buigen. Als wij het niet snappen, waarom dit en waarom dat, dan geven we God de schuld. Wat had David dan reden om God steeds maar dingen kwalijk te nemen. David heeft ook wel zo zijn vragen aan God gehad. Waarom o God. Lees de psalmen er maar op na. Ze staan er vol van. Het is een aaneenschakeling van een roe­pen tot God. En daar gaat het om. Met al onze vragen roepen naar God. Het van Hem verwachten. Steeds weer opnieuw. En wat kan er niet gebeuren in je leven of in het leven van de ander of in deze wereld. We hoeven het nieuws maar te volgen. Maar David zegt: De Here is mij een lamp en de Here doet mijn duisternis opklaren. Met U immers loop ik op een legerbende in, met mijn God spring ik over een muur. Als we op God vertrouwen dan zien we de situatie vanuit de Almacht van God. Dan loop ik op een legerbende in, zegt David. Dat is klare taal. Dat is geloofsmoed. Want de pijlen van de tegenpartij staan gereed om je te doden. Maar ze doen je niets. Het kleine steentje uit de slinger van David doodt de reus eerder dan dat het zwaard David treft. Met mijn God spring ik over een muur. Niet te geloven. Maar het is waar. Wat een God. Hij regeert de krachten van de natuur. Hij regeert mijn leven, dwars door de dood heen. Glorie voor zijn Naam. David krijgt niet genoeg om God te prij­zen. Het is als in Psalm 18.

2 Samuël 22:31-51

27 augustus [2]

22:31

Gods weg is volmaakt;
des HEREN woord is zuiver.
Hij is een schild voor allen
die bij Hem schuilen.

22:41

Gij deed mijn vijanden mij de rug toekeren,…

22:44

Gij hebt mij bewaard om hoofd te zijn der natiën;
volken die ik niet kende, werden mij dienstbaar.

22:47

De HERE leeft. Geprezen zij mijn Rots,
en verhoogd zij de God mijns heils.

22:50

Daarom loof ik U, o HERE, onder de volken
en wil ik uw naam psalmzingen.

22:51

Hij schenkt zijn koning grote uitreddingen,
en betoont trouw aan zijn gezalfde,
aan David en zijn nageslacht voor altijd.

Gij bent dit en Gij bent dat. Gij zijt alles. Het gaat om God. Gods weg is vol­maakt. Des HEREN woord is zuiver. Hij is een schild voor allen die bij Hem schuilen. God doet het. Hij heeft alles in zijn hand. Wij begrijpen er misschien vaak niets van, maar het is echt waar. Het is op de HERE vertrouwen. Hij is de Getrouwe. Het gaat om wat Hij doet. David krijgt er niet genoeg van om op te sommen wat die God voor hem heeft gedaan. Het is niet David, die de over­winning op zijn vijanden behaalde. Het is de HERE die de overwinning gaf. David moest getrouw uitvoeren waar de HERE hem leidde. Natuurlijk moest hij de vijanden van God uitroeien. Hij moest geen voet geven aan het kwade. Hij bood weerstand tegen de zonde. Hij vertrouwde op God. En hoe vaak zijn de vijanden niet in de meerderheid geweest. Hoe vaak heeft David niet in het nauw gezeten. Hij had onder Saul maar zeshonderd man en wat voor mensen. Een samengeraapt zootje. Te gek. Het is te gek. Wat een God. God en ik zijn de meerderheid. God deed zijn vijanden hem de rug toekeren. God gaf hem volkeren in de macht, waar hij nog nooit van gehoord had. God doet het alle­maal.

Wat een geweldige houding in het leven van David. Zo moeten wij ook door het leven gaan. Dagelijks met God leven. Het van Hem verwachten en niet met twijfels of het wel zo zou zijn. Maar met volle zekerheid des geloofs. Niet, omdat wij dat kunnen, maar omdat God het doet. Hij wil ons in onze zwakheden helpen en nabij zijn. Hij laat ons nooit in de steek. Hij is een schuilplaats. En wat kunnen er niet een aanvallen zijn. Elke dag opnieuw. O Here, help. Dank U Here, dat U er bent. Als U er niet was, dan gingen mijn gedachten op de loop. Dank U voor dit loflied van David. Het is verschrikke­lijk, hoe vaak ik buiten uw denken val of dreig te vallen. Wat dom toch eigen­lijk, want het is veilig om bij U te schuilen. Here help mij om dat dan ook te doen. O Here kom mijn ongeloof te hulp. Dank U wel. Daarom loof ik U, o Here, onder de volken en wil ik uw Naam psalmzingen. Hij schenkt zijn ko­ning grote uitreddingen en betoont trouw aan zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht voor altijd. Wat een zicht op Messias Jezus, wat een zicht op het herstel van alle dingen. God zit op de troon. Hij vestigt zijn rijk van recht en gerechtigheid. Glorie voor zijn Naam. Halleluja.

2 Samuël 23:1-39

28 augustus [2]

23:2

De Geest des HEREN spreekt door mij,
zijn woord is op mijn tong;

23:3

Israëls God spreekt,
Israëls Rots zegt tot mij:…

23:4

hij is als het morgenlicht bij het opgaan der zon,
een morgen zonder wolken:…

23:12

een grote overwinning schonk de HERE.

23:17

En hij wilde het niet drinken.

23:20

Ook liet hij zich eens, op een dag dat er sneeuw lag, in een kuil zakken en doodde daarin een leeuw.

23:39

de Hethiet Uria; tezamen zevenendertig.

Het zijn de laatste woorden van David. Wat zou hij zeggen. De HERE is groot. Hij looft en prijst zijn God. Mijn Rots. De Geest des Heren spreekt door mij, zijn woorden zijn op mijn tong. God heeft mij een eeuwig verbond gege­ven. Dat is geweldig. Wat een grote daden heeft God bewezen aan David. Da­vid praat niet vanuit zichzelf, maar hij praat van God. Het gaat allemaal van God uit. Wij denken zo vaak vanuit onszelf en dan halen we God erbij. Of we denken wel aan God, maar kijken van onderen tegen Hem aan. Terwijl wij de zegen van boven moeten laten neerdalen op ons. We leven midden in een ge­weldige lichtstraal. Als het licht in de morgen. We leven vanuit God. We zijn uit Hem geboren. David heeft dat begrepen. Het is hem duidelijk geworden in zijn leven. Hij spreekt van zijn Rots. En de woorden van die Rots zijn op zijn tong. De Geest des HEREN spreekt door David. En die Geest des HEREN, die spreekt ook door ons. We moeten ons openstellen voor zijn Geest. Hoe gaat dat? Heel eenvoudig. Leven vanuit God. Hij heeft mij geschapen en dan heeft Hij er ook recht op, dat we uit Hem leven. Het is geweldig om dat te ontdek­ken. Want uit God kan alleen maar goeds voortkomen.

Dan zijn de vijanden er wel. Ook in Davids leven was het vol vijanden, steeds weer opnieuw. Dan hier en dan daar. Maar David bleef aan de kant van zijn Rots. Daar was het veilig te midden van de aanvallen. Het gaat er dan om, dat we niet mee gaan heulen met de vijand en de verkeerde kant kiezen, waar de dood opvolgt. Die dood kan direct zijn of uitgesteld, maar de dood is zeker. En de dood zal worden verslagen. Want we hebben de eeuwigheid. David spreekt over het eeuwig verbond, dat de HERE hem gegeven heeft. We heb­ben eeuwig leven. De dood heerst nu nog in ons sterfelijk lichaam, maar is overwonnen op het kruis van Golgotha. Daarom moeten we, mogen we, kun­nen we, bouwen op de rots Jezus. Geweldig. En David heeft zich wel moeten inspannen om de vijanden te verslaan. Je moet wel volharden, op je qui-vive zijn, niet de moed laten zakken, aandachtig leven. De woorden van God op je tong hebben. Dat is heerlijk.

Als je woorden van God op je tong hebt dan heb je ze in je hart, dan komt het in je leven. Dan word je leven bepaald door het woord van God. En dat zijn hele praktische dingen. Daar ga je enthousiast van worden. Dan ben je niet meer bang. Dat helpt. Daarom is het zo belangrijk om het woord van God te kennen. Eruit te lezen. Je met God te verheugen in zijn Woord. Het is geen boek. Het is een openbaring. Het is Gods openbaring in ons leven. We lezen niet een Bijbel. We leven de Bijbel. Hij komt naar ons toe als we de Bijbel lezen. Het is gemeenschap met Hem en zijn Woord hebben. Daarom is lezen van de Bijbel ook zo belangrijk. O Here God, help ons de Bijbel te lezen. Het is geweldig. Het is een voorrecht. Het is een zegen. We kunnen er niet genoeg van krijgen. Prijs de Heer.

En nu krijgen we aan het einde van Davids leven een opsomming van zijn hel­den. Je staat er versteld van. Dat was me een moed. Wie durft daar tegen in te gaan. Krachtige helden. David noemt er 37. Dat was een heel aantal. En wat hebben ze niet gedaan. Een heeft in een kuil een leeuw gedood. Een heeft een groot aantal Filistijnen gedood. En dan die drie mannen die met gevaar voor eigen leven water haalden uit de bron bij Betlehem, omdat David zo’n verlan­gen had. Dat was een waagstuk. En zo staat het leven van David vol van won­deren. Je moet ze maar eens op een rijtje zetten. God hecht er kennelijk waar­de aan om de helden te noemen. Op een rijtje te zetten. Hun getuigenissen op te schrijven. En ze aan ons te vertellen. Wij mogen dan ook in de kracht van God op de Rots gaan staan en vanuit de kracht van de Heilige Geest bidden. Here God, dank U wel voor uw woord. Dank U wel voor uw kracht. Dank U wel voor uw genade in mijn leven. Here, help mij, dat uw woorden op mijn tong zijn. Wat een dag hebben we weer in ons leven. We kunnen er niet ge­noeg van krijgen. Elke dag is Uw woord weer verrassend nieuw. We verlan­gen er al weer naar om het volgende te lezen. Wat lezen we eigenlijk weinig. we doen op deze manier twee jaar om door de Bijbel te komen. Dat is eigen­lijk veel te traag. Glorie voor zijn Naam.

2 Samuël 24:1-25

29 augustus [2]

24:1

De toorn des HEREN ontbrandde weer tegen Israël; Hij zette David tegen hen op…

24:4

dus gingen Joab en de legeroversten heen in opdracht van de koning om het volk Israël te tellen.

24:9

Israël telde achthonderdduizend krijgslieden die het zwaard konden voeren; en de mannen van Juda waren vijfhonderdduizend.

24:10

Maar David had wroeging, nadat hij het volk geteld had,…

24:12

kies u er één van; dan zal Ik dat over u doen komen.

24:13

Zal er zeven jaar hongersnood in uw land komen? Of wilt gij drie maanden vluchten voor uw tegenstanders, terwijl dezen u vervolgen? Of zal er drie dagen pest zijn in uw land?

24:15

en er stierven van het volk,… zeventigduizend man.

24:16

Genoeg! Laat nu uw hand zinken.

24:24

want de HERE, mijn God, wil ik geen brandoffers brengen, die mij niets kosten.

24:25

Toen liet de HERE Zich verbidden ten gunste van het land, en de plaag werd van Israël weggenomen.

Waarom de HERE zijn toorn liet ontbranden tegen Israël staat er niet bij. Er staat dat Hij weer toornig was. Het kwam dus vaker voor. Als het volk afweek en eigen wegen verkoos, dan werd de HERE toornig. En dan gebeurde er van alles. Hij zette David tegen het volk op. En David doet daar aan mee en ge­biedt een volkstelling. Waarom? We weten het niet. Joab is er tegen, maar Da­vid houdt vol en dan gaan ze op reis, negen maanden lang, om de volkstelling te doen. Maar dan ziet David in, dat hij verkeerd gehandeld heeft. Dat had nooit gemogen. God de HERE regeert en niet een machtig volk. Hij had nooit een volkstelling mogen doen. Dat was verboden en dat was ook vanzelfspre­kend. De HERE spreekt tot de profeet, die David die dingen voorhoudt. Alle drie moeilijk en erg. David kiest voor de pest in zijn land. Er sterven zeventig­duizend man. Maar als de engel des verderf voor Jeruzalem komt dan zegt de HERE God. Genoeg! Stop En het stopt. David is diep onder de indruk. Wat een God.

Wat een rechtvaardige God. We mogen geen loopje met Hem nemen. De straf is onherroepelijk. En dat is een eerlijke zaak. Wij zondigen toch. Wij gaan toch tegen God tekeer. En dan ook nog kwaad zijn, dat Hij ons in de steek laat en de straf en de duisternis over ons komt. Dat is niet eerlijk, Dan moeten we ons bekeren, dan kan Hij ons zegenen. God zegt David een altaar te bouwen op de dorsvloer van Arauna. David gaat. Hij kan de dorsvloer voor niets krij­gen, maar wil dat niet. Hij wil geen offers brengen van een andermans centen. En zo wordt het altaar gebouwd en wordt er aan de HERE geofferd. Het is de plaats waar de engel des verderfs vlak voor Jeruzalem door God werd gestopt met het brengen van de pest. Toen liet de HERE Zich verbidden ten gunste van het land, en de plaag werd van Israël weggenomen.

Prijs de HERE. De HERE laat zich verbidden. We hebben een God, die gebe­den wil worden. Die zich wil laten verbidden. Die komt, om de ongerechtig­heid te genezen. Wij hebben gezondigd. Wij hebben het laten gaan. O Here help. O Here vergeef. O Here redt. Het is toch geweldig. Wat een leven. We kunnen er enthousiast van worden. God haat de zonde. Hij wordt er toornig over. Hij laat de oordelen en de plagen komen. Dat is toch een duidelijke zaak. Daar moeten we ons van bekeren. En ook al geloven de mensen het niet. Dat doet niet ter zake. Wij weten waar we ons van moeten bekeren. Daarom roept Hij ons ook vandaag op om ons te bekeren. HERE Help. Here vergeef. Wat een genade. Wat een zegen. We krijgen er niet genoeg van. Prijs de HERE.