1 Thessalonicenzen 1:1-10

15 augustus [2]

1:1

genade zij u en vrede!

1:3

onophoudelijk gedachtig aan het werk uws geloofs, de inspanning uwer liefde en de volharding uwer hoop op onze Here Jezus Christus voor het oog van onze God en Vader.

1:6

En gij zijt navolgers geworden van ons en van de Here en gij hebt het woord onder zware verdrukking met blijdschap des heiligen Geestes aangenomen,…

1:8

maar allerwegen is uw geloof, dat zich op God richt, bekend geworden, zodat wij daarvan niets behoeven te zeggen.

1:9

hoe wij bij u ontvangen zijn en hoe gij u van de afgoden tot God bekeerd hebt,…

1:10

en uit de hemelen zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de doden opgewekt heeft, Jezus, die ons verlost van den komende toorn.

Genade zij u en vrede! Daar gaat het om. In God de Vader, en in de Here Jezus Christus. Paulus, Silvánus en Timótheüs, ze zijn alle drie in Thessalo­nica geweest. Ze hebben daar gepreekt. En dat is onder zware tegenstand gegaan. Daar zal een verzet geweest zijn. Want ook in deze plaats, zoals in alle steden, was afgodendienst verboden. Alleen de keizer, die zichzelf godde­lijke status had verleend, kwam aanbidding toe. Dus als er dan een nieuwlich­ter komt, die vertelt dat ze zich bekeren moeten, dan heb je problemen. Want dan je wijkt volledig af van de leer van de regering. Je stelt je positie op het spel. Je hebt het over een andere God. Je hebt het over een God die tegen de afgod is. Daarmee wordt de boel op z’n kop gezet. Dat is vragen om moeilijk­heden. Dan moet je het zelf maar weten.

Paulus heeft het dan ook over zijn dankbaarheid voor hun volharding. Hij is blij dat ze zich zijn blijven inspannen voor hun geloof, ook toen hij en zijn reisgenoten vertrokken waren. Want er wordt overal over het geloof van de Thessalonicenzen gesproken. Want het evangelie is met kracht en in grote volheid gebracht door de heilige Geest. Dat zal een krachtige prediking geweest zijn. Daar zijn ze van onder de indruk gekomen. En de heilige Geest heeft hen overtuigd van zonde, gerechtigheid en oordeel. Ze ontdekten dat ze tot nu toe stomme afgoden achterna gelopen waren. Nu kunnen ze zich buigen voor Messias Jezus. En hoe groot de verdrukking dan kan zijn, ze hebben het met blijdschap aangenomen. Want als je een waarheid hebt ontdekt, dan ben je daarna nooit meer dezelfde. Maar ga je verder als een volgeling van Mes­sias Jezus. Ze hebben zich bekeerd tot de waarachtige God. Ze hebben ontdekt dat ze de Zoon van God uit de hemelen mogen verwachten. Dat is hun hoop geworden. Daar leven ze uit. Dat houdt hen staande in de strijd tegen de af­goden. Dan kunnen ze blij blijven als de afgodendienaars hun het leven zuur komen maken. En dat kan ernstige gevolgen hebben. Dat kan betekenen, dat ze geen brood meer kunnen kopen, dat ze hun baan kwijt raken, dat ze met de nek aangekeken worden. Dan verandert het leven drastisch. Dat valt niet mee. Dan heb je het wel moeilijk. Zij zijn navolgers geworden van Paulus en de broeders. Zij verwachten de Zoon van God, Die hen zal verlossen van de komende toorn.

Prijs de Heer! Hier zijn mensen die vanuit een totaal andere afgodendienst tot geloof gekomen zijn. Hier wordt een Woord gebracht temidden van de zwaar­ste tegenstand. En hier krijgt het Woord vat op de mensen. Dat is een gave van God. Dat was toen zo en dat is nu nog zo. Het komt er dus op aan dat we dat Woord proclameren. Dat we het met betoon van Geest en kracht brengen. Daar kan niemand tegen op. Wij bekeren niemand. Maar het Woord moet het doen, maar dan moeten we ook getuigen. En als we het doen, dan zal de kracht van God ook openbaar worden. Dat geeft ook ontspanning, want we lopen zo vaak tegen onszelf op, drukken onszelf terneer, in de trant van, het helpt toch niet. Waarom zou ik mijn krachten verspillen? Maar hier worden we erbij bepaald dat het er op aan komt dat we het Woord proclameren. Paulus heeft ook niet eerst een onderzoek gedaan of ze het in deze stad zouden aannemen of niet. Hij heeft het gebracht. Hij heeft op God vertrouwd. Hij wist hoe hij zelf krachtdadig tot geloof was gekomen. Hij ziet het helemaal zitten. Glorie voor zijn Naam!

1 Thessalonicenzen 2:1-12

16 augustus [2]

2:2

Immers, ondanks de mishandeling en de smaad, die wij, zoals gij weet, te Filippi tevoren ondergaan hadden, hebben wij u, in onze God vrijmoedig, onder zware strijd het evangelie Gods gebracht.

2:4

spreken wij, niet om mensen te behagen, maar Gode, die onze harten keurt.

2:7

maar wij gedroegen ons in u midden vriendelijk, zoals een moeder haar eigen kinderen koestert.

2:8

maar ook ons eigen leven mede te delen, daarom, dat gij ons lief geworden waart.

2:9

Terwijl wij nacht en dag werkten, om niemand uwer lastig te vallen, hebben wij u het evangelie van God gepredikt.

2:11

Gij weet trouwens, hoe wij, als een vader zijn eigen kinderen, u hoofd voor hoofd vermaanden, aanmoedigden,

2:12

en betuigden te blijven wandelen, Gode waardig, die u roept tot zijn eigen Koninkrijk en heerlijkheid.

Het was kennelijk nodig dat Paulus uitvoerig uit de doeken doet dat hij zich in Thessalonica dienend gedragen heeft. Het lijkt erop dat hij zich moet excuse­ren voor zijn gedrag. Hij benadrukt met kracht dat ze met eerlijke bedoelingen gekomen waren. Het ging hen om het heil van de gemeente. Ze hebben de boodschap onder zware tegenstand gebracht en dat na alles wat ze in Filippi hadden meegemaakt. Het is heel bijzonder, dat je dan weer de moed hebt om opnieuw in een zeer bedreigende situatie vrijmoedig het Woord van God te brengen. En dan ook niet om bij een ander in het gevlei te komen, om toch maar de lieve vrede te bewaren. Neen. Het Woord is gekomen met betoon van Geest en kracht. Ze hebben alleen de eer van God willen verkondigen. Ze heb­ben de mensen met hun liefde willen omringen als een vader en een moeder. Ze zijn ook niemand financieel lastig gevallen, want ze wisten hoe men zelf in de financiële moeilijkheden was. Ze hebben alles zelf bekostigd. Ze hebben zich vroom, onberispelijk en rechtvaardig bij hen gedragen. Dat weten de gelovigen ook. Ze hebben hen aangemoedigd en vermaand om te blijven wan­delen, Gode waardig, die hen roept tot zijn eigen Koninkrijk en heerlijkheid.

Dit is een goede beschrijving van hoe een zendeling en een evangelist moeten zijn. Ze komen ergens niet om eigen eer. Ze staan niet op een voetstuk. Je gaat naast de mensen staan. Je bent als een vader en een moeder voor hen. Je om­armt ze en houdt van ze. Je wilt hen dienen. Je wilt alles doen vanuit de liefde van de Here Jezus. Je wilt hen niet negatief bejegenen, ook al moet je hen ver­manen. En als er tegenstand komt, dan moet je met liefde en beslistheid de andere mensen niet naar de mond praten, maar blijven staan op het Woord van God, ook al proberen ze je de stad uit te gooien. Wat een vijanden zijn er overal. Maar het is uitermate belangrijk, dat je blijft staan op het fundament. Want dat alleen redt van de zonde.

Een krachtige boodschap. Paulus moet er wel veel woorden aan wijden. Er zit kennelijk een probleem achter, waar we verder in de brief nog wel mee te maken krijgen. In ieder geval is duidelijk, dat het geen eenvoudige taak is ge­weest om in die dagen het evangelie te brengen in een totaal heidense omge­ving. Want wat gebracht wordt, staat haaks op de afgodendienst aan de keizer. Het is een andere, nieuwe leer, die een ander Koninkrijk verkondigt waartoe je geroepen bent. Dat is vragen om moeilijkheden.

Thessalonicenzen 2:13-20

17 augustus [2]

2:13

het hebt aangenomen, niet als een woord van mensen, maar, wat het inderdaad is, als een woord van God, dat ook werkzaam is in u, die gelooft.

2:14

omdat ook gij hetzelfde te verduren hebt gehad van uw eigen volksgenoten als zij van de Joden,

2:15

die zelfs den Here Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd hebben,…

2:16

daar zij ons verhinderen tot de heidenen te spreken tot hun behoud, waardoor zij te allen tijde (de maat) hunner zonden vol maken. De toorn is over hen gekomen tot het einde.

2:17

en groot verlangen begeerd uw aangezicht te zien.

2:18

doch de satan heeft het ons belet.

2:19

wie anders dan gij?

2:20

Ja, gij zijt onze eer en blijdschap.

Ja, je kunt het Woord wel prediken en de mensen kunnen er ook wel aandacht aan schenken en er iets mee willen doen, maar het gaat er natuurlijk om, dat de mensen het aannemen, niet als een woord van mensen, maar als een Woord van God. Dat geloof in het Woord van God gaat dan ook werken in het leven van degene die gelooft. Zo was het bij de Thessalonicenzen gegaan. Ze zijn navolgers geworden. Net als de gemeenten in Judea. Die waren ook tot stand gekomen onder zware vervolgingen, gelijk hun gemeenten zwaar werden vervolgd door de tegenstanders, de vereerders van de afgoden en de keizer, maar ook de Joden.

Wat waren de Joden steeds in de weer als Paulus en de anderen in hun stad het evangelie kwamen prediken. Ze begonnen altijd in de synagoge. En als men daar niet naar hen wilden horen dan gingen ze met het evangelie naar de hei­denen. Maar ook dat duldden de Joden niet. Ze zetten de heidenen tegen de christenen op. Het werd een heel oproer. Paulus is scherp en zegt dat ze de profeten altijd hebben gedood en de Here Jezus, hun eigen Messias en dat ze ook niet eens dulden dat de heidenen het evangelie horen. Ze maken de maat van hun zonden vol. Het oordeel is over hen gekomen tot het einde. En zo is het vandaag nog net zo. De orthodoxe Joden dulden Messias Jezus niet. Iedere Jood heeft het recht op terugkeer naar Israël, maar een Messiasbelijdende Jood heeft dat recht niet. De orthodoxe Joden in het land doen alles om de Messiaanse Joden het leven lastig te maken. De haat is zeer groot. Er is niets veranderd vergeleken bij de tijd van de vervolgingen in de dagen van Paulus. Paulus wist er alles van, want hij was zelf een gevaarlijke christenvervolger geweest en wilde hen zelfs tot in het buitenland vervolgen. Het boek Hande­lingen staat vol van de conflicten tussen de Joden en de eerste gemeenten. Ze hebben Paulus na zijn bekering ook op allerlei manieren uit de weg willen ruimen tot hij zich uiteindelijk beriep op de keizer. Het was een grimmige toestand. Het was op leven en dood.

Maar ook de Joden die vandaag geheel of gedeeltelijk zijn geseculariseerd, moeten niets van de christen hebben, want de kerk doet hem terugdenken aan de moordpartijen op de Joden door de eeuwen heen. Altijd waren het de Joden die het hadden gedaan. Ze voelden zich nooit veilig. Altijd was er weer een reden om de Joden te vervolgen. En na de moord op zes miljoen Joden in de tweede wereldoorlog kregen ze eindelijk een eigen stukje grond, maar daar werden ze, vanaf de eerste dag van hun bestaan, bedreigd door zeer vijandige buren.

Bovendien wat moet een Jood met een christelijke theologie die hem uitsluit van de profetie en stelt dat alle beloften voor Israël, als volk, na Jezus zijn overgegaan op de kerk? Dat slaat helemaal nergens op. Hieruit blijkt dat men zowel bij de Joden als de christenen in beide groepen verblind is. Hoe is de knoop te ontwarren? Of is de knoop niet te ontwarren? Het lijkt erop. Want als we er ook nog bij nemen wat de Islam verkondigt, dan wordt de verwarring nog groter. Wat een haat en nijd wordt daar ten opzichte van de Joden (en christenen) verkondigd. Echter dwars door alles heen zijn het de Joden die door God als uitverkoren volk de Messias hebben voortgebracht. Hij zal het eeuwige rijk van recht en gerechtigheid grondvesten. Daar gaat het om. En die Messias predikte Paulus, die Messias die beloofd heeft dat Hij net zo zal terugkomen als Hij naar de hemel is opgevaren.

Dan zien we die kleine gemeente van Thessalonica die onder grote verdruk­kingen tot stand gekomen is en ten tijde dat ze deze brief krijgen nog steeds vervolgd wordt. Onder grote druk leven deze mensen. Paulus had er allang naar toe gewild. Want dat hebben ze ook nodig. Als je zo in de druk zit, heb je bemoediging nodig. Dat begreep Paulus, maar hij kon niet gaan. De satan heeft hem tegengehouden. Wat zou er eigenlijk gebeurd zijn? Want Paulus roemt de gemeente. Paulus ziet deze gemeente als zijn erekrans. De gemeente is zijn eer en blijdschap. Want midden in deze totaal heidense cultuur breng je het evangelie en dan komen mensen tot geloof, die ook geloven dat het geen mensenwoorden zijn maar woorden van God. Dat kan niet anders dan het werk van God zijn. Want wij kunnen niemand bekeren. Wij kunnen alleen maar getuigen van Jezus. Het aan de mensen vertellen. Maar God is het die de harten neigt. Daar moeten we biddend op vertrouwen. En als het dan gebeurt, dan weten we dat een gave van God is. Prijs de Heer!

1 Thessalonicenzen 3:1-13

18 augustus [2]

3:2

en wij hebben Timótheüs,… gezonden om u te versterken en u te vermanen in zake uw geloof,

3:3

dat niemand zou wankelen onder deze verdrukkingen.

3:4

dat wij zouden verdrukt worden,…

3:5

om mij te vergewissen van uw geloof, of de verzoeker u misschien verzocht had en onze inspanning vruchteloos zou geworden zijn.

3:6

en ons goede tijding gebracht heeft van uw geloof en liefde,…

3:8

want nu leven wij, als gij staat in den Here.

3:11

Hij, onze God en Vader, en onze Here Jezus, bane ons de weg tot u;…

3:12

overvloedig worden in de liefde tot elkander en tot allen –…

3:13

om uw harten te versterken, zodat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Here Jezus met al zijn heiligen.

Paulus verlangt er zo naar om hen te bezoeken, maar wordt daarin weerhou­den. Daarom stuurt hij Timótheüs en die komt gelukkig terug met goede be­richten. Ze zijn staande gebleven onder grote verdrukkingen. Het werk is niet tevergeefs geweest. De vijand probeert wel te verleiden, maar het is hem niet gelukt. Hun geloof en liefde zijn uitzonderlijk. Ze oefenen het in de praktijk. Heerlijk. Dat is ook de enige basis en kracht om staande te blijven. Dat er­varen ze nu maar al te goed. Want ze wisten dat er verdrukkingen zouden komen. En ze zijn ook gekomen.

Paulus bidt vurig of hij kan komen. Maar zeker is het niet. Maar hij verheugt zich in de onderlinge liefde van de gemeente en moedigt hen aan om daarin verder te groeien. Moge God de weg banen zodat hij kan komen. Want hij wil hen zo graag bemoedigen en vermanen nog meer liefde te betonen naar elkaar en naar allen. Want daar gaat het om. Het staande blijven in de bittere strijd en elkaar vertroosten en vermanen in de blijdschap dat we geborgen zijn in Chris­tus, in God. Zodat we onberispelijk zijn op de dag van de komst van onze Here Jezus met al zijn heiligen. Paulus ziet dat dus heel concreet voor zich. Dat gaat dus nog gebeuren. Dat staat vast. Het wanneer blijft nog verborgen. Alleen de Vader weet de tijden. Daarom is het zaak de wetten van de HERE God te houden. En die zijn niet te moeilijk. Je hoeft er geen halsbrekende toeren voor uit te halen. God is groot. Hij wil je helpen om staande te blijven. Gehoorzaam en geduldig bij de les blijven, want daar leer je het meest.

1 Thessalonicenzen 4:1-18

19 augustus [2]

4:1

hoe gij moet wandelen en Gode behagen, zoals gij ook inderdaad wandelt, dat nog meer doet.

4:3

Want dit wil God: uw heiliging, dat gij u onthoudt van de hoererij,…

4:6

en dat men zijn broeder niet slecht behandele…

4:7

Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar in heiliging.

4:8

maar God, die u immers ook zijn Heilige Geest geeft.

4:9

Over de broederliefde is het niet nodig u te schrijven;…

4:10

dit nog veel meer te doen,

4:11

en er een eer in te stellen rustig te blijven en uw eigen zaken te behartigen en met uw handen te werken,…

4:13

Doch wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij niet bedroefd zijt, zoals de andere (mensen), die geen hoop hebben.

4:14

Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zó hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem.

4:15

Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan,

4:16

want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van den hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan;

4:17

daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen.

4:18

Vermaant elkander dus met deze woorden.

Ze doen het dus al, maar ze mogen het nog meer doen. Wandelen zoals het Gode behaagt. Het is alsof Paulus hen iets wil duidelijk maken, maar daarvoor heel voorzichtig met veel omhaal van woorden te werk wil gaan. Hij wil hen, die het al zo moeilijk hebben in de verdrukkingen, niet hard vallen. Want het valt allemaal niet mee. Hij benadrukt dat ze voor de hoererij moeten vluchten. De heiliging is het belangrijkste, want dat wil God. Ze moeten elkaar dan eer­lijk behandelen en elkaar niet bedriegen. De broederliefde is het belangrijkste. Doe dat nog meer!

Ze moeten vooral rustig blijven en de eigen zaken behartigen en met hun han­den werken, zoals hij ze bevolen heeft. Werkten ze dan niet met hun handen, waren ze dan niet rustig? Waarom zouden ze dan niet met hun handen wer­ken? Ze hadden het toch al zo moeilijk en ze konden met moeite het hoofd boven water houden. Waarom zouden ze dan niet met hun handen werken? En dat moesten ze vooral ook doen ten aanzien van hen die buiten staan. Kenne­lijk was dat voor hen die buitenstaan een rare vertoning dat ze niet met hun handen werkten. Kennelijk was er binnengeslopen dat dat niet veel zin meer had. Waarom dan niet? Het had te maken met hun gedachte, dat het niet lang meer zou duren voordat de Here Jezus terug zou komen? Dat kun je je ook wel voorstellen, omdat ze zo zwaar verdrukt werden en dan zie je met nog meer verlangen uit naar de komt van Gods Rijk van recht en gerechtigheid en de wederkomst van de Here Jezus. Paulus echter vermaant ze om gewoon door te gaan met werken, want die dag komt zeker, maar we weten niet wanneer dat zal zijn.

En dan volgt een geweldig stuk. Dat wij, als levenden, de ontslapenen zeker niet zullen voorgaan als de Here Jezus terugkomt. Want het is toch duidelijk, als wij geloven dat Jezus èn gestorven èn opgestaan is, dan zullen ook op die wijze de ontslapenen opstaan. Dat is een feit. Dood is niet dood. Jezus is op­gestaan en wij met Hem. Dus wees niet bedroefd, zoals de andere mensen, die geen hoop hebben. Wij hebben hoop. Dat is duidelijk. Wij hebben hoop, want Jezus woont in ons en wij in Hem. Wij leven voor eeuwig met Hem! Wij zul­len de ontslapenen in geen geval voorgaan. De HERE heeft Paulus een Woord gegeven. De ontslapenen zullen, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank van een bazuin als de Here Jezus nederdaalt van de hemel, opstaan en daarna zullen wij met hen in een oogwenk op de wolken weggevoerd worden, de Here tegemoet. En zo zullen wij altijd met de Here wezen. Het is nogal belangrijk voor de Thessalonicenzen, want ze moeten elkaar vermanen met deze woorden. Hoe moet je je dat alles nu voorstellen? De gelovigen die zijn overleden staan op. Door de eeuwen heen is iedereen ergens begraven, of ver­dwenen of wat dan ook. En dan zullen de heiligen opstaan en wij gelovigen die nog niet zijn gestorven, die achterbleven, zullen dan eveneens in een oog­wenk weggevoerd worden de Here tegemoet in de lucht, om altijd met de Here te zijn.

Kennelijk zijn de woorden bedoeld om een probleem op te lossen dat in de gemeente speelde. Ze waren blijkbaar in de war over de vraag hoe het zou gaan bij de wederkomst van de Messias. Waarschijnlijk hadden ze het werk al neergelegd, omdat ze dachten dat Jezus spoedig zou komen. En dat moest niet. Er zal wel een hele discussie zijn geweest hoe het allemaal precies zou gaan. Paulus wil de gemeente bemoedigen. Ze hebben de liefde, en de heiliging, waarin ze worden bemoedigd om die nog meer te betrachten. En dan komt dit stukje. Mensen rustig blijven, blijven werken, niet in de war zijn over hen die ontslapen zijn. Die blijven niet achter. Die staan op, net zo zeker als Jezus is opgestaan. Zij gaan zelfs eerst en wij volgen en dat gaat zeker gebeuren als de Here komt als een aartsengel roept en bij het geklank van een bazuin. En we gaan Hem tegemoet in een oogwenk. En zo zullen we altijd bij de Here wezen. Wat wil je nog meer? Dat is toch het allermooiste: altijd bij de Here zijn? God is groot.

Dank U wel Here! We geloven dat U alles regeert. Wilt U ons duidelijk maken hoe het allemaal zit. We zijn heel veel kwijt geraakt, omdat we het profetische Woord over uw wederkomst ook maar hebben laten zitten. Er staat meer in dan we wilden aannemen. Here help ons, dat we uw Woord meer gaan bestu­deren. Help ons uw Woord te doorgronden.

Dank U Heer, voor al uw liefde, want we zullen altijd bij U zijn. Wat een heerlijke zekerheid. We kunnen elkaar met deze woorden vertroosten en ver­manen. Want die zekerheid kan niemand ons afnemen En wat is er mooier dan om in een oogwenk weggevoerd te worden U tegemoet. Wat zal dat geweldig zijn. Daar word je blij van. Dat neemt alle onrust weg. Dan blijf je rustig wer­ken. Dan ga je niet onrustig zitten doen. Want wat moeten de mensen om je heen dan wel niet zeggen? Die zeggen dan: Als dat van die Jezus is waar ze het over hebben, kijk nou eens, ze werken niet meer, ze leven maar op de zak van een ander en ze brengen de boel in de war. Ze zijn zelf onrustig. En dat is een slecht getuigenis. Dat moeten we voorkomen. Glorie voor zijn Naam!

1 Thessalonicenzen 5:1-11

20 augustus [2]

5:1

Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt:

5:2

immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zó komt, als een dief in de nacht.

5:3

Terwijl zij zeggen: het is (alles) vrede en rust, overkomt hun, als de weeën een zwangere vrouw, een plotseling verderf, en zij zullen geenszins ontkomen.

5:4

Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou:

5:5

want gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dags. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe;

5:6

laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, doch wakker en nuchter zijn.

5:7

Want die slapen, slapen des nacht en die zich bedrinken, zijn des nachts dronken,

5:8

maar laten wij, die de dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van geloof en liefde en met den helm van de hoop der zaligheid;

5:9

want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van zaligheid door onze Here Jezus Christus,

5:10

die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven.

5:11

Vermaant daarom elkander en bouwt elkander op, gelijk gij dit ook doet.

Ze waren flink aan het discussiëren wanneer het dan zou zijn dat Jezus terug zou komen. Het zou zeer spoedig zijn en het had geen zin meer om iets te ondernemen,voordat Jezus zou komen. Maar Paulus zegt, dat ze rustig aan het werk moeten blijven. Ze moeten werken zolang het dag is. Pas op dat er geen vreemde gedachten binnendringen in de gemeente. Wat moeten de mensen buiten er dan wel niet van zeggen?

Ieder moet weten dat we ons over de tijden of gelegenheden niet druk moeten maken. Dat is toch heel duidelijk in de boodschap naar voren gekomen? Want jullie weten toch heel goed dat de dag des Heren zal komen als een dief in de nacht? Dat had de Here Jezus toch zelf gezegd? Maar als jullie weten dat het komt als een dief in de nacht, dan moet je toch zorgen dat je er heel goed op voorbereid bent. Want als je weet dat de dief zal komen, dan zul je je huis goed afgegrendeld hebben. Nou, net zo moet je voorbereid zijn op de komst van Jezus. De mensen zeggen, maak je toch geen zorgen. Het is alles vrede en rust; maar dan komt Jezus. Net als de weeën van een zwangere vrouw zo maar kunnen komen. Ze weet natuurlijk wel dat ze zwanger is en dat het gaat komen. Dat is vast en zeker. Maar wanneer precies, dat weet niemand. En zo is het met de komst van Jezus.

Wij zijn kinderen van de dag en kinderen van het licht. Ons overkomt de komst van de Here Jezus niet onverwacht. Want wij weten beter. Wij slapen niet en wij zijn niet dronken. Wij wandelen in het licht. Wij zijn nuchter. Wij laten ons niet in de war brengen. Neen. Wij zijn gekleed met het harnas van het geloof. Dat is ons strijdtenue. Het is oorlog. De tegenstander van God probeert ons in de war te brengen. Maar het zal hem niet lukken. Wij hebben de helm van de hoop der zaligheid op. Dat is zeker. We hebben het eeuwige leven door het bloed van Jezus. Dat is een zekerheid die niemand je kan af­nemen. God heeft ons geroepen tot vrede en niet tot toorn. Messias Jezus is met ons, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, samen met Hem zullen we leven. Of we nu leven of gestorven zijn. Dat maakt geen verschil. Mensen, maak je niet druk, wat er met de overledenen gebeurt. Daar zorgt God wel voor. Hij zal al de zijnen op zijn tijd roepen. Jullie moeten nu waakzaam zijn en niet slapen.

Kinderen van het licht: Aan het werk, want Hij is nog niet gekomen. Zit er niet over in, Hij komt. Maar tot die tijd vol liefde en blijdschap vast en zeker aan de slag. Met deze woorden moet je elkaar niet in de war brengen, maar vertroosten en vermanen. Deze woorden houden je op de been, te midden van zoveel tegenstand, die je automatisch doet verlangen dat de Here Jezus maar spoedig terugkomt.

1 Thessalonicenzen 5:12-28

21 augustus [2]

5:12

Wij verzoeken u, broeders, hen, die onder u zich moeite getroosten, die u leiden in de Here en u terechtwijzen, te erkennen,

5:13

en hen zeer hoog te schatten in liefde, om hun werk. Houdt vrede onder elkander.

5:14

Wij vermanen u, broeders, wijst de ongeregelden terecht, beurt de kleinmoedigen op, komt op voor de zwakken, hebt geduld met allen.

5:15

Ziet toe, dat niemand kwaad met kwaad vergelde, maar jaagt te allen tijde het goede na, jegens elkander en jegens allen.

5:17

Verblijdt u te allen tijde, bidt zonder ophouden, dankt onder alles,

5:18

want dat is de wil Gods in Christus Jezus ten opzichte van u.

5:19

Dooft de Geest niet uit,

5:20

veracht de profetieën niet, maar toetst alles en behoudt het goede.

5:22

Onthoudt u van alle soort van kwaad.

5:23

En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn.

5:24

Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen.

5:25

Broeders bidt (ook) voor ons.

5:26

Groet al de broeders met een heilige kus.

5:27

Ik bezweer u bij den Here, dat deze brief aan alle broeders voorgelezen worde.

5:28

De genade van onze Here Jezus Christus zij met u.

Kort en krachtig. Een vol slot. Niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Daar kunnen we het mee doen. Kennelijk was het nodig om zeer duidelijk erop te wijzen dat de gemeente de voorgangers in ere moest houden. We moeten hen hoog achten. Als ze ons onderwijzen, maar ook als ze ons terechtwijzen en verma­nen. Dat valt niet mee. Want we zetten zo maar onze stekels op. Maar denk erom, zij zijn van Godswege aangesteld. Ze leiden ons niet als gewone men­sen, maar ze leiden ons in de Here. Pas op! En geen ruzie maken, maar vrede onder elkaar houden. Nou, daar kunnen we het ook vandaag mee doen. Wat zijn we gauw aangebrand en in onze wiek geschoten. Niet doen! Fout! Houd vrede onder elkander! En dat begint bij jezelf. Niet bij de ander. Je hebt zelf je handen al vol. Houdt, voorzover het van u afhangt, vrede met alle mensen. Dat werkt. Doe het maar. En dan wordt het ook heel concreet.

De ongeregelden terechtwijzen. De kleinmoedigen opbeuren, opkomen voor de zwakken, geduld hebben met allen. De kleinmoedigen en de zwakken gaan vaak ten onder aan het verbaal of werkelijk geweld van de bravourmakers. Maar het principe in de gemeente is juist andersom. Geeft juist meer aandacht aan dat wat zwak is.

En dan opnieuw: Geen kwaad met kwaad. Jaagt altijd het goede na, voor el­kaar, maar ook voor iedereen. Dan zullen de mensen zien, dat Die Jezus, Die wij zeggen te volgen, ook inderdaad iets betekent in ons leven. En dat is geweldig. Daar gaat het om. Glorie voor zijn Naam! Dat is wervend. Daar komen de mensen op af.

En als je dat doet, dan kun je je ook verblijden. Want het Woord van God woont in je. Dan wil je ook bidden zonder ophouden. Doe het in ieder geval, want God wil tot je spreken in gebed. Dan kun je ook danken onder alles. Want dat is de wil van God in Christus Jezus, ten opzichte van ons, van mij. Dat is het gevolg van de geborgenheid in Christus. Hij schenkt het je. Het is heerlijk. Het is fantastisch. Glorie voor zijn Naam! Prijs de Heer! Daar word en blijf je blij bij. Dank U Heer.

En blijf in die blijdschap. De Heilige Geest zal dan werken. Je wilt dan ook de profetie hoog houden. Want de beloften van God zijn: ja en amen. De oproep tot bekering klinkt en blijft klinken. Het is vast en zeker. Lees het en leef eruit. Want het is waar. Dank U Heer, voor zoveel liefde en trouw. We kunnen niet anders. We willen niet anders. Dan wil je je van alle soort van kwaad onthou­den. Want de last van de zonde zit ons zo licht in de weg. Dat weten we alle­maal. Maar blijf dicht bij Jezus. En de God des vredes heiligt je hart helemaal naar ziel, geest en lichaam. Helemaal! En dàn ben je onberispelijk bij de komst van Jezus. Daar gaat het om. Heiliging. Hij bewerkt die heiliging. Je zult het steeds meer ervaren. Als zijn Woord rijkelijk in ons woont, dan gaat het gebeuren. Glorie voor zijn Naam! Als God ons roept, dan is Hij ook ge­trouw. Daar hoef je niet aan te twijfelen. Hij laat niemand staan. Hij roept. Hij bewerkt het willen, zowel als het werken. Er is toch niets in je om te denken dat jij zelf je heil bewerkt hebt? Het is toch allemaal van Hem? Maar Hij komt dan ook. We mogen en moeten daar geen belemmeringen voor leggen. Hij Die u roept, is getrouw. Hij zal het ook doen.

Paulus en zijn vrienden vragen ook gebed voor zichzelf. Ook dat is zo uit het leven gegrepen. We moeten en mogen voor elkaar bidden. We zijn door gebed wereldwijd met elkaar in de Here God verbonden. Dat is het grote wonder. Er zijn geen grenzen aan Jezus macht. Glorie voor zijn Naam! Dank U wel Here Jezus! Dank U wel!

We groeten elkaar in de Naam van Jezus. Met een heilige kus. Paulus staat erop, dat zijn brief aan alle broeders wordt voorgelezen. Dat spreekt toch van­zelf, maar het is heel goed mogelijk, dat er ook situaties waren, waarom som­mige broeders deze brief niet aan anderen wilden of konden voorlezen of dat anderen het niet wilden horen. Maar Paulus staat erop dat allen deze brief lezen. Dat leert ook een principe. Als er problemen of verschillen zijn, dan moeten allen erbij betrokken zijn om de problemen uit te praten. Zo vaak splitsen we ons al op in tegengestelde groepjes en voor je het weet, heb je een scheiding. De kloof wordt groter en je weet niet wat je moet doen om het te overbruggen en zo wordt de kloof nog groter. Laten ook wij, zoals Paulus, elkaar steeds aansporen aan het slot van onze brieven: De genade van onze Here Jezus Christus zij met u. Hoe kunnen we anders leven, dan vanuit de genade van de Here Jezus Christus? Van Hem komt alles. Hij gaf zijn leven. Wij voegen daar niets aan toe. Hij trekt ons. Hij heeft ons lief. Dat is pas leven.

Dank U, Here Jezus, voor zoveel genade en liefde.