2 Corinthiërs 1:1-11

23 april [1]

1:2

genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus.

1:3

Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden en de God aller vertroosting,

1:4

die ons troost in al onze druk, zodat wij hen, die in allerlei druk zijn, troosten kunnen met de troost, waarmede wij zelf door God vertroost worden.

1:5

Want gelijk het lijden van Christus overvloedig over ons komt, zo valt ons door Christus ook overvloedig vertroosting ten deel.

1:6

Worden wij verdrukt, het is u tot troost en heil; worden we getroost, het is u tot een troost, die zijn kracht toont in het doorstaan van hetzelfde lijden, dat ook wij ondergaan.

1:7

En onze hoop voor u is wèl gegrond, want wij weten, dat gij evenzeer aan de vertroosting deel hebt als aan het lijden.

1:9

opdat wij niet op onszelf vertrouwen zouden stellen, maar op God, die de doden opwekt.

1:10

op Hem hebben wij onze hoop gevestigd,…

Dit is de volgende brief van Paulus en Timotheüs aan de Corinthiërs. Het be­gint met genade en vrede. Vervolgens gelijk een uiteenzetting over de heel diepe betekenis van het lijden. God wil ons troosten in onze druk. Hij is de God der barmhartigheden en der vertroosting. Daardoor kunnen wij ook ande­ren die in de druk zijn troosten. Want gelijk het lijden van Christus overvloe­dig over ons komt, zo ook overvloedig zijn vertroosting. Hij toont ons zijn kracht. Want wij hebben onze hoop op Hem gevestigd en die hoop is niet te­vergeefs. Hij schenkt ons vertroosting. Net zo zeker als wij deel hebben aan het lijden. Dat is de eeuwige vertroosting die alle verstand te boven gaat. Het is de vrede en de genade in Christus. Jezus heeft voor ons geleden. En Hij is opgestaan. Een dienstknecht staat niet boven zijn Heer, zei Jezus. Ze hebben Mij vervolgd, ze zullen ook u vervolgen. Kijk daar niet van op! Maar Ik zal altijd bij jullie zijn. Ik zal je niet als wezen achterlaten. Het is Gods liefde en kracht die in jullie harten is uitgestort, waardoor je staande kunt blijven in de donkere nacht van verdrukking en gevaar.

Niets kan je scheiden van de liefde van Christus. Romeinen 8, het slot. Paulus geeft daar een hele verhandeling, hoe het zit met het geheimenis van Jezus. Dat is een ondoorgrondelijke en vaststaande zekerheid die alle verstand te boven gaat. Maar het is een waarheid en een wijsheid Gods. De wereld zal je met de nek aankijken en meewarig het hoofd schudden, maar het is de waar­heid. Hij is de weg, de waarheid en het leven. Hij is de redding van de wereld. Hoe weten we dat? Dat is heel eenvoudig. Dat weten we door het Woord van God. Paulus en Timotheüs weten waarover ze spreken. Want ze zijn ten dode toe vervolgd. Ze hebben voor hun leven moeten vrezen. Maar God heeft hen beschermd. God heeft hen in de druk vertroost. God heeft hen niet losgelaten. Ze hebben hun hoop op Hem gevestigd en zijn ervan overtuigd dat God hen ook niet los zal laten. Ze gaan verder met Hem wat de weg ook brengen zal. Glorie voor zijn Naam!

Paulus begint deze brief wel zwaar. En nogal krachtig. Het is net alsof Paulus meteen met de deur in huis valt. Corinthe was een grote havenplaats met veel zonde en verderf. Het was er allemaal niet zo pluis. En de gemeente was ook niet zonder zonde. Er was heel wat valse leer binnengedrongen. Het was ook nogal een eigenzinnige stad en gemeente. Paulus had het in de vorige brief al luid en duidelijk gezegd. Maar er zullen ongetwijfeld eigenwijze betweterige en op eigen eer gestelde lieden weer kritiek hebben gehad op alles wat Paulus geschreven had. Paulus windt er geen doekjes om en zegt meteen hoe de vork in de steel zit. We zullen deze brief samen doorlezen en ontdekken wat er alle­maal aan troost en vermaning en opbouw door Paulus wordt geschreven. Het is elke keer weer een ontdekkingsreis. Elke keer als je leest, ontdek je weer nieuwe dingen. Glorie voor zijn Naam!

2 Corinthiërs 1:12-2:4

24 april [1]

1:12

dat wij in heiligheid en reinheid Gods,… in de genade Gods, in de wereld verkeerd hebben,…

1:14

dat wij uw roem zijn, evenals gij de onze op de dag van onze Here Jezus.

1:20

Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons.

2:3

Immers, ik vertrouw van u allen, dat mijn blijdschap ook uw aller blijdschap is.

2:4

Want in zware druk en beklemdheid des harten heb ik onder vele tranen u geschreven, niet opdat gij zoudt bedroefd worden, maar opdat gij de liefde zoudt kennen, die ik in overvloedige mate voor u koester.

Paulus heeft het moeilijk. Hij was van plan om nog langs Corinthe te gaan, maar hij heeft het niet gedaan. Waarom heeft hij het niet gedaan? Als ik het goed begrijp is hij niet gegaan, omdat hij in een brief hen nogal duidelijk heeft vermaand over de zonden die in de gemeente aanwezig waren. Het lijkt alsof hij daarop nog geen duidelijk of voldoende antwoord gekregen heeft, zodat, als hij naar Corinthe zou gaan, er veel twist zou kunnen ontstaan over zijn komst en zijn prediking. Het is niet dat je niet op de beloften, in God gedaan, aan kunt. Zo in de zin van: ze zeggen dat ze komen, maar ze komen niet. Neen, zegt Paulus heel nadrukkelijk, dat is absoluut niet het geval. Ja is ja bij God. Kijk maar naar de geboden. Waarom moet Paulus dit zo nadrukkelijk zeggen? Waarschijnlijk waren er mensen die al weer heibel begonnen te ma­ken dat Paulus niet kwam. Die daarover ook al weer tweedracht gingen zaaien. Zo in de trant van: zie je wel, zeggen dat je komt, maar niet komen. En dan de zaak breder trekken en zeggen: zo zit het nu met dat hele geloof van Paulus, niet te vertrouwen. Neen, Paulus kon niet komen, omdat hij bij hen niet nog meer droefenis wilde opwekken. Het gaat erom, dat zij in blijdschap zouden willen komen en dat hun blijdschap dan ook de blijdschap van de gemeente van Corinthe zou kunnen zijn. Want Paulus heeft geschreven met een be­zwaard hart. Het ging hem niet eenvoudig af om de dingen te schrijven, die hij moest schrijven .Dat schrijven had niet de bedoeling, dat ze bedroefd zouden worden, maar opdat ze de liefde zouden kennen en die zouden toepassen en ook in blijdschap voor elkaar zouden leven. Nu was er haat en nijd en ver­deeldheid. Daar kunnen we uitvoerig over lezen in de eerste Corinthiërsbrief. In bedekte termen, maar toch ook wel heel duidelijk, zegt Paulus, dat hij graag wil komen, als de gemeente maatregelen heeft genomen om hen, waarover hij bedroefd moet zijn, te vermanen. Zodat ze zich òf bekeren òf uit de gemeente vertrekken. Paulus heeft hen van harte lief. Maar die liefde stelt voorwaarden. Namelijk, de gehoorzaamheid aan het Woord van God en zijn geboden. En zijn geboden zijn liefde en gemeenschap. Daar past geen tweedracht bij. Als er tweedracht is, dan is de liefde van God zoek. En die moet hersteld worden, pas dan kunnen we weer verder. Het is allemaal heel herkenbaar. Het is eigen­lijk steeds weer zo simpel. Waar liefde woont, daar gebiedt de Heer zijn ze­gen. Daar woont Hij Zelf, daar wordt zijn heil verkregen en leven tot in eeu­wigheid.

Opnieuw zijn we bij het hart van het evangelie. We mogen en we moeten in de liefde blijven. Wat vallen we toch vaak uit de boot. We zijn zomaar in onze wiek geschoten, we kunnen het misschien nog wel inhouden, maar het meeste van het ergeren blijft in ons denken. Wat heeft de zonde een macht in het le­ven. Dat zien we aan alle kanten. De Bijbel hoefde niet zo dik te zijn, maar het kon niet anders. De zonde wordt op elke bladzij van de Bijbel blootgelegd. Daarom moet het woord liefde, liefde, liefde almaar herhaald worden. Er komt geen einde aan. Want Jezus is de vervulling van die liefde. Het gaat om roem en blijdschap in Hem. Het gaat om proclamerende, profetische prediking, dwars tegen de geest van de tijd in. Glorie voor de Naam van Jezus!

2 Corinthiërs 2:5-17

25 april [1]

2:5

Doch indien iemand droefheid veroorzaakt heeft,…

2:7

zodat gij nu integendeel hem vergiffenis moet schenken en hem vertroosten, opdat hij niet door overmatige droefenis overstelpt worde.

2:10

Wie gij nu iets vergeeft, die vergeef ik het ook;… opdat de satan op ons geen voordeel mocht behalen.

2:14

Maar God zij gedankt, die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren en de reuk van zijn kennis allerwegen door ons verspreidt,

2:15

want wij zijn voor God een geur van Christus onder hen, die gered worden en onder hen, die verloren gaan;

2:16

voor dezen een doodslucht ten dode, voor genen een levensgeur ten leven.

2:17

maar wij spreken in Christus uit zuivere bedoelingen, ja, op gezag van God en voor Gods aangezicht.

Het zal wel zo geweest zijn dat er in de gemeente van Corinthe mensen waren die Paulus en zijn werk zwart maakten en ook verkeerde leringen begonnen te prediken. Die moet je berispen. In de eerste Corinthiërsbrief hebben we daar over kunnen lezen. Paulus benadrukt hier dat als ze hem bedroefd hebben, dat dan in feite ook zij bedroefd zijn geworden. Wanneer de betrokken persoon of personen berispt zijn en ze hebben ingezien dat ze fout zijn, dan moet je hen ogenblikkelijk vergiffenis schenken en hen vertroosten. Ze mochten eens door droefenis en druk overstelpt worden. Paulus heeft ze dan ook vergeven. Want als de gemeente hen vergeeft, dan natuurlijk Paulus ook. Het gaat erom, dat alles weer in het reine komt met God. De mensen kunnen je van alles aange­daan hebben, maar als er berouw is, dan is er ook vergeving. Dan is er altijd weer een weg terug. Maar dan moeten we ook wel volkomen vergeven en niet in wrok blijven omzien. Je moet het zichtbaar maken ook. Hoe vaak blijft het dan toch een beetje hangen. Want er is dan wel schuld beleden, maar vaak is er geen overstelpende vergiffenis en vertroosting om weer geheel opgenomen te zijn en je opgenomen te voelen in de gemeente. Want als je ontdekt wat je eigenlijk hebt aangericht, dan heb je zelf de neiging om je schuldig te voelen en dat is terecht, maar ook om jezelf een beetje buiten te sluiten om wat je ge­daan hebt. Paulus begrijpt dat en zegt daarom zo duidelijk dat je vergiffenis moet schenken en vertroosting, want het kan toch zwaar blijven drukken. Wanneer je dat niet doet, dan kan het dat de duivel daar weer in gaat wroeten. Want hij zal het prachtig vinden als er toch iets blijft zitten. Neen, zegt Paulus, het is vergeven en dan is het ook helemaal weg.

Paulus reist de hele wereld rond. Wat een zegen. Wat een blijdschap. Hij ver­spreidt de geur van Christus. Want wij zijn voor God een geur van Christus. Wat een mooie uitspraak. Wij zijn mensen aan wie de mensen zien dat we van Christus zijn. Een Christen is herkenbaar, doordat hij doet wat Jezus zegt. Dat wat geurt, dat kun je niet missen. In tweeërlei opzicht voor hen die gered wor­den zijn we een geur ten leven, maar voor hen die verloren gaan zijn we een geur ten dode. Een doodslucht ten dode. Dat is nogal radicaal maar ook duide­lijk. Het gaat bij Jezus om de oproep tot bekering. Het gaat om het eeuwige leven of de eeuwige dood. We moeten dan ook die prediking brengen. Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. De tijd is vervuld. Ge­looft het evangelie. Het is een aandringen. Het is geen vrijblijvende keuze. Het is hel of hemel. Er is geen andere weg. En Paulus en Silas en Timotheüs en de anderen wisten daar alles van. Het evangelie is een wijsheid van God, maar het is dwaasheid voor de mensen. Daarom kunnen we en mogen we ook niets anders doen dan het evangelie van Jezus Christus en Dien gekruisigd brengen aan een wereld verloren in schuld. Dat is het mooiste wat je kunt doen. Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe. Heerlijk. Wat een evangelie. Het is het evangelie van de redding. Het is het evangelie van de liefde. Het is het evangelie van de genade.

Dat evangelie wordt gratis aangeboden. Je doet het niet om commerciële rede­nen. Er zijn er die het doen uit commercie, maar zo is het niet. Het heeft alleen zin als je het doet uit zuivere bedoelingen op gezag van God en voor Gods aangezicht. Als er soms mensen zijn die denken dat Paulus het om het geld doet, dan weten ze het nu. Glorie voor zijn Naam!

2 Corinthiërs 3:1-18

26 april [1]

3:2

Onze brief zijt gij, geschreven in onze harten, kenbaar en leesbaar voor alle mensen,

3:3

daar gij toont een brief van Christus te zijn, door onze dienst opgesteld, niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende God, niet op tafelen van steen, maar op tafelen van vlees in de harten.

3:4

Zulk een vertrouwen hebben wij door Christus op God.

3:5

maar onze bekwaamheid is Gods werk,…

3:8

hoe zal niet nog meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn?

3:9

veel meer is de bediening, die rechtvaardigheid brengt, overvloedig in heerlijkheid.

3:12

Nu wij zulk een verwachting hebben, treden wij met volle vrijmoedigheid op,…

3:14

omdat zij slechts in Christus verdwijnt.

3:16

maar telkens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen.

3:17

De Here nu is de Geest; en waar de Geest des Heren is, is vrijheid.

3:18

de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is.

Heerlijk, wat een prachtig openbarend stuk. Er was voortdurende strijd tussen de Joden en Paulus. Wat denkt deze nieuwlichter wel, deze Jezus-volger? Die Jezus hebben we toch gedood? Want Die ging tegen de wet in. Grote verwar­ring en de Romeinen wisten ook niet wat ze er mee aan moesten. Paulus had daar almaar mee te maken.

Paulus probeert in dit stuk uit te leggen, dat Messias Jezus de vervulling van de wet is. Het oude is voorbijgegaan, het nieuwe is gekomen. Messias Jezus is gekomen. Nu is niet meer de wet op stenen tafelen het uitgangspunt, maar Jezus, de levende steen. Zijn Geest woont nu in onze harten en maakt ons lees­bare brieven van Hem. Hoe groot moet dat niet zijn, want de oude bedeling ging al gepaard met onvoorstelbare heerlijkheid, hoeveel te meer nu. Nu Jezus door zijn Geest in ons wil wonen. Dat is je toch niet voor te stellen? Paulus kan er ook niet over uit. De Joden blijven vasthouden aan die oude bedeling. Er is een bedekking over hun aangezicht. Maar telkens als die weggenomen wordt, dan komt Jezus in hun leven. Dan gaan ze het ook zien. Het hele ver­bond van Mozes spreekt over de komst van de Messias. Ze zouden het hebben kunnen lezen, maar de bedekking weerhoudt. Daarom zien ze het niet. Maar waar de Geest des Heren doorbreekt, daar is vrijheid. Dat kun je zien aan de mensen die in die vrijheid leven. Wij weerspiegelen dan ook de heerlijkheid des HEREN. We gaan van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de HERE, die Geest is. Het kan niet op. Daar word je toch enthousiast van? Wat voel je je vrij. Je wordt niet meer geknecht door een wet. Je wordt niet meer gebonden door allerlei regels en rituelen. Neen, je bent in de vrijheid gesteld door Christus. Je wilt vanuit die vrijheid, die heerlijkheid die er in Jezus is, alleen maar die dingen doen die bij Jezus horen. En je wordt door de heerlijk­heid van Jezus ook ontdekt aan de dingen die wel en de dingen die niet bij Jezus horen. Het is een heerlijk vrij leven met Jezus. Je haat de zonde en wil in zijn heerlijkheid blijven. Hij geeft je daar door zijn Heilige Geest ook de kracht toe. Dat is het verschil met het wettische Jodendom. Daar is de druk en de dwang van de wet. Daar heerst niet de vrijheid van hun eigen Messias Jezus. Dat is de tragiek van het Jodendom tot vandaag aan de dag toe. Dat is ook de haat van de Joden tegen de christenen. Dat begon al meteen en dat gaat door tot vandaag aan de dag. Paulus is daar het extreme voorbeeld van. Hij vervolgde de gemeente ten dode toe, tot Jezus hem riep en hij een apostel voor de heidenen werd. Paulus wist als geen andere wat er gebeurt als die bedek­king weggenomen wordt.

2 Corinthiërs 4:1-15

27 april [1]

4:1

Daarom, nu wij deze bediening hebben, die ons door barmhartigheid is toevertrouwd, verliezen wij de moed niet,

4:2

maar hebben wij verworpen alle schandelijke praktijken, die het licht niet kunnen zien, daar wij niet met sluwheid omgaan of het woord Gods vervalsen, maar de waarheid aan het licht brengen en zo bij elk menselijk geweten onze eigen aanbeveling zijn voor het oog van God.

4:3

Indien dan nog ons evangelie bedekt is, is het bedekt bij hen, die verloren gaan,

4:4

ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is.

4:5

Want wij prediken niet onszelf, maar Jezus Christus als Here, en onszelf als uw dienaren om Jezus’ wil.

4:6

Want de God, die gesproken heeft: Licht schijne uit het duister, heeft het doen schijnen in onze harten, om ons te verlichten met de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus.

4:7

Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, zodat de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van ons:

4:8

in alles zijn wij in de druk, doch niet in het nauw; om raad verlegen, doch niet radeloos;

4:9

vervolgd, doch niet verlaten; ter aarde geworpen, doch niet verloren;

4:10

te allen tijde het sterven van Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus zich in ons lichaam openbare.

4:11

Want voortdurend worden wij, die leven, aan de dood overgeleverd, om Jezus’ wil, opdat ook het leven van Jezus zich in ons sterfelijk vlees openbare.

4:12

Zo werkt dan de dood in ons, doch het leven in u.

4:13

Maar nu wij dezelfde Geest des geloofs hebben, gelijk geschreven staat: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken, geloven ook wij, en daarom spreken wij ook.

4:14

Immers, wij weten, dat Hij, die de Here Jezus opgewekt heeft, ook ons met Jezus zal opwekken, en met u vóór Zich stellen.

4:15

Want het geschiedt alles om uwentwil, opdat de genade toeneme en door steeds meerderen overvloediger dank worde gebracht ter ere Gods.

Dit stuk zou je uit je hoofd moeten leren. Het is zo’n krachtige samenvatting van het evangelie. Je gaat in het licht met Jezus wandelen. Je wilt niet anders dan in het licht wandelen. Je krijgt de woorden toevertrouwd. Je legt alle zon­den af. Je verliest de moed niet. God heeft door Jezus Zijn licht in onze duiste­re harten laten schijnen. Hij doet het. Maar we hebben deze schat in aarden vaten. Want het is zijn kracht. Het komt van Hem. Het is genade. En wee je gebeente als je denkt om daar zelf ook maar iets aan af of toe te kunnen doen.

We kunnen ons wel in de druk voelen. En dat is eigenlijk ook het normale christelijke leven. Want ons lichaam is aan de dood en de zonde onderworpen, maar Gode zij dank, we zijn in Christus een nieuwe schepping en met Hem opgewekt in het nieuwe leven. Want Hij zal ons met Hem opwekken ten jong­ste dage en voor Zich stellen. Kunnen we ons dat voorstellen? Dat is onze be­stemming. En God wil daar nog veel meer mensen aan toevoegen. Daarom moeten we leesbare brieven van Jezus zijn. Dat zal de mensen aantrekken. Daar zullen ze op af komen. Daar willen de mensen meer van weten. Dat is de bedoeling. Prachtig. Glorie voor zijn Naam!

Het is fantastisch wat Paulus hier schrijft. Daar kunnen we voor altijd van ge­nieten. Dat moeten we lezen als we het niet helemaal zien zitten. Dan kunnen we weer ontdekken hoe de vork werkelijk in de steel zit. Je kunt er niet onder­uit. We zien dan ook enerzijds onze nietigheid voor God. Dat we ook niet an­ders kunnen dan door Hem gered te worden, maar aan de andere kant zien we tegelijkertijd de macht en de majesteit van God. Want het is toch niet voor te stellen dat wij met Jezus opgewekt worden in het nieuwe leven. Terwijl dat juist onze bestemming een eeuwige bestemming is. Dat is genade. Dat is lief­de. Dat is perspectief. Ga met God, dan ga je goed!

2 Corinthiërs 4:16-5:10

28 april [1]

4:16

Daarom verliezen wij de moed niet, maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd.

4:17

Want de lichte last der verdrukking van een ogenblik bewerkt voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid,

4:18

daar wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig.

5:1

Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis.

5:2

Want hierom zuchten wij: wij haken er naar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden,

5:3

als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden.

5:4

Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden.

5:5

God is het, die ons juist dáártoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft.

5:6

Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij, zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in de vreemde zijn –

5:7

want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen –

5:8

maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen.

5:9

Daarom stellen wij er een eer in, hetzij thuis, hetzij in den vreemde, Hem welgevallig te zijn.

5:10

Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

Dit is het vervolg op het vorige stuk. Hebben we ook maar helemaal overgeno­men. Het is fantastisch. Je wordt er zo enthousiast van. We leven wel hier en de aardse tent vervalt en we leven in de druk. En er is van alles wat niet vol­maakt is. De zonde kleeft aan ons sterfelijk lichaam. Wat kunnen we zuchten. Maar we zúllen bekleed worden met heerlijkheid. We zúllen met Jezus zijn. We verlangen ernaar om met Hem te zijn. Naarmate we ouder worden, ervaren we het ook meer en meer. Doch de innerlijke mens wordt van dag tot dag ver­nieuwd. Je wordt als het ware jonger in je innerlijk als je ouder wordt met je lichaam. Dat is een geheim. Dat is een zegen. Dat helpt je ook om staande te blijven in de pijn van het sterfelijke lichaam. Want je weet dat je iets onvoor­stelbaar beters te wachten staat. Dat weegt niet op tegen het lijden en de afta­keling die je in dit leven kunt meemaken. En wat is er niet een aftakeling in dit leven. Eigenlijk is de aftakeling in dit leven het bewijs dat het hier op aarde niet is. Dat we moeten worden uitgetild naar een hoger plan van heerlijkheid en eeuwig leven. Dat de zonde en de dood niet bij de mens horen. Wat een el­lende. Daarom willen we ook de HERE welgevallig zijn, want we weten wat ons wacht. Daarom willen we dat ook aan de andere mensen vertellen. Daar­om is dit stuk een geweldig rustgevende en bevrijdende evangelie boodschap, vooral voor hen die het niet zien zitten. Houd je vast aan deze woorden. Soms misschien tegen eigen denken en voelen in. Hij verlaat je niet. Want Hij is op­gewekt uit de dood, omdat Hij in zijn sterfelijk lichaam Zelf heeft ervaren hoe vreselijk het is om de zonde te dragen van de gehele wereld. Dat mogen we geloven. Dat moeten we geloven. Dat is de waarheid. En die waarheid mogen we niemand onthouden. Daar mogen we samen uit leven en ons enthousiast over maken. Glorie voor Jezus! Wat een reddend evangelie. Grijp toch de kansen door God u gegeven!

2 Corinthiërs 5:11-21

29 april [1]

5:11

Daar wij dan weten, hoezeer de Here te vrezen is, trachten wij de mensen te overtuigen;…

5:14

Want de liefde van Christus dringt ons,

5:15

daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven is.

5:17

Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen.

5:18

En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der verzoening gegeven heeft,

5:19

welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd.

5:20

Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God, door onze mond u vermaande; in naam van Christus vragen wij u: laat u met God verzoenen.

5:21

Hem, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem.

We hebben te maken met een heilig God. Een God Die zeer te vrezen is. Wij moeten deze God bij de mensen bekend maken. Hij is een God van liefde en van gerechtigheid. Hij heeft zijn Zoon Jezus gezonden, om de zonden van de wereld te verzoenen. Dat moeten wij dan de mensen vertellen. De zonde is in de wereld gekomen. God weet er alles van. Hij werkt om alles weer te herstel­len, zoals het van den beginne geweest is. Daarom gaat Paulus de wereld rond om dat aan de mensen te proclameren. Niets meer en niets minder. De HERE is groot. Hij wil dat alle mensen behouden worden en dat niemand verloren gaat. Hij is voor ons allen gestorven.

Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen. We zijn geen meer mensen die naar het vlees le­ven, maar naar de Geest. Dat is een groot geheim. Dat is het ambt der verzoe­ning. De verzoening is in de wereld gekomen, omdat Eén voor allen gestorven is. Hij heeft ons het Woord der verzoening toevertrouwd. God zond zijn Zoon in de wereld om de wereld met zichzelf verzoenende, ons de overtredingen niet toerekenend.

Wij zijn dan gezanten van Christus. Wij proclameren die boodschap. Wij roe­pen dus op en zeggen: Laat u verzoenen met God. Door Jezus Christus, door Wie wij worden tot gerechtigheid Gods met Hem. Dat is het grote verhaal. Dat is de centrale boodschap. Dat kunnen we niet genoeg door de van mond tot mond, in druk, in de ether, op internet, enz. proclameren. Dat kunnen we niet genoeg herhalen. Dat moet op alle hoeken van de straten klinken. Dat is waar Paulus en de zijnen vol van zijn.

Helaas zijn er ook in de gemeente van Corinthe mensen die daar aan twijfelen, die allerlei rare dingen van Paulus zeggen, die het allemaal niet zo precies ne­men, die tweedracht zaaien. Paulus beveelt zich niet opnieuw bij hen aan. Ze hebben zich ook niet aan te bevelen. Hun aanbeveling is het Woord van God. Dat is de vrucht van de prediking. Dat moet ons steeds voor ogen staan. De mensen kunnen wel van alles over je zeggen. Maar jij moet je steeds realise­ren dat je een gezant bent van Christus die niets anders hoeft te doen dan de Naam van Jezus te proclameren. Je hoort je dan de schande van de wereld niet aan te trekken. Want daar komt de tegenstand vandaan. Die zullen almaar pro­beren je belachelijk te maken. Want zij die God niet kennen, begrijpen hele­maal niets van dat verhaal. Die denken dat je gek bent. Die willen alleen maar geloven wat ze kunnen verklaren. Ook al weten ze dat er heel veel is dat ze niet kunnen verklaren. Daarom is het zo belangrijk om in alle rust te blijven bij wat God aan je heeft toevertrouwd. Jezus is als een mens voor allen gestor­ven om de wereld met zichzelf verzoenende, de zonden niet meer aan te reke­nen aan de mens, maar door de verzoening, vergeving van zonden aan te bie­den. Laat je dus met God verzoenen is de centrale boodschap. Het is het mooi­ste wat er in je leven kan gebeuren. Daar kan ik van mee getuigen. Het is een wonder. Het is genade. Want als je op jezelf ziet, dan is er niets waar je op kunt roemen.

2 Corinthiërs 6:1-7:1

30 april [1]

6:1

Maar als medewerkers (Gods) vermanen wij u ook de genade Gods niet tevergeefs te ontvangen,…

6:2

zie, nú is het de tijd des welbehagens, zie, nú is het de dag des heils.

6:4

maar wij doen onszelf in alles kennen als dienaren Gods;…

6:7

in ongeveinsde liefde, in de prediking van de waarheid, in de kracht Gods; met de wapenen der gerechtigheid in de rechterhand…

6:12

bij ons vindt gij niet te weinig ruimte, maar in uw binnenste is het te eng.

6:13

gij moet ook ruimer worden.

6:14

Vormt geen ongelijk span met ongelovigen,…

6:16

Wij toch zijn de tempel van den levende God,…

7:1

Daar wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoedelingen des vlezes en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken, in de vreze Gods.

Paulus komt nu dichter bij de problemen in Corinthe. Opnieuw put hij zich uit om duidelijk te maken dat zij niet gekomen zij om zichzelf op de voorgrond te zetten of in eigen kracht dingen naar hun hand te willen zetten. Niets anders dan de oproep om je met God te verzoenen drijft hen. Hoe ze dan behandeld zijn geworden op al hun tochten, dat is vreselijk. Paulus geeft een opsomming. Je zult het maar meemaken. Maar daar gaat het hem allemaal niet om. Hij wil alleen maar de kracht Gods prediken. De prediking der waarheid, de gerech­tigheid Gods. Met vuur en volharding. En nu komt het eruit. Paulus is niet te eng. Zijn boodschap is niet te bekrompen. Bij Paulus, bij Jezus, is alle ruimte, is alle vrijheid, maar in het hart van de Corinthiërs is het eng. Zij moeten ook ruimer worden. Zij moeten geen gemeen span maken met hen die uit de we­reld zijn. Wij zijn niet te eng, zegt Paulus, maar als je je met de wereld wilt bezighouden dan ben jij te eng. Er is geen gemeenschappelijke grondslag voor de tempel Gods en de afgoden. Wat waren er niet een afgoden in de dagen van Paulus. De stad was er vol van. En er was natuurlijk allerlei verkeer tussen ge­lovigen en ongelovigen. Maar Paulus zegt: Pas op. Er is een exclusieve bood­schap van waarheid en vrijheid, dat is de boodschap van Jezus Christus en Dien gekruisigd. Er kan geen gezamenlijk fundament zijn. Er is een radicale scheiding, wat dat ook voor gevolgen heeft. De Bijbel staat daar vol van. Scheidt u af van de afgoden. Daar waar er vermenging is, gaat het altijd mis. Daar staat de Bijbel ook vol van. De conclusie is dan ook heel duidelijk. Daar wij nu deze beloften bezitten, geliefden, laten wij ons reinigen van alle bezoe­delingen des vlezes en des geestes, en zo onze heiligheid volmaken in de vreze Gods. Herkennen we dat? Kunnen we dat ook op onszelf toepassen? Hoe pro­beren de moderne afgoden van onze eeuw ons niet steeds van de reinheid in Christus af te trekken. We gaan daar ook vaak onder gebukt. Wat laten we niet in ons hart, onze ogen en onze oren en gedachten binnendringen wat niet van God is. Bekeer je! Reinig je! Volkomen worden in de vreze Gods. Dat bete­kent dat je je afwendt van deze dingen. Daar gaat het om. Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht. En proclameer de waarheid van Jezus. Als de mensen niet aan ons kunnen zien dat we uit God zijn, hoe kunnen we ze dan ooit van Jezus vertellen? Wij zijn zelf het anti-getuigenis van wat we denken dat ze zouden moeten aannemen. Want zij die niet geloven, voelen haarscherp aan wat wel van Jezus is en wat niet van Jezus is. Het is juist het onderscheid tus­sen licht en duisternis die de boodschap van het licht zo scherp naar voren brengt. En de duisternis weet loepzuiver waar de breuklijnen tussen licht en duisternis liggen.

2 Corinthiërs 7:2-16

1 mei [1]

7:3

dat wij met u zouden willen sterven en leven.

7:8

Want al heb ik u door mijn brief bedroefd, ik heb er geen spijt van.

7:10

Want de droefheid naar Gods wil brengt onberouwelijke inkeer tot heil…

7:16

Het verblijdt mij, dat ik in elk opzicht over u gerust kan zijn.

Paulus had met zijn brief heel wat losgemaakt in de gemeente van Corinthe. Ze waren er boos over geworden. Er was verdeeldheid ontstaan. Paulus is blij dat ze er bedroefd over zijn geworden. Want hij heeft de brief niet geschreven om het hart van de mensen die verkeerd wilden gaan te paaien. Neen, hij had het voornemen om luid en duidelijk de liefde en de gerechtigheid van Jezus te prediken. Hij heeft dan ook geen spijt van de brief, omdat er droefheid is ont­staan. Want als er droefheid in God ontstaat, dan komt daar berouw uit voort en heil. Dan worden dingen, die verkeerd waren, opgeruimd en dan wordt her­steld wat stuk was. Dan is er vreugde. Dan is er weer begrip. Dan is de strijd gestreden en zij die willen strijden, die worden uitgedreven. Het gaat om de droefheid in God.

We weten niet precies wat er allemaal aan de hand was. In de eerste Corinthe­brief hebben we wel veel kunnen lezen. Het was niet zo best. Paulus houdt hen het Woord voor. Hij spreekt in de autoriteit van God. Hij is gezant van God. Hij is niet gekomen om een evangelie te brengen, dat naar het hart van de mensen is. Neen, hij is geroepen om het Woord der waarheid te brengen. En die waarheid duldt geen gemeenschap met de leugen. Het is òf zwart òf wit. Het is hemel of hel. Het is leven of dood. Het is God of de duivel. Dat klinkt allemaal nogal scherp. Maar het is een bevrijdende waarheid. Wie zou er nu bij de dood, de hel of de duivel willen horen? Toch zeker niemand? Nou, dan moet je het ook heel goed onderscheiden. En geen vermenging of compromis­sen dulden. Dan gaat het altijd verkeerd. Want waar duisternis is, daar kan het licht geen gemeenschap hebben. Het is juist zo, dat het licht de duisternis ver­drijft. Daarom is een absolute scheiding tussen licht en duister beslist een ver­eiste om recht te blijven staan in het Woord der waarheid. Laat je duisternis toe in je leven, dan raak je het spoor kwijt, dan wordt het schemering, dan wordt het diffuus, dan wordt het steeds donkerder. Pas dus op!

Paulus is naar de Corinthiërs heel duidelijk geweest. En dat is maar goed ook. Ook wij kunnen daar vandaag aan de dag uit leren. Want hoe is het met ons gesteld? Het Woord van God is levend en krachtig. Het Woord van God is eer­lijk. Het Woord van God geeft scherp aan, waar het op aan komt. Het geeft weer, de scherpe scheiding tussen licht en donker. Want niemand kan ontken­nen dat er veel duisternis, veel zonde, veel haat en nijd in de wereld is. We hebben er allemaal mee te maken. Het zit in ons aller hart. We moeten het dan ook onderscheiden. En de toets voor de onderscheiding is het Woord van God. Paulus roept ons dus op om de dingen niet onduidelijk te zeggen. Ontmasker de zonde. Hoe hard en moeilijk het ook kan zijn. Want tegenstand en droefe­nis kan alleen maar leiden tot de keuze om terug te keren tot de God, de Weg van het licht. En wil je toch volharden in het kwade, dan weet je in ieder geval dat je eenmaal opgeroepen bent om de weg van het licht, van de waarheid in te slaan. We hebben behoefte aan krachtige, duidelijke prediking. We hebben be­hoefte aan opwekkingsboodschappen, die de mensen de weg wijzen naar het licht van God. We hebben behoefte aan boodschappen die de mensen de weg wijzen om terug te keren en zich om te draaien, zich te bekeren. Uit de weg van de dood naar de weg van het leven. Glorie voor zijn Naam!

2 Corinthiërs 8:1-15

2 mei [1]

8:2

hebben hun overvloedige blijdschap en diepe armoede nog overvloedig de rijkdom van hun mildheid bevorderd;…

8:7

zo weest dan ook in dit liefdewerk overvloedig.

8:9

dat Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden.

8:14

maar uit het oogpunt van billijkheid kome uw overvloed voor het ogenblik hun gebrek ten goede, opdat hun overvloed wederkerig uw gebrek ten goede zou komen en er zodoende gelijkheid zij, zoals er geschreven staat: die veel (verzameld had), had niet over en die weinig (verzameld had), had niet te kort.

Het gaat hier over geven. Het geven is geen moeten. Het is alleen maar een blijk van dankbaarheid jegens wat de HERE aan genade gegeven heeft in het geloof. Ook al ben je arm, maar als je rijk geworden bent in Christus, dan wil je alleen maar geven. Dan wordt de rijkdom in Christus je maat. Je bent niet meer gebonden aan aardse dingen, maar je doet alles om de liefde van Chris­tus mogelijk te maken voor anderen, dat zij ook mogen delen in de rijkdom van Christus. Paulus heeft dat ervaren in de rijkdom van de Macedoniërs. Zij hadden niets, ze waren arm, maar hielpen de bediening toch voort. Zo ziet hij het ook voor de Corinthiërs die kennelijk over meer financiële mogelijkheden beschikten. Hij roept hen op om hun liefde in Christus ook op deze manier te laten blijken. Hij heeft ervaren dat ze de wil er wel toe hadden. Maar dat het nu ook aankomt op het uitvoeren. Dan zou dat ook ten goede kunnen komen aan hen die gebrek lijden. Want de overvloed van de een is een zegen voor ander en omgekeerd. Want wie nu gebrek heeft, kan een andere keer wel over­vloed hebben. En dan gaat het erom, dat we met elkaar delen, omdat we alle­maal gelijk zijn en allemaal overvloed hebben. Net zoals in de woestijn met het manna. De een had niet meer dan de ander; ze hadden allemaal genoeg. En dat was het uitgangspunt in financieel en voedselopzicht vanuit het plan van God.

In Gods plan is er geen armoede onder de mensen. Ze delen en in dat delen heeft ieder genoeg. Dat is ook het principe dat vandaag aan de dag moet gel­den. Dat zijn we kwijt geraakt; we hebben rijke mensen en arme mensen. De rijken worden steeds rijker en de armen worden steeds armer. Er heerst een wereldwijde kapitalistische geest waar je akelig van wordt. Zo is het bij God niet. We mogen delen vanuit onze rijkdom. Dan haalt Paulus het voorbeeld van Jezus aan. Hij was rijk, maar is arm geworden om met ons zijn liefde en leven te kunnen delen en ons door zijn dood het eeuwige leven te schenken. Wat is het principe van de Bijbel toch onvoorstelbaar diep en simpel. Hij gaf zijn leven voor ons. Zouden wij, uit dankbaarheid, ons leven ook niet met Hem delen en hen die behoeftig zijn helpen vanuit dat wat wij overvloedig hebben? Je kunt zelfs delen in je armoede. Het gaat niet om arm of rijk, maar om de gezindheid om vanuit de liefde en genade van Jezus ontvangen, te delen dat wat je hebt. Je hebt het per slot van rekening ook alleen maar gekregen.

Wat opnieuw een rijke les om jezelf voor te houden en aan anderen door te geven. Het rijke christelijke westen heeft een onvoorstelbare taak op zich om de wereld van de armoede te helpen; om hen te redden van de ondergang en de armoede. Er zou een heel nieuw systeem van liefdadigheid moeten zijn: het bijbelse systeem! Heel simpel.

2 Corinthiërs 8:16-24

3 mei [1]

8:16

Maar God zij gedankt, die dezelfde toewijding voor u in het hart van Titus geeft,…

8:20

Hierdoor voorkomen wij verdachtmaking bij deze overvloedige opbrengst, die door onze handen gaat;

8:21

want wij zijn bedacht op hetgeen behoorlijk is, niet alleen voor het oog des Heren, maar ook voor dat der mensen.

8:23

Enerzijds, wat Titus betreft, hij is mijn medestander en mijn medewerker bij u, anderzijds zijn onze broeders afgevaardigden der gemeenten en een eer van Christus.

8:24

Geeft hun dus voor de ogen der gemeenten het bewijs van uw liefde en van ons roemen over u.

Hoe zit het allemaal precies? Het was kennelijk wel nodig dat Paulus al deze gewone dingen over zijn medewerkers moest schrijven. Wat was er toch aan de hand? Wilden ze Titus niet ontvangen? Zagen ze hem niet zitten? Was Titus met slechte berichten teruggekomen? Wilden ze alleen maar Paulus er­kennen? Wilden ze ook de broeder die meekwam niet erkennen? Paulus put zich uit om hen uit te leggen dat het zijn medewerkers zijn en dat ze hen ook moeten eren in hun gemeente en bij andere gemeenten.

Ze komen kennelijk ook de collecte ophalen. En daarom is het ook goed dat ze samen zijn. Want Paulus wil zorgvuldig handelen als het om geld gaat en ze­ker bij deze Corinthiërs. Ze gaan samen. Hij beveelt de afgevaardigden dan ook met klem bij hen aan. Zij zijn medewerkers en medearbeiders in de wijn­gaard van de Heer. Het geeft geen pas om alleen maar de hoofdprediker te eren en zijn knechten maar te laten ploeteren met een weerbarstige gemeente. Zo gaat het ook vaak in de praktijk. Vaak ziet men tegen de voorganger op. Die moet alles doen. Die zien ze zitten. Als andere ambtsdragers langskomen dan is het allemaal niet zo echt. Dan willen we daar nog wel eens om heen lo­pen. Maar daar klopt niets van. Het gaat erom dat we de ambtsdragers dubbele eer waardig achten en hen ontvangen als kwam Jezus Zelf op bezoek. Ze zijn immers ambtsdragers vanuit de liefde van Jezus. En daar waar Jezus binnen­komt, daar moeten we met eerbied en ontzag reageren en een geest van ge­hoorzaamheid laten zien. Daar ontbreekt het nog wel eens aan. Maar dat is wel de weg van de liefde en het erkennen van Gods gezag. Daar gaat het om.

Het is een voorrecht om een ander de liefde en genade van de Here Jezus bij te brengen, zoals we hier Paulus en Titus. Het is een grote vreugde als je je kin­deren en anderen in jouw voetspoor van de vreze des HEREN ziet wandelen.

2 Corinthiërs 9:1-15

4 mei [1]

9:5

Ik achtte het dus noodzakelijk de broeders op te wekken, van te voren tot u te gaan en uw vroeger toegezegde milde gave vooraf in gereedheid te brengen, zodat zij klaar ligt als een milde gave en niet als een afgeperste gift.

9:6

(Bedenkt) dit: wie karig zaait, zal ook karig oogsten,…

9:7

Een ieder doe, naardat hij zich in zijn hart heeft voorgenomen,… want God heeft de blijmoedige gever lief.

9:9

Hij heeft uitgedeeld, aan de armen gegeven, zijn gerechtigheid blijft in eeuwigheid.

9:10

en het gewas uwer gerechtigheid doen opschieten,…

9:12

maar het is ook overvloedig door vele dankzeggingen aan God.

9:13

Want door dit duidelijk blijk van hulpbetoon prijzen zij God om uw gehoorzaam belijden van het evangelie van Christus en om uw onbekrompen delen met hen en met allen,

9:14

terwijl zij ook in hun gebed het verlangen naar u uitspreken om de buitengewone genade Gods, die op u rust.

9:15

Gode zij dank voor zijn onuitsprekelijke gave!

Een heel hoofdstuk over een collecte. Het was kennelijk nodig. De gemeente had een gave toegezegd. En Paulus stuurt nu een delegatie om dat ook waar te maken. Het is beter om dat nu te doen, omdat dan aan de Macedoniërs zal blij­ken dat wat door de gemeente van Corinthe is toegezegd, ook werkelijk komt. Paulus is daar nogal direct in. Hij legt de nadruk op: wie karig zaait, ook karig zal oogsten. Het gaat dus om het mild en overvloedig geven. De HERE heeft de blijmoedige gever lief. Doe het dus vooral ook niet tegen je eigen wil in. Want dan kan er geen zegen op rusten. Het gaat erom dat je met je hart geeft. En geef je met een blijmoedig hart, dan zal de vrucht ook blijken. Dan gaat het in de wil van de Heer. Dan word je zelf gezegend, maar ook de ander wordt gezegend. Let maar op. Zo werkte het. En zo werkt het vandaag aan de dag nog.

Dit dienstbetoon, deze hulp, geeft ook lofprijzing bij God, zowel bij de geven­de als de ontvangende partij. Het gaat er om, dat hoe dan ook de Naam des HEREN geprezen en geloofd wordt. Ook zal de ontvangende partij gebeden opzenden van dank en zegen aan de gevende gemeenten. Het gaat dus eigen­lijk helemaal niet over geld, maar over liefde. Het geld is maar een middel om de liefde tot elkaar tot uiting te brengen. Het gaat om de onderlinge hartsrela­tie waardoor er meer ontstaat dan alleen maar een financiële gift. Gode zij dank voor zijn onuitsprekelijke gave.

2 Corinthiërs 10:1-11

5 mei [1]

10:2

ik zou (u) echter willen vragen, dat ik bij mijn komst geen groot woord zal moeten hebben…

10:5

zodat wij de redeneringen en elke schans, die opgeworpen wordt tegen de kennis van God, slechten, elk bedenksel als krijgsgevangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus,…

10:11

Laat, wie zo iets zegt, bedenken, dat wij van dichtbij, als het op daden aankomt, zó zijn, als wij uit de verte door onze brieven spreken.

Het zal voor Paulus niet meegevallen zijn om deze brief te schrijven. Volgens mij was er wel grondig veel mis in de gemeente in Corinthe. Maar Paulus gaat er ook niet omheen. Kennelijk is hij in de gemeente zelf eerder schuchter dan dat hij zijn stem opheft. Maar in de brieven is hij directer en scherper. En dat is de mensen in Corinthe ook opgevallen. Paulus spreekt de hoop uit dat, als hij komt, dat hij dan geen groot woord hoeft op te zetten tegen zijn tegenstan­ders. Want de Paulus van de brieven is dezelfde als de Paulus als hij komt.

Hij roept op om niet met vleselijke wapenen te vechten. Want het gaat niet om het vleselijke, maar het gaat om het geestelijke. De brieven van Paulus zijn dan ook niet zo scherp, omdat hij op eigen eer uit is, maar hij spreekt vanuit zijn bevoegdheid en gezag van Christus. Daar moeten de Corinthiërs op letten, want doen ze dit niet, dan blijft alleen maar een boze Paulus over, die ze, als hij komt, met huid en haar kunnen aanpakken. De Corinthiërs zijn dus op de gevaarlijke weg. Hoe heeft het zover kunnen komen?

Het gaat erom, dat elk bolwerk dat tegen de HERE is opgeworpen door de kracht van de Geest geslecht moet worden. Alle menselijke redeneringen moe­ten worden ontmaskerd. Alleen de exclusieve waarheid van God moet klinken. En wie daar niet aan mee wil doen, of dit wil tegenwerken, die krijgt het aan de stok met Paulus. Want Paulus weet niet anders te prediken dan Jezus Chris­tus en Dien gekruisigd.

2 Corinthiërs 10:12-11:6

6 mei [1]

10:13

Wij daarentegen zullen in ons roemen de perken niet te buiten gaan, maar binnen de perken van de regel, die God ons als beperking gesteld heeft, ook u bereiken.

10:17

Maar wie roemt, roeme in de Here;

10:18

want niet wie zichzelf aanbeveelt, doch wie van de Here een aanbeveling ontvangt, heeft de proef doorstaan.

11:2

om u als een reine maagd voor Christus te stellen.

11:3

Maar ik vrees, dat… uw gedachten van de eenvoudige (en loutere) toewijding aan Christus afgetrokken zullen worden.

11:4

of een ander evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, dan verdraagt gij dat zeer wel.

11:6

Ben ik dan al onervaren in het spreken, in kennis ben ik het niet, maar wij hebben die alleszins en in alle opzichten bij u openbaar gemaakt.

Het gaat maar verder. Je wordt er eigenlijk beroerd van. Wat denken die Corinthiërs wel, wie Paulus is. Ze proberen hem te kleineren. Ze proberen hem te verwijten dat hij op eigen eer uit is. Maar Paulus houdt ze een spiegel voor en herhaalt dat hij niet op eigen eer maar op de eer van God uit is. En dat beveelt hij ook bij hen aan. Als je dan wilt roemen, dan roem je in de HERE en niet in je eigen eer. Paulus waakt met de ijver van God over hen. Hij heeft hen aan één man, dat is Jezus Christus, verbonden om hen als een reine maagd voor te stellen. Maar wat gebeurt er? Als er anderen komen, die een ander evangelie brengen, dan sluiten ze niet de deur voor zulke nieuwlichters, maar dan geven ze er gehoor aan. En dat kan niet. Want hoe halen ze het in hun hoofd? Paulus kan dan wel niet met meeslepende woorden komen, zoals deze nieuwlichters, maar de kennis en de waarheid heeft hij wel. Ze moeten dus terugkeren naar het evangelie dat Paulus brengt.

En daar hebben we weer een modern thema te pakken. Het gaat erom dat we Jezus Christus prediken en Dien gekruisigd. Niet meer en niet minder. We moeten onze oren niet laten hangen naar allerlei wind van leer. Er wordt zo­veel valse leer over de wereld uitgestort dat je soms verdwaald in het labyrint van geluiden en meningen. Maar het geheim is en blijft de gehoorzaamheid aan de openbaring van God in Jezus Christus, zoals bekendgemaakt in de Bijbel door zijn Woord en door zijn Geest. Hoe meer verhalen om ons heen, hoe belangrijker om te schuilen in het Woord van God. Het is fantastisch om bij Jezus te blijven. We moeten Jezus prediken. Dat deed Paulus ook en daar kan de tegenstander niet tegen. Paulus wil de gemeente aan één man binden, Jezus, waardoor de gemeente als een reine maagd wordt voorgesteld.

Zou dat een verwijzing zijn naar de compromissen die de gemeente sloot op het gebied van seksualiteit. Hoe zit dat vandaag met ons? Zijn wij ook rein en heilig voor de HERE? Daar gaat het om. Of we nu jong of oud zijn. We mo­gen en we moeten rein staan voor de HERE. Dat is de bevrijdende prediking van Paulus. En al roept ook de hele wereld dat de vrijheid ligt in een wereld zonder God of gebod: Geloof het niet! Je kunt met je verstand zien dat het een leugen is. Blijf bij Jezus en je hebt de eigen volledige vrijheid die je blij maakt.

2 Corinthiërs 11:7-29

7 mei [1]

11:7

Of heb ik er verkeerd aan gedaan, dat ik, om u te verhogen, mijzelf vernederde door u om niet het evangelie Gods te verkondigen?

11:10

Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is: dit roemen zal mij niet belet worden…

11:11

Waarom niet? Omdat ik u niet liefheb? God weet het.

11:14

Geen wonder ook! Immers, de satan zelf doet zich voor als een engel des lichts.

11:15

maar hun einde zal zijn naar hun werken.

11:18

Daar velen roemen naar het vlees, zal ook ik eens roemen.

11:23

Dienaren van Christus zijn zij? – ik spreek tegen mijn verstand in – ik nog meer:…

Er zijn dus valse herders binnengedrongen in de gemeente, die een grote mond hebben. Ze zetten Paulus in een kwaad daglicht. Die komen met veel bravoure alsof zij de wijsheid in pacht hebben. Ze doen zich voor als engelen van het licht. Ze laten voorkomen alsof zij Jezus vertegenwoordigen. Ze roemen in zichzelf. Paulus vraagt zich af of hij er goed aan gedaan heeft, om zich voor hen te vernederen, opdat zij verhoogd zouden worden. Hij weet wel dat dit de weg is van Christus, maar gezien de houding van de Corinthiërs verplaatst hij zich even in hun denken. Maar als er dan geroemd moet worden, dan heeft Paulus ook heel veel waarop hij kan roemen. En in onverstand. Hij zegt het er duidelijk bij en hij geeft ook een opsomming van wat hem allemaal in de dienst van Jezus is overkomen. Nou, als wij dat lijstje lezen, dan komen we er van onder de indruk. Dat is je niet voor te stellen. Wat een toestanden. Het is te gek. Vreselijk. Maar Paulus weet dat het daar allemaal niet om gaat. Als er te roemen valt, dan alleen maar in de HERE, Die alle eer en roem toekomt. Laat je dus niet verleiden. Maar blijf bij wat je is toevertrouwd, net zoals Paulus bij de Macedoniërs ervaart. Paulus blijft doen wat hij doet. Hij zal niet afwijken. En de gemeenten die weten wat de lankmoedigheid en de liefde van Jezus betekent, zullen ervaren dat de belangeloosheid waarmee Paulus het evangelie brengt de weg is die we moeten gaan in het volgen van Jezus. Het is een prachtig stuk. Het is scherp gesteld. Het is licht tegen duister. De Corin­thiërs moesten kennelijk goed aangepakt worden om weer op het rechte spoor te komen. Zouden ze ooit weer op het rechte spoor gekomen zijn?

Een ding is zeker, dat er ook vandaag aan de dag allerlei wind van leer is, die probeert ingang te krijgen in de gemeenten. Daar moeten we ontzettend voor oppassen. We moeten de leer van Jezus centraal stellen. En waar kunnen we die ontdekken? In het Woord van God. We moeten het Woord zelf laten spre­ken. Dat is een eerlijke zaak. God wil zich openbaren in zijn Woord. Het is geen boek, maar een openbaring. Nu hij de Heilige Geest gezonden heeft, kun­nen we daar uit putten. Die leidt ons op de weg der Waarheid. Die zal ons te binnen brengen wat we moeten spreken. Daar moeten we dan bij blijven. Glo­rie voor zijn Naam! Halleluja! De HERE zij gelooft en geprezen. Dank U HERE, voor alles wat U doet. Dank U HERE, voor uw liefde en trouw.

Het is een geweldige aankondiging om niet mee te gaan met allen die in zich­zelf roemen. Het is een aanmoediging om alleen Jezus te verhogen en zijn dienstknechten, die Hem onvoorwaardelijk liefhebben, te volgen.

2 Corinthiërs 11:30-12:10

8 mei [1]

11:30

Moet er geroemd worden, dan zal ik van mijn zwakheid roemen.

12:1

maar ik zal komen op gezichten en openbaringen des Heren.

12:2

dat die persoon weggevoerd werd in de derde hemel.

12:4

dat hij weggevoerd werd naar het paradijs en onuitsprekelijke woorden gehoord heeft,…

12:5

Over die persoon zal ik roemen,…

12:6

maar ik onthoud mij ervan,…

12:7

en ook om het buitengewone van de openbaringen. Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel des satans, om mij met vuisten te slaan,…

12:9

Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome.

12:10

want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.

Als we het over roemen hebben, dan denkt de hele wereld en ook wij, meteen in de krachtige, prachtige dingen die we doen en bereikt hebben. Daar word je om geroemd en geprezen. Hij dit en zij dat. Zie nu eens wat hij of zij bereikt heeft. En de lof gaat maar verder. Er komt geen einde aan. Wat een introduc­tie. De mens staat voorop. Paulus echter, draait de zaak om. Hij wil alleen maar roemen in zwakheid. Daar is ook alle reden voor. Want hoe heeft de HERE hem ondanks zwakheid en onmogelijkheid uit alle noden en pijnen ge­red. Het is je toch niet voor te stellen wat Paulus allemaal op zijn zendingsrei­zen heeft moeten verduren. Daar is ons lijden en onze tegenstand toch hele­maal niets bij. Wat denken we wel? Het stelt niets voor. God wil ons zover hebben dat we Hem als onze Schepper loven en prijzen. Hij heeft ons gemaakt. Hem past alle eer.

Paulus heeft van die eer wat meegemaakt toen hij in de derde hemel werd op­getrokken. Onvoorstelbaar. Wat een ervaring. Hij spreekt er eigenlijk nooit over, omdat hij niet het gevaar wil lopen dat zijn openbaring vooraf gaat aan zijn getuigen van de Messias. Hij wil onderworpen blijven aan God. Daarom zegt hij dat hij ook een doorn in het vlees heeft, opdat hij zich niet te veel zou verheffen. Kennelijk ervaart Paulus dat deze doorn hem ook echt helpt om ne­derig te blijven. Die slaat hem met vuisten. Dat is dus wel een ernstige doorn. Wat zou het geweest zijn? Het is een levenslange kwestie. Want hij heeft ge­beden of die doorn weggenomen zou worden, maar het antwoord van God was: Mijn genade is u genoeg. Het zal een permanente lijdensweg geweest zijn. Zou het migraine zijn of een oogziekte? Die kan je ook zo met vuisten slaan. Dat is een lijdensweg. Die slaat je ook steeds weer terug. Die haalt de vaart uit je bediening. Die houd je wel kort. Maar Paulus leeft ermee en er­vaart dat de kracht Gods in zwakheid wordt volbracht. Daarom wil hij juist roemen in de zwakheden. Dat wat het onmogelijke mogelijk maakt. Want als je je eigen zwakheden ervaart en erkent, dan kan Gods kracht zich openbaren in je zwakheid. Want dan zien we af van enige vorm van eigen eer. Dan willen we ons onvoorwaardelijk onderwerpen aan de eer van God en niet aan onze eigen eer of onze eigen wensen. Het lijkt er wel op dat dit de enige weg is waarlangs de weerbarstige, op eigen eer gestelde mens door God gebruikt kan worden.

HERE, help ons om ons aan onszelf te ontdekken. Help ons om ons kruis met vreugde te dragen opdat uw kracht eerst ten volle in onze zwakheid zich kan openbaren. Glorie voor uw Naam!

2 Corinthiërs 12:11-21

9 mei [1]

12:12

De tekenen van een apostel zijn bij u verricht met alle volharding, door tekenen, wonderen en krachten.

12:14

Zie, het is nu de derde maal, dat ik gereed sta tot u te komen,…

12:18

Ik heb Titus verzocht (te gaan) en die broeder met hem medegezonden.

12:20

Want ik vrees, dat ik misschien bij mijn komst u niet zó zal vinden, als ik wens, en zelf door u zó zal gevonden worden, als gij niet wenst.

12:21

Ik vrees, dat, als ik weer kom, mijn God mij bij u verootmoedigen zal en dat ik zal hebben te treuren om velen van hen, die vroeger in de zonde geleefd hebben en nog niet tot berouw zijn gekomen over de onreinheid, hoererij en ontucht, die zij gepleegd hebben.

Het zit daar niet goed in die gemeente. Paulus schrijft deze brief, omdat hij van plan is om de gemeente te bezoeken. Hij bereidt ze als het ware voor op zijn komst. Ze hebben hem aangevallen, omdat hij Titus, samen met een ande­re broeder, heeft gezonden om de offergave die ze beloofd hebben op te halen. Daar zijn ze kwaad over. Paulus schrijft hier in ieder geval in ruime mate over. Bovendien hebben ze valse herders en leraars toegelaten, die de zonden die in deze gemeente waren, niet hebben aangepakt. Ze weten drommels goed hoe Paulus er over denkt. Want in zijn eerste brief is hij daar uitvoerig op inge­gaan. Hoe is het mogelijk dat de zonden van de ontucht in de gemeente geduld worden? Dat kan toch helemaal niet? Daar moet toch wat aan gedaan worden. Te gek. Maar ze doen er niets aan. Dan is er een schandvlek in de gemeente. Dan is de rot erin en vreet de rottigheid door. Dat verwoest een gemeente. Dat haalt de kracht eruit en dat nodigt uit tot meer zonde.

Paulus zegt het luid en duidelijk. Dat is niet om tegen hen te zijn, maar ter opbouw. Dat komt ook vaak heel zwaar aan. Dan moet je wel slikken als jij een van de aangesprokenen bent. Want het gaat over een zonde die jij in je leven hebt. En zonden zijn hardnekkig en vaak ben je niet zonder slag of stoot bereid om dat te veranderen. Maar toch, het moet gezegd worden tot opbouw. De leraars die er niets over zeggen, die het op hun beloop laten, dat zijn valse herders. Die laten de stinkende wond dooretteren. Die durven het niet aan te pakken. Paulus is bang dat, als hij komt, hij de zonden zal aantreffen en hij is ook bang dat zij hem niet verwachten zoals hij is. Hij kondigt al aan, dat hij dan in verootmoediging tot God zal buigen en bidden en smeken, dat de zon­den uit de gemeenten zullen worden uitgebannen. Hij zal treuren, omdat zij de zonden van hun vroegere wandel nog koesteren en toch in de gemeenten blij­ven zitten, omdat hun zonden geduld worden.

Wat een les weer. Het valt steeds op, dat de boodschappen in de Bijbel zo uit het leven gegrepen zijn. Is het niet uit het leven gegrepen? Hoe vaak wordt om de lieve vrede wil ook de zonde in ons eigen leven niet geduld? In de eerste plaats door onszelf? Wat zijn er toch een verborgen zonden in ons leven, die we om een of andere reden koesteren, terwijl we drommels goed weten dat er niets van klopt. En hoe vaak wordt er in een groep of gemeente om de lieve vrede wil, ook de zonde maar geduld om geen deining en heibel te veroorza­ken. Vooral op het terrein van relatievorming gaan de gemeenten kapot. Het is vreselijk. Wat een toestand. HERE, houdt ons oprecht en rein voor U. Help ons gehoorzaam ons te onderwerpen aan uw Woord van liefde en uitredding. Uw geboden zijn niet zwaar. Het is de liefde die ze draagt. Glorie voor uw Naam! Halleluja!

2 Corinthiërs 13:1-13

10 mei [1]

13:2

dat ik, als ik nog eens kom, niets zal ontzien;

13:3

gij zoekt nu eenmaal het bewijs, dat Christus in mij spreekt,…

13:4

Welnu, Hij is gekruisigd uit zwakheid, maar Hij leeft uit de kracht Gods.

13:8

Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar wel voor de waarheid.

13:9

want dit bidden wij, dat het met u geheel in orde komt.

13:11

Overigens, broeders, weest blijde, laat u terecht brengen, laat u vermanen, weest eensgezind, houdt vrede, en de God der liefde en des vredes zal met u zijn.

13:13

De genade des Heren Jezus Christus, en de liefde Gods, en de gemeenschap des Heiligen Geestes, zij met u allen.

Zo, dat is dan het slot van de brief. Krachtiger kan het niet. Paulus zal zich niet inhouden. Hij zal alles aan de kaak stellen. Hij waarschuwt vooraf, zodat zij zich kunnen bekeren, zodat hij niet hoeft op te treden. Want wat uit God is, is uit God. De rest is zonde. Paulus bidt met de zijnen dat de zonde uitgeban­nen zal worden. Dat zij zich als oprechte gelovigen zullen gaan gedragen. Pau­lus kan zich niet tegen de waarheid verzetten. Hij kan wel voor de waarheid prediken. En die waarheid zal je vrij maken. Paulus komt in zwakheid. Net als Jezus is gekruisigd uit zwakheid, maar daardoor leven we en werken we dan ook uit de kracht van God. Dat is het geheim en dat staat haaks op het mense­lijke denken. Daarom willen we er ook niet aan. Maar het is hét geheim van het evangelie. Het is hét geheim van God. Daar moeten we op vertrouwen. Daar moeten we aan werken. Daar moeten we ons voor inzetten.

Dat doet Paulus ook. Hij ziet er best tegen op om naar de gemeente van Corin­the te gaan. Want er is daar heel wat loos. Maar hij gaat in de kracht van God. En God zal het hem doen gelukken. Hij bidt hen de vrede en de blijdschap des Heren toe. Laat je terecht brengen. Dat is geen negatieve zaak, dat is een blij­de zaak. Dat is de weg van de oplossing. Dat is de weg van het heil. Dat is de weg van Messias Jezus. Glorie voor zijn Naam!

Wees eensgezind! Houd vrede en de God der liefde en des vredes zal met u zijn. Daar gaat het dus om, eensgezind en in vrede, en dan is er de liefde Gods en de vrede die van boven is. Dan worden problemen in het licht van de schrift opgelost. Heerlijk voor de Naam van Jezus. Glorie voor zijn Naam!

De genade des Heren Jezus Christus, en de liefde Gods, en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen.