1 Samuël 1:1-28

24 juni [2]

1:5

maar aan Hanna gaf hij een dubbel deel, want hij had Hanna lief, hoewel de HERE haar moederschoot toegesloten had.

1:7

en tergde zij haar; dan weende zij en at niet.

1:8

Ben ik u niet meer waard dan tien zonen?

1:10

en bitter bedroefd bad zij tot den HERE en weende zeer.

1:11

dan zal ik die voor zijn gehele leven de HERE geven en geen scheermes zal op zijn hoofd komen.

1:14

Zorg, dat gij uw roes kwijtraakt.

1:17

Ga heen in vrede, en de God van Israël zal u geven, wat gij van Hem gebeden hebt.

1:19

Toen Elkana gemeenschap had met zijn vrouw Hanna, dacht de HERE aan haar,

1:20

en omstreeks een jaar later baarde Hanna, zwanger geworden, een zoon.

1:22

dan zal ik hem brengen en zal hij verschijnen voor het aangezicht des HEREN en daar voor altijd blijven.

1:28

Daarom sta ik hem aan de HERE af; zolang hij leeft, zij hij aan de HERE afgestaan.

Een prachtig verhaal. Uit het leven gegrepen. Verdriet, verdriet. Omdat er geen kind komt. Bij de ander wel. Bij Hanna niet. Wat een verdriet. Zeker zo erg als er ook nog zout in de wonde gestrooid wordt. Keer op keer. Wat een gemene streek. Wat een verdriet. Elkana had haar wel zeer lief. Hij gaf haar een dubbel deel. Daar had zij geen recht op. Maar hij deed het wel. Want hij hield van haar. En dat was al bijzonder, omdat het toch zeker in die tijd een schande was als een vrouw niet vruchtbaar kon zijn. Dan werd je niet voor vol aangezien. Maar Elkana hield van Hanna. Zeer veel. En als ze verdriet heeft, dan troost hij haar: ‘Ben ik u niet meer waard dan tien zonen?’ Wat een liefde, maar ook een vermaning. Hanna blijft niet bij de pakken neerzitten. Hanna bidt in de tempel. Ze doet een gelofte. Als de HERE haar gebed verhoort dan zal ze haar zoon afstaan aan de dienst des HEREN. Wat een gelofte. Dan bid je om een zoon en dan sta je hem meteen weer af. Wat een geloof. Wat een dankbaarheid. Wat een diep verlangen. Een verlangen tegen een onmogelijk­heid in. HERE, ik weet dat het onmogelijk is, maar ik geloof dat bij U alles mogelijk is. En als het dan mogelijk is, dan geef ik mijn kind aan U. Heerlijk toch? En dan zegt Eli, die eerst denkt dat ze dronken is, dat de HERE de wens van haar hart zal vervullen. Hij weet niet wat. En misschien heeft hij het ook wel uit nonchalance of uit gemakzucht gezegd. Hij was, denk ik, al lang blij dat hij van deze vreemde vrouw af was. Maar Hanna wordt zwanger. Het won­der is geschied. En inderdaad, een jaar later is Samuël er. Wat een wonder. Wat een blijdschap. Wat zal het een bijzondere zwangerschap geweest zijn. Hanna, als blijde vrouw. Hanna, geen verdriet meer. Wat een verandering in het huis van Elkana. En wat een vreugde. Ze noemt hem Samuël: Ik heb hem van de HERE gebeden.

En zo hoort het met alle kinderen te zijn. Kinderen komen van God. God maakt de kinderen. Hij heeft ze bijna goddelijk gemaakt. Hij weeft ze in de moederschoot. Hij opent en sluit de baarmoeder. Het is zijn gave. Vanuit zijn ondoorgrondelijke liefde. Vanuit zijn bewarende hand. Hij heeft alle mensen lief, mèt en zonder kinderen. We moeten het genadig van Hem verwachten. Dan kunnen we rust vinden in alles wat er gebeurt. Want er is zoveel verdriet rondom het krijgen en het niet krijgen van kinderen. We moeten het veel meer uit Gods hand ontvangen. En het kind de HERE wijden. Zeker vandaag de dag, want er is zoveel verleiding en er zijn zoveel kindonvriendelijke toestan­den om ons heen. Je zou er bang van worden. Maar God wil onze kinderen be­schermen.

Laten wij als Hanna zijn, het kind afstaan aan de HERE God. Opdragen aan de HERE God. Het als vaders en moeders rein en heilig opvoeden. Dicht in de tempel. Dichtbij het hart van Jezus. Daar is het veilig. O HERE God, help ons en al de moeders en vaders om hun kinderen op te voeden in de vreze des HEREN. Ze hebben het vandaag de dag zo moeilijk. Wilt U Uw stem leggen in het hart van onze kinderen? Al heel jong, want de boze probeert ze te roven, al op heel jonge leeftijd. HERE help, HERE hoor! HERE treed handelend op! En laat alle kinderen geboren worden.

1 Samuël 2:1-26

25 juni [2]

2:2

Er is niemand heilig gelijk de HERE,
want niemand is er buiten U,
en er is geen rots gelijk onze God.

2:8

Hij heft de geringe op uit het stof,
Hij heft de arme omhoog uit het slijk,…
Want de grondvesten der aarde zijn des HEREN;…

2:10

en verhoogt de hoorn van zijn gezalfde.

2:17

Zo was de zonde van die jonge mannen zeer groot voor het aangezicht des HEREN, want de mensen gingen het offer des HEREN gering achten.

Wat een prachtig lied. Wat een logische zaak, dat Maria ook dit lied herhaalt en zingt. Het gaat hier immers om de gezalfde. We hebben een God van won­deren. We hebben een geweldige God. Hij is de Schepper van hemel en aarde. Hij verhoogt en vernedert. Hij heft de geringe op uit het stof. Hij heft de arme omhoog uit het slijk. Er is geen rots gelijk onze God. Daar zou je een gewel­dig stuk van moeten componeren. Daar zou je een geweldig lied van moeten maken. Daar komt geen einde aan. Heerlijk! Heerlijk! Heerlijk is zijn Naam! Met dat lied kom je in de hemel. Je ziet de schoonheid en de Almacht van God. Wat denken we wel met onze hooghartige houding? Wie denken we dat we zijn? We zijn stof. Alleen Hij kan ons oprichten. En Hij richt ons op als we het van Hem verwachten. Dan komt het er niet meer op aan wat we doen en wat we bezitten en hoe we er uitzien. Het zijn niet meer de dingen van het vlees, maar de dingen van de geest. Het leven in en met Hem. En dat is het eeuwige leven. Daar hebben we heel veel van vergeten. Dat moeten we de men­sen weer voorhouden. Glorie voor zijn Naam! Dank U, HERE God. Heer­lijk is zijn Naam.

Hanna heeft haar kind van God gekregen. Neen, Hanna heeft hem van de HERE gebeden. Heerlijk! Wat een wonder. Zij, de onvruchtbare, wordt vruchtbaar. De HERE hoort, de HERE regeert. De HERE doet wonderen. De HERE doet wonderen op gebed. We moeten de HERE bidden. Wij kunnen wel van alles willen. Maar Hij wil gebeden worden. Hij wil dat we Hem ge­hoorzaam volgen. Wat een verdriet kan er zijn. Wat een ellende. Wat een zorg. Maar Hij is er altijd. Hanna zingt het uit. En Maria roept het uit. Hij is geboren! De Messias! Wat een Messiaanse profetie in het lied van Hanna. Wat een Rots. Wat een Gezalfde. Alle woorden van de komende Messias zit­ten er in opgesloten. Wie denkt dat hij het zonder God wel kan, die op eigen kracht vertrouwen, die komen verkeerd uit. Die redden het niet. Die gaan ten gronde. Het kan wel het omgekeerde lijken. En hoe vaak lijkt het niet het om­gekeerde? Maar de werkelijkheid moeten we vanuit God zien. We kunnen tegen van alles op zien. Het kan allemaal anders lopen dan we dachten. Maar God blijft op de troon ons zegenen. We moeten omhoog kijken. En dan ont­dekken we een geweldige zegen. Dank U, HERE God. Hanna is zo onder de indruk. Ze heeft haar zoon afgestaan voor de dienst van de HERE. Heerlijk om onszelf af te staan voor de dienst van de HERE. Dat kan op de plaats waar we zijn.

We mogen ons onvoorwaardelijk overgeven aan de liefde van Jezus. En Hij vult ons hart met liefde. Glorie voor zijn Naam! Dank U, HERE God! Dank U wel!

1 Samuël 2:27-4:1a

26 juni [2]

2:30

Want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij versmaden, zullen gering geacht worden.

2:33

al wat uit uw familie stamt, zal op mannelijke leeftijd sterven.

2:35

En Ik zal Mij een betrouwbaar priester aanstellen, die naar mijn hart en in mijn geest handelt en Ik zal voor hem een duurzaam huis bouwen, zodat hij te allen tijde voor het aangezicht van mijn gezalfde wandelen zal.

3:1

Nu was in die dagen het woord des HEREN schaars; gezichten waren niet talrijk.

3:4

Toen riep de HERE Samuël, en hij zeide: Hier ben ik.

3:7

Samuël nu kende de HERE nog niet; nog nooit was hem een woord des HEREN geopenbaard.

3:9

zeg dan: spreek HERE, want uw knecht hoort.

3:11

Toen zeide de HERE tot Samuël: Zie, Ik ga in Israël iets doen, zodat een ieder die er van hoort, de beide oren tuiten zullen.

3:18

Hij is de HERE, Hij doe wat goed is in zijn ogen.

3:21

want Hij openbaarde Zich in Silo aan Samuël door het woord des HEREN.

Eli gehoorzaamde meer zijn zonen dan God. En dat wordt hem tot oordeel gerekend. Een profeet komt en kondigt het oordeel aan. Het huis van Eli, uit het huis van Levi. Daar was de dienst aan God aan toevertrouwd. Maar ze hadden er een eigenwillige godsdienst van gemaakt. En daar kan alleen maar het oordeel op volgen. En het oordeel kwam. Het huis van Eli wordt gestraft. En Hofni en Pinehas zullen beiden op één dag sterven. Zij zondigen. Ze doen vreselijke dingen. Ze houden zich niet aan de voorschriften van God. En als je dat doet dan ga je de wet van God verkwanselen. Dan gaan de mensen denken: ‘Als de priester het al niet meer doet, waarom zullen wij dan nog zo precies Gods geboden houden?’ Het wordt: Zo priester, zo volk. Hosea 4. Dan gaat het verkeerd in het land. Het wordt liegen, moorden, stelen en echtbreken. Het is een logisch gevolg als de geboden van God uit het land zijn. Als de priesters het Woord niet meer recht snijden. Dan gaat het verkeerd. En dat zien we voor onze ogen.

De geboden van God zijn niet moeilijk. Ze zijn niet aan de overkant van de zee. Ze zijn heel dicht bij in uw hart en in uw ziel. Maar God laat zijn volk niet in de steek. Hij wijst een nieuwe gezalfde aan. Hij gaat door met zijn plan. Want zijn grote plan is om de wereld terug te brengen naar het paradijs. De zonde is in de wereld gekomen. Maar daar komt een einde aan. God heeft een plan. Hij heeft een plan tot verlossing. De wereld van recht en gerechtig­heid. De wereld waar God regeert. Zoals het in het paradijs was. Dat is zijn belofte aan Abraham, Isaäk en Jakob. Daarom is het volk Israël uitverkoren. De Messias zou geboren worden. De lijdende Knecht des HEREN. Hij, Die de verzoening bracht. Want waar zonde is, is verzoening nodig. En dat kon geen mens. Daarom is de Zoon van God in onze plaats gekomen. Hij heeft de zonde van de wereld op Zich genomen. Wat een mysterie, wat een genade. Wat een zekerheid. En daarom mogen wij leven vanuit de genade van God. Daar kun je niet genoeg van krijgen. Daar word je almaar enthousiaster van. En dat wordt hier bevestigd in het boek Samuël.

Samuël wordt geroepen. De HERE spreekt tot hem. Hij gaat in Israël iets doen, zodat een ieder die ervan hoort, de beide oren tuiten zullen. Dat is God. Je oren zullen er van tuiten. We zien allemaal zonde en ongerechtigheid om ons heen. Ons eigen hart is ook arglistig. Zonde kleeft overal. En de dood heerst in ons sterfelijk lichaam. En dan komt God, Die gaat iets doen waar onze oren van tuiten zullen. Dat is de verlossing. Dat is onze redding. Dat is ons aanbod voor een eeuwig leven. En daar kunnen we toch niet over zwij­gen? Daar zijn we vol van. Daar gaan we mee de wereld in. Het huis van Eli wordt weggevaagd vanwege de ongerechtigheid, maar het Woord van God komt nu tot Samuël. In tijden van ongerechtigheid zijn de woorden van God schaars. Er zijn dan ook weinig gezichten. Maar nu komt Samuël als aan de HERE afgestaan. Zoals zijn naam zegt: Ik heb hem van de HERE gebeden. Nu komt het woord tot Samuël. Hij zal nog heel jong geweest zijn. Daar komt God tot hem. Hij is de gezalfde. Hij spreekt de woorden van God. God laat zijn volk en God laat ons niet in de steek. Keer weer tot Hem! Leg je zonden af! Wat het ook is. En Hij zal tot je komen en je kracht geven om staande te blijven. Glorie voor die Naam!

1 Samuël 4:1b-22

27 juni [2]

4:3

Laten wij de ark van het verbond des HEREN uit Silo halen, zodat die midden onder ons kome en ons verlosse uit de macht onzer vijanden.

4:7

Wee ons, want zo iets is noch gisteren noch eergisteren geschied.

4:8

Wee ons! Wie redt ons uit de macht van dezen geweldige god?

4:10

van Israël vielen dertigduizend man voetvolk.

4:11

Ook werd de ark Gods buitgemaakt en de beide zonen van Eli, Hofni en Pinehas, vonden den dood.

4:21

Zij noemde de jongen Ikabod en zeide: weg is de eer uit Israël…

Wat een verhaal. Wie haalt het in zijn hoofd om de ark Gods weg te halen en midden in het strijdgewoel op te stellen? De Filistijnen begrepen wat er aan de hand was. Wee. Wie kan op tegen zo’n sterke God. Ze wisten de verhalen wat God in Egypte gedaan had. Hoe de Farao, let wel, de machtige onverslaanbare Farao, moest toegeven en het volk laten gaan. En deze God wordt nu van stal gehaald om tegen de Filistijnen te vechten. Maar wat bezielt de goddeloze oudsten en Hofni en Pinehas? Wat mankeert hen? Ze halen de heiligheid van God naar beneden om Hem van stal te halen, als het hen uitkomt, om hun eigen hachje te redden. Ze hadden de eerste slag verloren. Maar in plaats van zich te bekeren, zetten ze God naar hun hand. Net alsof God met Zich laat ma­nipuleren. En dan verliezen ze de volgende strijd. Dertig duizend man sneuve­len en de profetie over Hofni en Pinehas komt uit. Zij sterven beiden op één dag. En Eli, het verhaal horende, breekt zijn nek. En de vrouw van Pinehas, hoog zwanger, weet nog voordat ze stervend haar kind baart, te roepen Ikabod. ‘De eer Gods is uit Israël.’ En zo is het. Zo komt een einde aan deze goddelo­ze priesterdienst. God treedt handelend op. Hij laat niet met Zich spotten. Wie de eer van God schendt, die zal gering geacht worden. Het kan lang, het kan kort duren. Maar het oordeel staat vast. God laat zijn eer niet roven. Door Israël niet en door de Filistijnen niet. Het is steeds weer hetzelfde.

Als de leiders van het volk afwijken van de bevrijdende prediking van de ge­boden van God en er een eigenwillige godsdienst op na houden, en of dit nu vrijzinnig of rechtzinnig is, dan komt het oordeel van God. God wil dat zijn Woord met kracht gepredikt wordt en de mensen worden opgeroepen tot be­kering binnen en buiten de kerken. Niets meer en niets minder. God zit op de troon. Hij regeert het grote wereldgebeuren. De grote strijd die Hij voert is tegen de duivel en zijn trawanten, die gebruik maken van de mensenkinderen om zijn plan te dwarsbomen. En dat kan ver gaan. Hoe was het volk niet vier honderd jaar lang in Egypte. En met vaste, grote hand werden ze uitgeleid. En wat moest daar aan vooraf gaan? En de veertig jaar in de woestijn, was ook de tegenstander telkens actief om het volk af te trekken van de geboden van God. En wat een ellende heeft dat veroorzaakt. En steeds opnieuw zien we die grote strijd.

Dezelfde strijd die woedt in ons eigen hart. God roept ons om gehoorzaam te zijn. Zijn geboden te onderhouden, maar als we van Hem afvallen, dan gaat het verkeerd. Dan komt ons gezin in de knoei. Dan komen onze kinderen in de knoei. Dan wordt de familie besmet. Dan moeten we ons zelf opnieuw beke­ren. En doen we dat niet dan gaat een heel geslacht verloren. HERE God, help ons om op het rechte spoor te blijven. Help ons om niet domme dingen te doen en te blijven binnen de bescherming van uw Heiligheid en Uw openbaring. Dan komen we altijd goed uit. Ook al zien we alles niet duidelijk voor ons. Glorie voor zijn Naam!

1 Samuël 5:1-12

28 juni [2]

5:3

en zij namen Dagon en zetten hem weer op zijn plaats.

5:4

maar het hoofd van Dagon en zijn beide handen lagen afgehouwen op de drempel,…

5:6

Hij sloeg hen met builen,…

5:11

Want in de gehele stad heerste een dodelijke verwarring; de hand Gods drukte daar zeer zwaar:…

In hun overwinningsroes brengen de Filistijnen de ark naar de tempel van hun afgod Dagon. De volgende morgen ligt Dagon op de grond. Dat is nog daar aan toe. Gewoon weer rechtop zetten. Maar de volgende morgen is het hoofd en de armen afgehouwen. Dat is andere koek. En er breken builen uit bij de inwoners. Weg met de ark, naar een andere plaats. Maar daar van hetzelfde laken een pak. Builen, builen. En dan gaat de ark naar Ekron, maar ook daar. De mannen sterven en overal builen. Ze begrijpen dat de hand des HEREN zwaar op hen drukt. De ark moet weg. De ark moet terug. De ark moet naar Israël terug, maar hoe? Er heerst grote verwarring. Iedereen begrijpt dat het met hen niet goed gaat. Ze zijn als de dood dat ze allemaal de dood vinden. Ze denken het heilige veroverd te hebben, maar het heilige verovert hen. Weg met de ark. En zo blijkt de Almacht van God. Als wij denken God te kennen dan moeten we met zijn Almacht en Heiligheid niet spotten. Want er gebeuren heel concrete dingen. God is niet ergens een gedachte, maar een concrete per­soonlijkheid, Die zijn eigen plan heeft van eeuwig leven en dat betekent heili­ging en gehoorzaamheid aan Hem. Daar gaat het om.

1 Samuël 6:1-7:1

1 juli [2]

6:3

maar gij moet Hem in ieder geval genoegdoening geven; dan zult gij genezen en zal u bekend worden, waarom zijn hand niet van u wijkt.

6:7

spant die koeien voor de wagen, maar brengt haar kalveren bij haar vandaan naar huis terug.

6:9

dan is Hij het, die dit grote onheil over ons gebracht heeft.

6:19

En Hij richtte een slachting aan onder de mannen van Beth-Semes, omdat zij de ark des HEREN bekeken hadden;…

7:1

En zijn zoon Eleazar heiligden zij om voor de ark des HEREN zorg te dragen.

Weg met die ark! Weg met die God! We krijgen er alleen maar last mee. Ze spreken over genoegdoening. Ze geven vijf gouden builen en vijf gouden muizen. Ze doen ze in een kistje. Ze nemen twee zogende koeien, maar laten hun kalveren thuis. Een zogende koe laat nooit haar kalf alleen. Maar wat gebeurt er. Ze gaan meteen richting Israël. En dan wordt de ark overgedragen. Maar de HERE richt een slachting onder de mensen aan, want zij hebben naar de ark gekeken. Ze wisten toch dat de ark heilig was en achter het voorhangsel stond en slechts één keer per jaar op grote verzoendag door de hogepriester werd besprenkeld met bloed. En nu staat die ark daar open en bloot en zij vergapen zich er aan. Dat is een grote fout. We moeten de heiligheid van de HERE God serieus nemen. We zijn maar al te vaak joviaal als het om dingen van de Heer gaat. Dat begint al op school als we niet voor de naam van God uitkomen. En er ook maar half verbasterde bijbelse vloekwoorden op na houden. We lopen de kantjes er vaak ook af. Soms weten de mensen niet dat we volgelingen van Jezus Christus zijn. Daar hebben we het dan maar al te lastig mee. We hebben te maken met een heilig God. Als er geschreven staat, hoe je met de ark omgaat, dan moet je je daar dan ook in alle gevallen aan houden. Dan gaat de ark weer verder en komt in het huis van Abinadab. En die heiligt zijn zoon Eleazar om voor de ark te zorgen. De ark is nog niet op zijn plaats, maar toch onderweg. God woont temidden van zijn volk. Pas op, dat Hij daar blijft.

Pas op dat zijn volk ook zijn geboden bewaart. Daar gaat het om. Het zou wel goed zijn om de mensen ook sociaal te bemoedigen om meer ernst te maken met de situatie waarin we leven.

1 Samuël 7:2-8:22

2 juli [2]

7:3

Indien gij u met uw gehele hart tot de HERE bekeert,… dan zal Hij u redden uit de macht der Filistijnen

7:5

dan zal ik voor u tot de HERE bidden.

7:6

Wij hebben tegen de HERE gezondigd.

7:10

maar de HERE deed te dien dage machtig de donder rollen over de Filistijnen en bracht hen in verwarring,…

7:12

hij gaf hem de naam Eben-Haëzer, en zeide: Tot hiertoe heeft ons de HERE geholpen.

7:16

Hij maakte van jaar tot jaar een rondreis…

8:3

Maar zijn zonen wandelden niet in zijn wegen, zij waren op winstbejag uit,…

8:7

maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn.

8:18

Te dien dage zult gij jammeren over uw koning…

Waar gaat het om. Het gaat om bekering. Weg met de afgoden. Weg met de eigenzinnige godsdienst. Het gaat om gehoorzaamheid aan de HERE. Je kunt nog zoveel klagen en te hoop lopen tegen dit en tegen dat, maar als je aan je zonde vasthoudt dan gaat het verkeerd. Dan wordt het ramp op ramp. Bekeert u met uw ganse hart. Dan zal de HERE naar u horen. En zo doet het volk. En Samuël bidt tot de HERE God. De Filistijnen rukken op. Want de vijand is er meteen bij als je je bekeert. Dan komt de druk meteen om je te testen. Om te zien of het wel echt is. Want ons hart is arglistig. Maar de HERE geeft de don­der en de Filistijnen vluchtten. De HERE Zelf grijpt in. Zo is het altijd. Niet wij behalen de overwinning, maar het is God die voor ons strijdt en ons de overwinning geeft. Wat een machtige gedachte. Hij laat de zijnen nooit in de steek. Hij waakt over hen. En bij Hem zijn we veilig. Hij richt een steen op. Eben-Haëzer: Tot hiertoe heeft de HERE ons geholpen.

Zo is het. Als we gehoorzaam blijven dan is de HERE met ons. Hij helpt ons en wil ons blijven helpen. De Baäls en de Astartes wegdoen. Het Woord van God onvervalst en met verve verkondigen. Het kwaad ontmaskeren en aan de kaak stellen. Er niet om heen draaien. HERE, help ons! HERE, vergeef ons! Onze zonden belijden. Wij hebben gezondigd. Wij hebben niet naar U geluisterd. En dan hoort de HERE. We zien het hier en we zien het overal in Gods Woord.

Gedurende de tijd dat Samuël het volk richtte, was er vrede. God was met hen. Hij zegende hen met vrede. God was in hun midden. Waar God is, daar heerst vrede. Daar kunnen de omstanders tekeergaan en doen alsof zij het heft in handen hebben, maar daar is innerlijke vrede en blijdschap. Zo, dat de mensen zeggen: Wat hebben die mensen toch? Dat is het geheim van de stille omgang met God. Dan verstommen je klachten en je murmureren, maar dan komt er dankbaarheid en blijdschap voor wat God in je leven heeft gedaan. Dan kun­nen jouw Filistijnen wel proberen je aan te vallen. Maar je wordt onaantast­baar. Je kunt wel vurige pijlen op je afgevuurd krijgen, maar die doven in het schild des geloofs. En zelf heb je het zwaard des geestes, dat is het Woord van God. Wat willen we nog meer. Dank U Heer, voor zoveel zegen en zoveel ze­kerheid. Vergeef mij mijn wankelmoedigheid. Dank U, dat U mij niet los­laat, maar me vasthoudt met uw koorden van liefde.

Als Samuël oud was, wandelen zijn zonen niet in zijn voetspoor. Ze zijn op winstbejag uit. Tragisch. Zo’n geweldig richter en zo gooien zijn zonen zijn reputatie te grabbel. Het volk wil een koning. Samuël is teleurgesteld. Een koning. God zegt: Het gaat niet tegen jou maar tegen Mij. Zo hebben ze altijd gedaan. Ze zijn altijd tegen Mij tekeergegaan. Kijk maar in het verleden. En dan wordt het volk gewaarschuwd welk een druk een koning op het volk legt. Maar nee hoor. Ze willen een koning. Net als al de andere volken. Deze ko­ning zal hen leiden. Ze blijven volharden. Samuël is teleurgesteld, maar God zegt: ‘Doe wat ze zeggen. Stel een koning over hen aan’. Dat zal dan ook ge­beuren. Tragisch dat het zo moet gaan. God wil bij de mensen wonen, maar de mensen willen niet die nabijheid van God. Ze kijken de heidenen aan hoe die zich laten leiden. Wat een afgang, maar ook wat een God. Die geeft toe. Ze zullen het zelf zien. Hij volvoert zijn plan nu met een koning voor het volk. En Samuël, de knecht van God, moet het uitvoeren. En hij gaat het dan ook uit­voeren.

1 Samuël 9:1-25

3 juli [2]

9:3

Neem toch een van de knechten mee en ga heen, zoek de ezelinnen.

9:9

Komt, laten wij naar den ziener gaan.

9:12

haast u nu, want hij is vandaag in de stad gekomen, omdat het volk vandaag een offermaal heeft op de hoogte.

9:16

Morgen om deze tijd zal Ik een man uit het land van Benjamin tot u zenden; hem zult gij tot vorst over mijn volk Israël zalven…

9:21

En is mijn geslacht niet het geringste van alle geslachten van de stam Benjamin? Waarom spreekt gij dan zó tot mij?

God voegt de daad bij het woord. Saul zoekt de ezelinnen. Het heeft ogen­schijnlijk niets te maken met de koning. Maar in Gods methode heeft het er alles mee te maken. God heeft steeds zijn eigen methode. Wij denken: ‘Ook toevallig’. Maar we mogen leren zien dat er in feite niets toevalligs is. Als we terugkijken, hoe vaak ontdekken we dan toch geen patroon. En ook al zien we geen patroon, dan is er toch Gods plan in ons leven. De vader van Saul zegt: ‘Zoek de ezelinnen’. De knecht zegt: ‘Laten we de ziener vragen’. En dat doen ze. De meisjes onderweg zeggen: ‘Haast je, want hij is vandaag in de stad’. En ze ontmoeten hem en Samuël weet nu dat dit de man is. God heeft hem dit gis­teren gezegd, dat de man die hij de volgende dag ontmoet, op hetzelfde tijd­stip, de man is, die hij tot koning moet zalven. En als God iets zegt, dan doet Hij het ook. En zo gebeurt het. God brengt de lijntjes bij elkaar. Daar kun je zeker van zijn. Saul snapt niets van de geheimtaal die Samuël spreekt. Hij, uit de geringste stam onder Israël. Wat bedoelt de profeet? Maar hij neemt hem mee. Hij eet van het offermaal, het stuk dat is overgebleven. Hij spreekt met Saul op het dak. Wat gaat er gebeuren? Niemand weet het. Samuël voert uit wat God hem gezegd heeft.

Wat een prachtig verhaal. Wat een uitverkiezing. Saul was schoon van gestal­te. Hij was een kop groter dan de anderen. Hij zal Israël verlossen uit de hand van de Filistijnen. De roep van het volk was doorgedrongen tot God. En God hoort en verhoort. Hij geeft hen een koning. Hij is er tegen, maar vanwege de hardheid van hun hart, geeft hij Samuël opdracht om een koning te zoeken. Daar was Samuël zelf ook debet aan, want zijn zonen maakten er een potje van. Zij bestalen het volk, omdat ze op winstbejag uit waren. Het is opvallend dat Saul en zijn knecht eerst niet durven te gaan omdat ze niets bij zich hebben voor de profeet. Was het dan gebruikelijk om de profeet te betalen voor zijn profetie? Of was het zover gekomen dat iedereen betalen moest voor een ad­vies van de profeet? Was dat het winstbejag waar de zonen van Samuël op uit waren?

Maar God zoekt een koning. En het wordt Saul, uit de stam Benjamin. Merk­waardig, niet uit de stam Juda. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. We zullen zien hoe het verder gaat. Let ook op vandaag en de rest van uw leven welk plan God met uw leven heeft. Hij heeft een plan. Wandelen in gehoorzaam­heid betekent dat we Gods stem in ons leven horen. Wandelt op de weg die Ik u laat gaan. Luistert naar mijn stem. En ga niet links en niet rechts. Dan kom je goed uit. Heerlijk zo’n God te hebben, Die je niet in het ongewisse laat. Ge­wone, eenvoudige gehoorzaamheid, is de wil en de stem van God volgen op weg naar zijn eeuwige Koninkrijk van recht en gerechtigheid. Dank U, HERE God! Dat geeft rust en vrede.

1 Samuël 9:26-10:27

4 juli [2]

10:1

Heeft de HERE u niet tot vorst over zijn erfdeel gezalfd?

10:6

Dan zal de Geest des HEREN u aangrijpen; gij zult met hen in geestvervoering geraken en tot een ander mens worden.

10:7

doe dan wat uw hand vindt, want God is met u.

10:9

schonk God hem een ander hart.

10:11

Is Saul ook onder de profeten?

10:19

Maar thans verwerpt gij uw God, die voor u een verlosser was uit al uw rampen en noden,…

10:22

Zie, hij houdt zich ergens tussen het pakgoed schuil.

10:23

dat hij een hoofd boven al het volk uitstak.

10:24

De koning leve!

Neen, het was niet uit vreugde dat God toestemming gaf om een koning aan te stellen. Het was vanwege hun ongehoorzaamheid. En als de koning wordt aan­gesteld zegt Samuël dat ook. ‘Maar thans verwerpt gij God, die voor u een verlosser was...’ Wat een tragiek. God wilde bij zijn volk wonen. Hij manifes­teerde Zich in machtige daden. En wat wil het volk? Een koning, net als ande­re volken. De heidenvolken. En waren ze ook al steeds niet afgevallen van God en zelfs de goden van de heidenvolken achterna gegaan? Wat is de macht van de boze sterk. God is bij hen. En de duivel probeert hen steeds te verlei­den. De hele veertig jaar door de woestijn was dat het geval. En wat moet er niet gebeuren om de machtige macht van de occulte Farao te breken. Het is een heidens werk. De duivel heeft macht. Hij is de overste dezer wereld. We moeten daar niet te gering over denken. Het is onvoorstelbaar. Maar het is waar. Hij is machtig. Maar God is oppermachtig. Hij geeft het volk een koning om de hardigheid van hun harten. En Hij wijst Saul aan. God houdt de regie in eigen handen. Er gebeuren onderweg allemaal heel concrete dingen op een rij. Het is alsof God Samuël ook er pertinent van wil overtuigen dat dit de weg is en dat Saul de man is. Uit de stam Benjamin. Dat zou je toch helemaal niet verwachten?

Saul krijgt een nieuw hart. God stuurt hem onder profeten. Het valt op. Hij verandert. Hij wordt eenswillend met Gods wil. Het gezegde ontstaat: ‘Is Saul ook onder de profeten?’ Want dat had men van de Saul die ze kenden niet ver­wacht. Maar God verandert mensen. En dan wordt de koning aangewezen. Saul wordt achter de pakken weggehaald. En Samuël verklaart hem koning. In plaats van: Leve de HERE, wordt het: Leve de koning! Samuël schrijft alles omtrent de regeling van de koning op en ze gaan huns weegs. Het volk heeft een koning. Een nieuwe fase in Gods plan met zijn volk. We zijn benieuwd.

1 Samuël 11:1-15

5 juli [2]

11:3

en indien niemand ons te hulp komt, zullen wij ons aan u overgeven.

11:6

Toen Saul deze woorden hoorde, greep de geest Gods hem aan,…

11:7

Toen viel de schrik des HEREN op het volk, en zij trokken uit als één man.

11:13

want de HERE heeft heden verlossing aan Israël geschonken.

11:15

en riep daar Saul tot koning uit voor het aangezicht des HEREN…

De Geest van God grijpt Saul aan. Hij hoort van het wrede plan om de inwo­ners van Jabes het rechteroog uit te steken. Als een man roept Saul het volk. En niemand blijft achter. Ze trekken ten strijde en Jabes wordt ontzet. Er is moed voor nodig om in beweging te komen. De Geest van God zet in bewe­ging. Vertrouwen op Hem. Met Hem gaan. Met Hem worden grote legers ver­slagen. De vijand stuift uiteen. Tegen het geweld van de kracht van God is niemand bestand. Dan komen de dingen weer op zijn plaats. Daar gaat het om. Niet benauwd zijn. ‘Wee je gebeente als je achterblijft’, zegt Saul. En hij geeft aanschouwelijk onderwijs door met de in stukken gehouwen runderen het land door te trekken, als voorbeeld dat hij met iedereen die niet mee wil, evenzo zal doen. Nou, zie ze eens lopen. Stel je voor. Dan maar mee met de strijd. Er zul­len heus wel bangerds bij geweest zijn, maar ze kiezen voor hun hachje.

‘De overwinning is van de HERE’. zegt Saul. En ze vieren feest. Het koning­schap wordt vernieuwd. Bevestigd. Dit is Saul. Niet een slappeling, maar een man met een nieuw hart. Een man die door de Geest van God gegrepen, ge­hoorzaam overgaat tot de daad. Had de profeet niet gezegd toen hij onder de profeten was en de Geest van God hem aangreep, dat hij moest gaan doen wat zijn hand vond om te doen? En wat gebeurt hier? Hij hoort van het wrede plan. Hij staat op. Hij gaat over tot de daad. Hij neemt het niet. Hij gaat in zijn autoriteit staan. Hij brengt het volk bijeen. Hij bevestigt zijn koningschap. En niemand heeft het lef het te weerstaan. ij mogen gaan staan in de autoriteit van het gezant zijn van Koning Jezus. En mèt Hem gaan om Hem te proclameren aan een wereld verloren in schuld. Daar gaat het om. Daar moeten we sterk in zijn. De Geest des HEREN wil ook ons aangrijpen. Wees bereid! Onderwerp je aan God. Het is heerlijk om met Hem te zijn. Dank U HERE, voor uw grote kracht. U bent vandaag ook dezelf­de. U regeert het wereldgebeuren. Amen.

1 Samuël 12:1-25

6 juli [2]

12:10

Wij hebben gezondigd,… nu dan, red ons toch uit de macht onzer vijanden, dan zullen wij U dienen.

12:17

Weet dan en ziet, dat het kwaad groot is, dat gij in de ogen des HEREN gedaan hebt door voor u een koning te vragen.

12:18

en de HERE gaf op die dag donderslagen en regen, zodat het gehele volk zeer bevreesd werd…

12:22

Want de HERE zal zijn volk niet verstoten, om der wille van zijn groten naam.

12:25

Maar indien gij toch kwaad doet, zult gij zowel als uw koning weggevaagd worden.

Samuël gaat afscheid nemen. Hij noemt de grote daden van de HERE God op. Geweldig. Geen enkele God is daar toe instaat. Maar ze moesten zo nodig een koning. Net als de andere volken. Dat was een groot kwaad. Daarmee hebben ze de HERE gekrenkt. En Samuël herhaalt het hier. Het wordt ook nog eens heel nadrukkelijk bevestigd. Door de donder en de regen. Ze roepen het uit. Ze smeken of Samuël voor hen wil bidden tot God dat het afgewend wordt. En weer komt de herhaling. Goed, ze hebben dan een koning vanwege hun onge­loof en weerbarstigheid, maar ze moeten de HERE hun God dienen, met heel hun hart. Doen ze dat niet, dan komen ze verkeerd uit. Dan zullen de vijanden hen overheersen. Zij hebben hun God en hun God is groot. Het volk belooft het. Ze willen God dienen. Ze weten wat ze verkeerd doen. Als ze hun afgo­den wegdoen, als ze hun schuld belijden, dan zal God horen. Ze moeten blij­ven bij de HERE God. Zo niet, dan zal God hen ook hun koning afnemen. En zie wat er gebeurd is. Ze hebben geen koning meer. En zijn zelfs over de hele wereld verspreid. Ze zijn vervolgd. Het is een grote oproep om trouw te blij­ven. Het is herhaling op herhaling. Als je de HERE God vreest, dan zal het je welgaan. Doe je het niet, dan moet je het zelf maar weten. Dan kom je om, dan moet je niet God de schuld geven. Maar dan heb je zelf het oordeel over je gehaald. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem geloofd, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Daar gaat het om. Dat is de werkelijkheid. Doe je dat niet, dan ben je reeds veroordeeld. Want je kiest zelf om deze Jezus niet te volgen.

Wat een steeds weer terugkerende krachtige oproep. Kennelijk is dat nodig, omdat we zo weerbarstig zijn en de zonde ons zo aanvalt, dat we er steeds weer naast zitten. Maar daar moeten we ontzettend mee oppassen. Want God regeert. We kunnen wel denken van niet. Maar Samuël roept de donder en de regen op en het gaat toch tekeer, dat het hele volk het uitschreeuwt. Ze denken dat ze er aan gaan. Maar God ontfermt zich. Hij wil nog eens benadrukken dat Hij een God ten goede is. Hij wil ons zegenen. Zijn geboden zijn ten goede voor ons en de onzen. Daarom moeten we bij zijn geboden blijven. Dat is heerlijk. De geschiedenis van het volk van God, is er een van Gods trouw en vaak de ontrouw van zijn volk. En dan komt de verootmoediging en de beke­ring van het volk, zodat God weer verder met ze gaat. Het is ook voor ons een oproep. Gaan we Gods geboden loslaten, dan gaat het verkeerd. Dat zien we in eigen land ook voor ogen. Het gaat om de gehoorzaamheid en de liefde voor elkaar. Daar moeten wij ook steeds weer naar terug. Vandaag mee beginnen. Ieder weet voor zich zelf wel waar het aan schort.

1 Samuël 13:1-22

7 juli [2]

13:10

Nauwelijks was hij gereed met het offeren van het brandoffer, of zie, daar kwam Samuël.

13:14

Maar nu zal uw koningschap niet bestendig zijn. De HERE heeft Zich een man uitgezocht naar zijn hart…

13:19

Een smid was er niet te vinden in het gehele land van Israël,…

Hij komt niet. Hij komt niet. Hij heeft gezegd om te komen en nu is hij er nog niet. Het is nu zeven dagen. En dan zou hij komen. De mensen beginnen al weg te lopen. Dan zal ik zelf maar maatregelen nemen. Ik offer zelf wel. Daar­voor hoeven we niet op Samuël te wachten. En daar gaat het offer. Koning Saul offert. En nauwelijks is hij klaar of Samuël komt eraan. Wat doet u, ko­ning? Ik was bang, dat ze zouden weglopen en het leger der Filistijnen ons zou overmeesteren. Ik heb de HERE niet geraadpleegd. Saul, Saul! Het koning­schap had altijd aan jouw gegeven kunnen worden, maar nu is het voorbij. Je hebt niet gedaan wat de HERE God je gezegd heeft. Het koningschap zal van je afgenomen worden. God kiest zich een man uit naar zijn hart. En zo gebeurt het. Saul in ongenade.

Het komt er echt op aan. Als God iets belooft, dan doet Hij het ook. We moe­ten Hem niet voor de voeten lopen. Want dan gaat het mis. En mis ging het hier. Het koningschap wordt van Saul afgenomen. Een ernstige zaak. Dus het is belangrijk dat we nauwgezet naar de stem van God horen. We zijn er maar zo niet klaar mee. HERE God, houdt ons dicht bij U en laten wij gehoorzaam zijn. In het hele land is geen speer of mes. De Filistijnen hadden verboden dat ze zelf metalen voorwerpen gingen maken. Saul lag er wel met een leger, maar ze hadden eigenlijk helemaal geen wapens. Maar God is er en de zegen daalt neer. Israël spreekt ook. Want het is toch het beloofde volk. De Messias moet uit de Joden geboren worden.

Het is ook in dit stuk weer heel belangrijk dat we de Bijbel lezen en herlezen. We krijgen er zoveel degelijke lessen voor terug. Het was een verfrissing om daar weer eens mee bezig te zijn.

1 Samuël 13:23-14:26

8 juli [2]

14:6

Kom, laten wij oversteken naar de wachtpost van deze onbesnedenen. …want de HERE kan evengoed verlossen door weinigen als door velen.

14:10

maar indien zij zeggen: klimt tot ons op –… want dan heeft de HERE hen in onze macht gegeven…

14:12

Klimt tot ons op, dan zullen wij u leren.

14:15

Toen kwam er schrik in de legerplaats,… en de aarde beefde, zodat het werd tot een schrik Gods.

14:23

Zo verloste de HERE op die dag Israël.

14:26

maar niemand bracht de hand aan de mond, want het volk vreesde de eed.

De geweldige heldendaad van Jonathan. Saul lag daar met zijn manschappen. De Filistijnen hadden zich ingegraven. De mensen hadden zich verborgen. Er gebeurde dus niet veel. Wat moet er nu gebeuren? Jonathan doorbreekt de pat­stelling en gaat met zijn wapendrager op pad. Ze hebben het over een teken. Ze geloven dat God dat teken gebruikt. Als zij zeggen: Klim tot ons op. Dan zal God hen in hun macht geven. En zo gebeurt het. Ze klimmen op en bren­gen een slachting aan. Het leger wordt onrustig en ze gaan op de vlucht. Er was grote verwarring. De schrik des HEREN. Zo verloste de HERE op één dag Israël. Jonathan zegt: ‘De HERE kan net zo goed verlossen door weinigen als door velen’. En zo is het. Ze gingen in geloof. Ze vertrouwden op God. Ze vroegen om een teken. En God gaf hun het teken. Ze hadden een rotsvast ge­loof dat God dan ook zo zal handelen. En zo gebeurde het. Voor de Filistijnen was het een fluitje van een cent. Die twee mannen die naar boven klauterden waren een gemakkelijke prooi voor hen. Ze zouden ze wel eens mores leren. Maar het omgekeerde gebeurde. God gaf hen de overwinning. Ze hadden daar ook helemaal op gerekend. Want God had hen dit teken gegeven.

En zo is het. Als we gaan in volledig vertrouwen op God, dan zullen we ver­steld staan van wat er gaat gebeuren. We moeten het veel meer van God ver­wachten. We moeten geloven en handelen vanuit zijn Almacht. En dat is toch ook zo? Wat een grote daden heeft de HERE God wel niet gedaan? En ook nu weer. Ze zitten volledig in de knel met de Filistijnen. De mensen zijn gevlucht in de holen en de spelonken. Ze hebben niet eens speren en zwaarden. En toch: In één dag redt hen de HERE God. Wat een geweldige God. We lopen tegen de vloek van Saul aan. Hij had verboden dat iemand iets zou eten voor­dat hij zich op de vijand gewroken had en niemand at dan ook. Maar Jonathan had het niet gehoord. Wat gaat er nu weer gebeuren? Het blijft spannend in de Bijbel.

Met God is het leven één grote enerverende, verrassende reis. Je komt met Hem altijd goed uit. En er gebeurt altijd iets waar je weer op kunt voortbordu­ren. Wat zou het leven zonder God zijn? Hij is aan je zijde. Hij wil je verlos­sen. En Hij heeft daar zo zijn eigen methoden voor. Tenminste, steeds zo, dat we zelf de eer niet kunnen opeisen. En dat is maar goed ook. Want we hebben het in ons lijf om steeds maar weer op de troon van God te gaan zitten.

1 Samuël 14:27-52

9 juli [2]

14:29

Mijn vader heeft het land in het ongeluk gestort;…

14:30

Maar nu is de slachting onder de Filistijnen niet groot.

14:31

ofschoon het volk zeer uitgeput was.

14:33

Zie, het volk zondigt tegen de HERE door te eten met bloed en al. …wentelt ogenblikkelijk een grote steen hier naar mij toe.

14:37

Maar op die dag antwoordde Hij hem niet.

14:43

Ik heb inderdaad met de punt van de stok die ik in mijn hand had, een weinig honig geproefd. Hier ben ik: ik ben bereid te sterven.

14:45

Zo bevrijdde het volk Jonathan, en hij stierf niet.

14:47

En overal, waarheen hij zich wendde, zegevierde hij.

Jonathan verslaat de Filistijnen. Of eigenlijk niet. God verslaat de Filistijnen. Saul verbiedt honig te eten. Het volk is uitgeput. Maar ze moeten verder strij­den. Ze overwinnen, maar de overwinning is minder groot dan als ze krachtig waren geweest. Jonathan zegt: ‘Mijn vader stort ons in het ongeluk’. Hij weet niet van het verbod en eet met de punt van zijn stok honig. Heel het volk weet het. Het volk, hongerig, eet de buit met bloed. Een doodzonde. Want het bloed moet worden vergoten. Saul zegt: ‘Offert en doe verzoening’. En zo gebeurt het. Dan wil Saul verder vechten. De priester zegt: ‘Vraag het God’. Dat doet hij, maar God antwoordt hem die dag niet! Dan moet er iets gebeurd zijn. En na aanwijzing door het lot, vertelt Jonathan dat hij honig at en bereid is te ster­ven. Saul zegt: ‘Je moet sterven’, maar het volk steekt er een stokje voor. Hij blijft leven. Saul heeft in de rest van zijn leven oorlogen. Hij doet dappere da­den. Hij overwint naar alle kanten. We hebben hier te maken met een koning, die zich niet volledig overgegeven heeft aan de HERE God. Hij doet domme dingen. Het volk is hongerig en mag niet eten, maar moet wel vechten. Dat slaat nergens op en Jonathan begrijpt dat. Als je moet vechten, moet je niet vasten. En als God niet antwoordt die dag, zou hij ook nog een dag hebben kunnen wachten. Maar neen, zijn conclusie is: Er is een ban in het leger. En dan komt het eruit. En dan moet Jonathan sterven omdat hij van de honig gegeten heeft. Jonathan, die de overwinning heeft behaald. Dat is te gek. Dat slaat nergens op. Het volk steekt er een stokje voor. Wat gaat er allemaal ge­beuren met deze koning? Hij roept de HERE niet aan. Je moet hem er steeds met de haren bijslepen. En dat is gevaarlijk. Daar moeten we voor oppassen.

Het moet vanzelfsprekend zijn dat we de HERE aanroepen en vragen wat Hij wil dat we doen. We moeten alles doen in afhankelijkheid van Hem. Dan gaat het goed. Dan hebben we vrede en rust. Dan is alles wat ons overkomt van Hem. Prijs de Heer!

1 Samuël 15:1-35

10 juli [2]

15:3

slaat al wat hij bezit met den ban en spaar hem niet.

15:9

Saul echter en het volk spaarden Agag en het beste van het kleinvee… kortom al wat waardevol was;…

15:22

Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffers, luisteren beter dan het vette der rammen.

15:23

Voorwaar, weerspannigheid is zonde der toverij en ongezeggelijkheid is afgoderij en dienen van terafim.

15:24

maar ik vreesde het volk en ik heb naar hen geluisterd.

15:29

Ook liegt de Onveranderlijke Israëls niet en Hij kent geen berouw; want Hij is geen mens, dat Hij berouw zou hebben.

15:35

maar Samuël droeg leed over Saul. En de HERE had berouw, dat Hij Saul tot koning over Israël had aangesteld.

Amalek had Israël aangevallen toen ze door de woestijn trokken. De vloek rust op Amalek. En Saul krijgt de opdracht van God hen met huid en haar uit te roeien. Alles in de ban. Saul doet het, maar het volk neemt alles wat aan het vee waardevol is mee. Ook koning Agag wordt niet gedood. En daar heb je het weer. Als God iets zegt, dan moet je het volledig doen. God heeft geen belang bij halfslachtige christenen. Een beetje dit, maar ook nog een beetje van het andere. Neen, volledige overgave. Daar gaat het om. Hij gaf Zich ook geheel voor ons. Jezus gaf zijn leven niet half, maar helemaal, voor onze zonden. Dan moeten wij ons ook volledig overgeven aan Hem. Anders kan zijn genade niet door ons heen werken. En hoe weten we dat zelf ook wel?

We weten het, maar we doen het zo vaak niet. Dat is stom. We ontnemen ons zelf de zegen. Want God heeft beloofd alles voor ons te doen. Daarom is de vrede in ons hart en de gehoorzaamheid aan Hem, de basis om door dit leven heen te komen. Er kan ons van alles gebeuren, maar we laten ons de vrede en de liefde van God niet afnemen. Neen, nog sterker, God zal ons zijn vrede en liefde, in dit tranendal, in deze wereld waar de zonde heerst, in deze wereld waar ook ons zoveel kan overkomen, niet afnemen. Dat is het wonder van God. Ziekte kan ons treffen. Of wat dan ook, maar we hebben vrede met God, omdat die ons verstand te boven gaat en Hij maar één doel heeft om ons van­uit dit leven door te brengen in zijn eeuwig Koninkrijk van recht en gerechtig­heid. Dat is pas leven. En als we het ontdekken, of weer beter, als we eraan ontdekt worden, dan worden we steeds enthousiaster. Dan kan het niet stuk. Dan zijn we blij en dankbaar. Dan gaan we zingen. Dan doen we al onze afgo­den weg. Kijk maar eens waar wij nog afgoden hebben in ons leven en ons huis. Zet ze maar eens op een rijtje. Breng ze op het altaar van de Heer. En je ontdekt dat er wonderen gebeuren. Wat het ook is. We maken vandaag geen lijstje, al brandt het in me om het te doen. Maar het gaat om bekering en heili­ging. Alles wat niet bij Jezus hoort moet ons hart en huis uit. Nou, ga je gang.

Het koningschap wordt van Saul afgenomen. De halfslachtige, niet stoere ko­ning. Het is te gek. Weg met hem. God heeft berouw dat Hij deze koning heeft aangesteld. Eerst ontkent hij het en zegt met een vrome smoes dat hij de buit die vernietigd had moeten worden wil offeren. Wat een schijnheilige vroom­heid. Dan erkent hij het. Maar God komt er niet op terug. Het staat vast. Samuël heeft het er moeilijk mee. Vreemd toch? Want hij wist toch als geen an­dere dat God goed handelde? Misschien had hij toch ook een te aardse voor­liefde voor deze man. Of was hij te gevoelig. Maar de tijd van Saul is voorbij. God brengt zijn beslissingen ten uitvoer. Verootmoedig ons voor de HERE en Hij zal onze paden rechtmaken. Glorie voor zijn Naam! Halleluja!

1 Samuël 16:1-23

11 juli [2]

16:1

Ik heb hem toch verworpen, dat hij geen koning meer over Israël zal zijn?

16:4

Betekent uw komst vrede?

16:7

de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan.

16:12

Sta op, zalf hem, want deze is het.

16:13

Van die dag af greep de Geest des HEREN David aan.

16:14

Maar van Saul was de Geest des HEREN geweken, en een boze geest, die van de HERE kwam, joeg hem angst aan.

16:18

en de HERE is met hem.

16:22

Laat David toch in mijn dienst blijven, want hij heeft mijn genegenheid gewonnen.

16:23

en de boze geest week van hem.

God gaat door met zijn plan. Samuël zit niet bij de pakken neer. ‘Ik heb toch het koningschap afgenomen. Ga naar het huis van Isaï.’ En daar gaat hij. Alle zonen gaan voorbij. Maar de kleine David is het. Hij moet tot koning gezalfd worden. En van die dag is de Geest des HEREN met hem. Saul krijgt een boze geest over zich. Hij wordt vreselijk boos. Alleen citerspel helpt. En David speelt de citer en komt aan het hof. Wat een wonderbare geschiedenis. David, de komende koning aan het hof van de koning. Hoe bedenk je het. Het is toch niet te bedenken? Maar het gebeurt. Zo gebeurt alles met een doel.

God gaat met een plan voor ieder door het leven. Dat is mooi. Dat geeft ver­lichting. Daarom is het belangrijk om dicht bij God te leven. Want dan weten we zeker dat God dat plan met je leven ten goede voert. Daarom moet je je heiligen en reinigen en niet met de boze meegaan. Je bekeren van waaraan je vast zit. Je zonden belijden. En hoeveel zwakheden kleven ons niet aan? Maar Gode zij dank, Hij redt ons. De geest van God wil vaardig over ons worden als wij ons heel eenvoudig aan Hem onderwerpen. We zien het in dit verhaal. Saul verlaat God. Is eigenwijs, is bang. Wil geen problemen met het volk. Hij kijkt de mensen naar de ogen. En dan gaat het mis. We moeten God aanzien. Het gaat om Hem. Daarom is het belangrijk om dicht bij God te leven en radi­caal voor God te kiezen. Saul zocht het compromis. Saul zocht zijn eigen den­ken. Zonde van al dat mooie vee. God zal het fijn vinden als we Hem daarvan gaan offeren. Maar God had gezegd: ‘Roei het uit’. Helemaal. Niet half. Maar helemaal. En je denkt dat dat moeilijk is, maar dat is niet zo. Want het is heer­lijk om te doen wat God zegt. Hij geeft vrede en vrijheid. Het geeft ontspan­ning. Geloof je het niet? Probeer het maar. Gewoon doen. Het werkt. Niet om­dat wij het zeggen, maar omdat God het zegt. Prijs de Heer!

1 Samuël 17:1-30

12 juli [2]

17:4

Hij was zes el en een span lang.

17:11

werden zij verschrikt en vreesden zeer.

17:26

Wie toch is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levende God tart?

17:29

Wat heb ik u misdaan? Het was maar een vraag.

Het is het gehele leven oorlog met de Filistijnen. Ze staan weer in slagorde tegenover elkaar. Had Saul maar geluisterd, dan was er meer vrede geweest. Maar het leven van Saul wordt gekenmerkt door ongeduld en ongehoorzaam­heid en eigengereidheid. Hij liep Samuël en God voor de voeten. Als God iets zegt, dan moet je gehoorzaam zijn. Daar zijn geen twee wegen. En daar komt die reus naar voren. Hij tart God. En in plaats van heilige verontwaardiging bij Saul en het volk, zijn ze bang en vrezen voor hun leven. David gaat ook. Drie van zijn broers zijn in het leger; zij zijn Saul gevolgd. En dat terwijl zij toch ook weten dat hun jongste broer, David, koning zal worden. En toch, en dat is ook uit het leven gegrepen, ze volgen de verkeerde. Ook in familie kan dat zo zijn. Dat is tragisch. En toch moeten we dan niet met hen meegaan, maar de weg van God blijven gaan, ook al kost ons dat relaties.

Isaï zegt David om naar zijn broers om te zien. Precies op het uur u komt hij aan. Hij ziet de reus en is in zijn geest ontzettend verontwaardigd en boos. Wie is toch die onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de HERE God tart? Wat een heilige verontwaardiging. Deze heidense, onbesneden Filistijn tart God. Dat neemt David, die vervuld is van de Geest van God, niet. Hij vraagt aan zijn makkers wat men de man zal doen die deze heiden verslaat. Hij vraagt het. Het volk vertelt. Zijn broers worden boos en denken dat hij uit nieuwsgierigheid kwam om de strijd te zien. Waarbij ze denken dat ze het niet kunnen winnen. Wat moet je beginnen tegen zo’n reus? Daar is toch niets te­gen te beginnen? David is verontwaardigd. Wat denken zijn broers wel. Hij heeft toch niets misvraagd? Je voelt de spanning er van afdruipen. Het leger is doodsbang. Ze kunnen niets meer hebben. Ze zijn overgevoelig.

En zo is het vaak. Als je in de rats zit, overspannen, zenuwachtig bent, dan kun je niets hebben en dan flap je er vaak van alles uit. Het kan ook zijn dat ze niet kunnen hebben dat David de jongste, opnieuw naar voren komt. Ze willen hem wegduwen, want misschien hebben ze wel nooit begrepen wat er toch aan hun tafel plaatsvindt. Het is een boeiend, enerverend verhaal.

1 Samuël 17:31-58

13 juli [2]

17:36

Zowel leeuw als beer heeft uw knecht verslagen. En deze onbesneden Filistijn zal het vergaan als één van dezen,…

17:37

Hij zal mij ook redden uit de hand van deze Filistijn.

17:43

Ben ik een hond, dat gij met een stok op mij af komt?

17:45

maar ik treed u tegemoet in den naam van de HERE der heerscharen, de God der slagorden van Israël, die gij getart hebt.

17:46

opdat de gehele aarde wete, dat Israël een God heeft,…

17:47

Want de strijd is des HEREN en Hij geeft u in onze macht.

17:49

zodat de steen in zijn voorhoofd drong, en hij voorover ter aarde viel.

David en Goliath, het overbekende verhaal. Ieder kind zit met spanning te wachten op het moment dat verteld wordt dat David de reus doodt. Wat een spanning. Wat een wonder. Het is een spannend verhaal. David is bewogen met het volk. Zijn volk. De geest des HEREN was op hem sinds de aanwijzing door Samuël, dat hij koning zou worden. Hij is verbolgen. Wat denkt deze on­besneden Filistijn wel? Hij tart de legerscharen Gods. En dat moeten we niet dulden. Hij schreeuwt tegen David alsof hij een hond zou zijn. David mag gaan van Saul. Hij heeft het de koning uitgelegd. ‘Trek mijn wapenrok aan’, zegt Saul. Typisch. De koning gaat zelf niet voorop. Hij kleedt zich zelfs uit voor deze knecht, die hij niet eens kent. Hij is tot in het diepste ongehoorzaam want zo iets doe je toch niet? De koning, die zich vernedert voor zijn knecht. Weer een beeld van laagheid van de koning. Hij kleedt zich uit. Hij kan niet meer voor het volk verschijnen. David rent op de Filistijn af. Slingert de steen, die hem treft. Zieltogend valt hij neer. David rent naar voren, doodt hem en neemt zijn zwaard en zijn hoofd. Wat een wonder. Wat een daad van God. God treedt handelend op.

De hele wereld moet weten dat God, God is. Dat God, de God van Israël is. Die niet door vlees en bloed strijdt maar door de kracht van zijn Geest. Wat een geweldige gedachte, dat wij deel hebben aan het leger van koning Jezus. Wij mogen opstaan in zijn kracht en de strijd met de boze machten aangaan. Het is een geestelijke strijd. Wij hebben niet te strijden tegen vlees en bloed, maar tegen de machten in de hemelse gewesten. Het hoofdkwartier van God tegen dat van de duivel. Wat een machtig verhaal. Als wij de vijand zo agres­sief zien aanrukken. En wat zien we dat niet, dan moeten we weer een ark gaan bouwen om te redden tegen de heersende mening in. Heerlijk om met die geweldige God te leven.

1 Samuël 18:1-30

14 juli [2]

18:1

en Jonathan had hem lief als zichzelf.

18:7

Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden.

18:9

Sedert die dag sloeg Saul David met wantrouwen gade.

18:11

Maar David ontweek hem tot tweemaal toe.

18:20

Michal echter, de dochter van Saul, kreeg David lief;…

18:29

En Saul vreesde David des te meer. Saul bleef een vijand van David zijn leven lang.

Jonathan, de zoon van Saul, sluit een verbond, een hechte vriendschap met David. David trekt uit en wint steeds. Saul wordt jaloers. Hij haat David. In zijn wilde buien probeert hij David aan de muur te spietsen. Het lukt niet. Hij wantrouwt David. Hij geeft hem eerst zijn dochter en dan weer niet en dan wordt zijn dochter Michal verliefd. Hij laat hem een bruidschat van twee hon­derd voorhuiden van de Filistijnen brengen. Dat lukt David. Saul begrijpt heel goed dat God met David is. Hij wordt voorzichtiger. Hij geeft hem zijn doch­ter Michal. Het is een aangrijpend verhaal. David gaat erop uit en verslaat steeds weer de Filistijnen en het volk is ook op zijn hand. Hij verslaat zijn tienduizenden en Saul zijn duizenden. Trots slaat in zijn hart. Een boze geest is sinds die tijd niet meer van hem geweken. Wat een tragiek

Wat kan jaloezie en afgunst toch een hoop ellende veroorzaken. En wat zit het leven er vol van. Kijk maar naar jezelf. Waar ga je zelf de fout in door het te zijn of met afgunst anderen de loef af te steken? Het gaat eigenlijk vanzelf. Paulus zegt: ‘Als het goede in mij is is het kwade nabij’. Vreselijk, wat kan de zonde heersen in ons lichaam. Maar we moeten hier nog wel een tijdje door. Totdat God ons ook roept. We moeten dus uitermate waakzaam zijn. Saul had maar de bedoeling om David uit de weg te ruimen. Vreselijk. De Geest des HEREN wijkt van hem. Het is voorbij. En hoe meer overwinningen David behaalt, hoe meer Saul hem haat en vreest. Zo gaat het als we met afgunst an­deren gaan bekijken en zelf ons slechter of achtergesteld voelen. Dat moeten we nooit doen. Daar moeten we ons tegen verzetten. En overkomt het ons, dan denken aan deze woorden. Het heeft Saul zijn koningschap gekost.

We kunnen beter dicht bij het Woord van God blijven en zijn geboden doen, dan almaar een beetje je eigen mening er op na houden zonder dat je de moei­te neemt de woorden van God zelf te lezen. Dat kan toch niet? Daar klopt niets van.

1 Samuël 19:1-24

15 juli [2]

19:1

Saul sprak er met zijn zoon Jonathan en al zijn dienaren over om David te doden.

19:7

Jonathan bracht David bij Saul en hij was in zijn dienst als tevoren.

19:10

zodat hij met de speer de wand trof. Daarop vluchtte David en ontkwam in die nacht.

19:21

deze zond andere boden, maar ook dezen geraakten in geestvervoering.

19:24

Is Saul ook onder de profeten?

Het is niet goed met Saul. Hij heeft het op David voorzien. Hij wil hem doden. Maar Jonathan vertelt het aan David. En dan spreekt Jonathan met Saul over David. Vader, David heeft u niets anders dan goeds gedaan. Waarom dan zou u proberen om het te doden? Waarom onschuldig bloed vergieten? En Saul laat zich bepraten en David komt weer aan het hof. Hij speelt weer. Maar dan komt de boze geest weer. Hij grijpt zijn speer en probeert David te doden. Mis. De speer in de wand. David vlucht. Saul gaat hem achterna. Maar hij is gevlucht.

David komt bij Samuël en als hij op reis is met Samuël, geraken ze in geest­vervoering. Saul stuurt zijn boden om hem op te halen. Maar dan komen deze boden ook in geestvervoering. Een tweede groep ook. Evenals een derde. En dan gaat Saul zelf, maar ook hij raakt in geestvervoering. Wat een vreemde zaak. Saul raakt in geestvervoering, juist terwijl hij zo tegen de geest bezig is. Er wordt vrede gesloten, ieder trekt naar zijn eigen huis. God heeft David beschermd. Waarom deze bijzondere wijze van geestvervoering? Wat is daar in dit verband de verklaring bij? Het is interessant om ons dat eens af te vra­gen. Het is ook luguber om het te weten, want achter al dit doden zit iemand die de boel kapot wil maken. Alleen het Licht der wereld helpt je er doorheen.

Wat een zegen, dat we zulk een Heiland hebben. We kunnen er niet genoeg van krijgen. Het is ook een heerlijk en eerlijk verhaal. We worden er steeds enthousiaster van. Dat in die tijd het een voorloper van de hervorming is ge­worden. En geweest. Het is fantastisch. Wat een lessen kunnen we hier weer uit trekken, moeten we dan ook doen. In ieder geval als een boze geest over ons is, dan moeten we per omgaande de HERE Jezus zoeken en hem van de liefde van Jezus vertellen.

1 Samuël 20:1-23

16 juli [2]

20:3

er is slechts één schrede tussen mij en de dood.

20:16

Toen sloot Jonathan een verbond met het huis van David:…

20:21

Zie, de pijlen liggen dichterbij,… dan is het veilig voor u:…

Wat is Saul van plan? Blijft hij achter David aanzitten om hem te doden? Jo­nathan, de vriend van David, denkt dat het nog wel mee zal vallen. Hij heeft immers grote invloed op zijn vader. Hij zal David wel beschermen bij zijn va­der. Hij houdt David wel op de hoogte van wat er gebeuren kan. Maar David is daar niet gerust op. Hij probeert Jonathan te overtuigen dat het niet goed zit met zijn vader. Dan maken ze een afspraak. En ze leggen het heel gedetail­leerd vast. David beklemtoont dat Jonathan ook moet zeggen of er enige onge­rechtigheid bij David zelf is die scheiding maakt tussen hem en Jonathan. Doodt mij als er enige ongerechtigheid is. Jonathan weert dat af en hernieuwt de vriendschap die ze al jaren hebben. Ze hebben elkaar lief, meer dan dat ze zichzelf liefhebben. Wat een grote vriendschap tussen twee mensen. Er is geen speld tussen te krijgen. Het is een lust voor het oog om dat te zien.

En wat is er ook mooier dan een hechte vriendschap tussen twee mensen? Je kunt er op bouwen. Je kunt op elkaar rekenen. Twee zijn sterker dan één. Het geeft zekerheid en rust voor de toekomst. Het is een heerlijk gevoel. En zo was het met Jonathan en David. Ze wisten wat ze aan elkaar hadden. Ze ver­trouwden elkaar blindelings. En dat is pas echte vriendschap. David maakt met Jonathan een afspraak. Als Saul hem aan de maaltijd mist, dan zal hij hem willen doden. Mist hij hem niet, dan zit het goed. Ze spreken het met elkaar af. Het teken zal zijn het afschieten van de pijlen. Roept Jonathan tegen de jongen dat de pijlen verder liggen, dan is het mis. Dan heeft Saul besloten David te doden.

1 Samuël. 20:24-43

17 juli [2]

20:31

Nu dan, laat hem tot mij brengen, want hij is een kind des doods.

20:38

Vlug, maak haast, blijf niet staan!

20:41

Zij kusten elkander en weenden met elkander.

20:42

Ga in vrede; daar wij immers beiden in den naam des HEREN elkander gezworen hebben:…

En aan de maaltijd mist Saul David de tweede dag. En Jonathan zegt dat hij hem de toestemming gegeven heeft om naar het offerfeest in Bethlehem te gaan. Saul wordt woedend. Hij schiet zelfs een speer af naar Jonathan. David is des doods schuldig. Ga hem halen. Jonathan schiet nu de pijlen af. Hij roept dat ze verder liggen en David weet dat het menens is bij Saul. Ze ontmoeten elkaar. Ze hebben elkaar intens lief. Ze wenen en ze kussen elkaar. Ze zijn zeer emotioneel met elkaar. Maar dan vermant David zich. Ze hernieuwen hun verbond met elkaar. Ze zullen nooit tégen elkaar zijn. Dat is nog al wat. Dat is een verbond met de troonopvolger van Saul en met de door Samuël gekroonde koning. Zij zullen dus geen problemen met elkaar hebben. God is goed.

Het verbond tussen Jonathan en David is een beeld van het verbond dat God met ons heeft. Hij zond zijn Zoon Jezus uit het huis van David als de Messias voor de wereld. God had de wereld, ons, zo lief, dat Hij zijn Eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Zo lief had Hij ons. Dat is een onvoorstelbare liefde voor de ander. Jonathan had David lief. Hij ging er zelfs voor tegen zijn vader in. Hij zette ook zijn leven op het spel. Voor David, de gezalfde des HEREN. Groter lijden bestaat niet, dan dat je je leven inzet voor je vrienden. Dat is onvoorwaardelijke liefde. Dat is een geweldige inzet. Dat is alles wat je kunt doen. En Jonathan doet dat met David.

Het wordt een aantal malen herhaald, hoe deze twee mannen elkaar lief had­den. Het moet wel bijzonder geweest zijn, want het wordt zo uitvoering om­schreven. En in dit hoofdstuk weenden ze en kusten elkander. Dat is nog al wat voor mannen. Ze laten hun tranen de loop. Ze zijn zeer emotioneel. Dat is nogal wat voor twee mannen, die ook gehard zijn in de strijd. Dat is wel heel bijzonder. Maar het staat er. God heeft deze liefde in hun hart gelegd, opdat ze inderdaad in hun leven niet tegen elkaar zouden opstaan en zo Jonathan ook David kon dienen, om hem te waarschuwen voor het gevaar van zijn vader. Een mooi verhaal van onderlinge liefde en vriendschap. Een voorbeeld voor ons. Heb elkander lief. De liefde is de vervulling der wet.

1 Samuël 21:1-15

18 juli [2]

21:1

Waarom zijt gij alleen en is er niemand bij u?

21:4

er is wel heilig brood…

21:7

hij heette Doëg, een Edomiet,…

21:8

Hebt gij hier geen speer of zwaard voorhanden?

21:9

Het zwaard van de Filistijn Goliath,…

21:13

Daarom stelde hij zich in hun tegenwoordigheid aan als een waanzinnige en gedroeg zich bij hen als een razende;…

Het leven van David gaat niet langs rustige banen. Het zijn verhalen die je bijblijven. Wat heeft het allemaal te betekenen? Welke diepere betekenis moe­ten we aan zijn meenemen van de toonbroden hechten? Dat kan toch helemaal niet. De priester Achimelech is bang. David vraagt naar brood voor zijn man­nen. En de priester geeft de toonbroden. Maar dat doe je toch niet, David? Dat weet je toch ook wel? En toch doe je het. Dat is toch ook ontheiligen van de tafel van God. Dat brood is voor de priesters en niet voor een stel ruwe man­nen, ook al hebben ze zich onthouden van vrouwen. Het verhaal van de toon­broden komt terug in het Nieuwe Testament, in de evangeliën o.a. Matthéüs 12:3 en 4: ‘En Hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen wat David gedaan heeft, toen hij en die met hem waren honger kregen? Hoe hij het huis Gods binnen­gegaan is en zij de toonbroden hebben gegeten, waarvan hij noch die met hem waren mochten eten, doch alleen de priesters?’

Jezus noemt het, als de Farizeeën Hem aanvallen, omdat zijn leerlingen op sabbat aren plukken en eten. Zij zeggen dan dat de discipelen iets op sabbat doen dat niet mag. Maar Jezus antwoordt hen dan met de tekst uit dit hoofd­stuk. Hebt gij niet gelezen dat David de toonbroden meenam die alleen voor de priesters waren? Wat wil Jezus hier mee zeggen? Hij bedoelt dat God daar niets van gezegd heeft toen. Dat het kennelijk goed was. Dat de Farizeeën, als het nu zou gebeuren, de vinger er bij gelegd hebben zoals ze bij alles de vinger legden en het volk knechtten, terwijl juist de wet bedoeld was om vrijheid te geven en geen banden. Hij zegt dan ook: ‘Barmhartigheid wil ik en geen offe­rande!’ Het zijn profetische woorden. Meer dan de tempel is hier. De Farizee­en zijn steeds aan het veroordelen, maar Jezus geeft vrijheid. Hij wil ruimte maken. Dat is een heerlijke boodschap van loslating van gevangenen. Heerlijk, dat dit ook voor vandaag geldt.

Het is ook vaak dat we elkaar aan regeltjes binden en niet de vrijheid gunnen, ik moet denken aan de liederen: ‘Wij knielen voor uw zetel neer’. En we blij­ven stokstijf staan. Of: ‘Heft uwe handen naar omhoog’, en heb het lef niet om ze omhoog te steken. De hele gemeente, zo vastgeroest in tradities, zit vast aan een stramme houding. Daar kunnen hele discussies en problemen uit voortko­men. En dat wil Jezus zeggen. In mijn leven is vrijheid en gun elkaar de vrij­heid. De sabbat is gemaakt voor de mens en niet de mens voor de sabbat. Een wijze les.

En dan de situatie in Gath. Gevaarlijk voor David. Ze herkennen hem en ze roepen: ‘Is dit niet die David, die zijn tienduizenden versloeg?’ Ja, dat waren dan de Filistijnen en nu is hij in Gath. Wat moest hij in Gath. Hij komt in een penibele situatie. En hij stelt zich aan als waanzinnige. Zo erg dat de koning zegt: ‘Zie je wel. We hebben genoeg krankzinnigen hier. Stuur hem weg’. En David ontkomt. Dit verhaal komt terug in Psalm 56. Vertrouwen op God in grote nood. Moeten we ook nu even lezen. Prachtig. Daar kun je een hele dag over nadenken. Daar kun je prachtige, krachtige preken over houden. Dat geldt voor elke dag. Op God vertrouw ik, ik vrees niet; wat zou een mens mij aandoen? Zodat ik voor Gods aangezicht mag wandelen in het licht des levens. Prijs de Heer! Hij is altijd bij ons. Hij laat ons nooit in de steek. Wat kunnen we het benauwd hebben. Maar Hij is altijd bij mij. Zelfs al ga ik door een dal des doods. Gij zijt bij mij. Psalm 23. Niets kan mij scheiden van de liefde van Christus welke is in Christus Jezus onze HERE. Prijs de Heer! Hij is goed. Geweldig! We kunnen er niet genoeg van krijgen. Heerlijk!

Dank U Heer! Ik ben blij dat U ons nooit in de steek laat. De volken mogen woeden en tekeergaan. Ze kunnen proberen om je te doden. En wat is er geen dood en verderf rondom ons. Het kan zo niet langer. Maar uw stok en uw staf vertroosten mij. Wees mij genadig o God, want de mensen vertrappen mij. Ja, dat kan allemaal gebeuren. Ten dage dat ik vrees, vertrouw ik op U. Je kunt in vreselijk moeilijke situaties zitten. Maar God is sterker. Hij is altijd bij je. Prijs de Heer!

1 Samuël 22:1-23

19 juli [2]

22:1

David ging vandaar weg en ontkwam naar de spelonk van Adullam. Toen zijn broeders en zijn gehele familie dit hoorden, kwamen zij daar bij hem.

22:2

Ook voegde zich bij hem ieder die in moeilijkheden verkeerde, ieder die een schuldeiser had, ieder die verbitterd was, en hij werd hun aanvoerder.

22:4

en zij bleven bij hem, zolang David in de bergvesting was.

22:5

ga heen en trek naar het land Juda.

22:8

toen mijn zoon een verbond sloot met de zoon van Isaï?

22:9

Ik heb gezien, dat de zoon van Isaï te Nob kwam,…

22:14

Maar wie onder al uw dienaren is zo betrouwbaar als David, nog wel des konings schoonzoon, lid van uw lijfwacht, geëerd in uw huis?

22:16

Gij moet sterven, Achimelech, gij en uw gehele familie.

22:18

De Edomiet Doëg trad nader en stiet de priesters neer.

22:20

Eén zoon van Achimelech, de zoon van Ahitub, Abjathar geheten, ontkwam; en hij vluchtte naar David.

22:23

Blijf bij mij, vrees niet; want wie mij naar het leven staat, staat u naar het leven; bij mij zijt gij volkomen veilig.

David is op de vlucht voor Saul. Saul is jaloers. Hij kan David niet luchten of zien. De wraak is in zijn hoofd geslagen. David is niet veilig meer. Hij moet vluchten. En nu is hij in de grot bij Adullam. En daar komt zijn gehele familie bij hem. Zij zijn ook niet meer veilig voor Saul. Als hij David niet kan pakken, dan zal hij zijn familie wel pakken. Die worden ook bang en ze vluchten naar David. En ook, allen die in moeilijkheden verkeren voegen zich bij David en zij die een schuldeiser hebben. Het is een stelletje ongeregeld. Het zijn de mensen die op de vlucht zijn, die zich bij David voegen. David gaat naar Moab en maakt met de koning van Moab een deal dat zijn familie veilig bij hem mag wonen. Dan heeft David in ieder geval zijn handen vrij om de strijd aan te binden tegen Saul, die hem steeds achtervolgt en wil doden. Saul hoort echter dat David te Nob is. En Doëg, de Edomitische slaaf van Saul, het hoofd van de herders, heeft het aan Saul verraden. Die was erbij toen David aan Achimelech om de broden vroeg en ook het zwaard van Saul kreeg. Saul is boos en hij laat Achimelech en de priesters komen. En hij vermoordt Achime­lech en de priesters. Alleen Abjathar, een van de zonen, ontkomt en vlucht naar David. Ook heel Nob wordt uitgeroeid. Het is verschrikkelijk. David hoort ervan en hij begrijpt meteen dat het de Edomiet Doëg is die de zaak ver­raden heeft. David had het kunnen weten, want hij wist dat Doëg op de hand van Saul was. Hij neemt het zich kwalijk. Hij belooft Abjathar absolute vei­ligheid bij hem. En Abjathar blijft bij hem.

Zo zie je maar weer hoe het kan lopen als de boosheid in je hart slaat. Dan gaat de rede op de vlucht. Dan worden de boze lusten heer en meester in je. En zelfs als de soldaten van Saul niet durven te doden, dan is dat voor Saul nog geen waarschuwing om te stoppen met het kwaad om de priesters van God te doden. Dan is het de gehate vijand, de Edomiet Doëg, die in dienst van Saul is, die het vuile werk opknapt. En zo zie je maar weer dat de vijanden van mijn vijand te hulp geroepen worden om het vuile werk op te knappen en zo ook mee te worden betrokken in het complot tegen God. Hoe is het mogelijk dat Saul zo ver gevallen is. Hij is de koning. Uit jaloezie probeert hij David uit de weg te ruimen. Davids leven is in gevaar, maar hij weet nog steeds dat hij te maken heeft met de gezalfde des HEREN.

David blijft geloven in de weg die God gaat. Zo lang Saul de gezalfde des HEREN is, is hij geen koning. Ook al is hij aangewezen tot koning. Ook al zal hij koning worden. Ook al heeft hij zijn tienduizenden verslagen en Saul slechts zijn duizenden. Hij zal blijven vertrouwen in de lijn die God heeft uitgezet. Hij zou ook het heft in eigen handen hebben willen nemen door Saul uit de weg te ruimen. Er is ook alle aanleiding voor. Want Saul staat David toch ook naar het leven? Nou dan. Dan mag je je toch verdedigen? En als dan de vijand sneuvelt, dan is dat zijn eigen schuld. Maar niets ervan. Het gaat erom dat je altijd in de weg van de HERE blijft, ook al komt dat op een be­paald moment slecht voor je uit. God is goed. God weet de weg die je moet gaan. En daar moet je heel nauwgezet mee omgaan. Pas op dat je daar niet van afwijkt. Je ziet hier hoe diep Saul is gevallen. Hij schroomt zelfs niet om de priesters te doden. Wat een schuld laad je dan op je. Daar kan niet anders dan straf op volgen. Je moet wel weten wat je doet. En je hoeft ook niet te klagen als je dan een ramp overkomt, want je hebt het zelf uitgelokt. Blijf dicht bij Jezus! Hij wil je Koning zijn. Hij beschermt je tegen alle kwaad. Hij laat je bij Zich schuilen. En dan kunnen ze tegen je tekeergaan, maar jij blijft de rust zelve, te midden van woelige baren. Glorie voor zijn Naam!

1 Samuël 23:1-28

20 juli [2]

23:2

Toen vroeg David de HERE: Zal ik heengaan en deze Filistijnen verslaan? De HERE antwoordde David: Ga heen,…

23:4

Ik zal de Filistijnen in uw macht geven.

23:5

en bracht hun een grote nederlaag toe.

23:9

Breng den efod hier.

23:11

De HERE antwoordde: Hij zal komen.

23:12

De HERE zeide: Zij zullen u uitleveren.

23:13

verlieten Kehila en trokken op goed geluk rond. …en hij gaf de tocht op.

23:14

Alle dagen zocht Saul hem, maar God gaf hem niet in zijn macht.

23:17

Vrees niet, want de hand van mijn vader Saul zal u niet vinden; gij zult koning over Israël zijn, en ik zal onmiddellijk onder u staan.

23:18

Hierop sloten die beiden een verbond voor het aangezicht des HEREN.

23:20

wij nemen op ons, hem aan de koning uit te leveren.

23:22

want men heeft mij gezegd, dat hij zeer listig te werk gaat.

23:26

Saul ging langs de ene en David met zijn mannen langs de andere zijde van de berg.

23:27

Trek haastig weg, want de Filistijnen zijn het land binnengevallen.

23:28

Daarop keerde Saul terug van de achtervolging van David en trok de Filistijnen tegemoet. Daarom noemt men die plaats: Rots der Ontkoming.

De Filistijnen waren ook de aartsvijanden van Juda. Ze trokken keer op keer binnen. En ook nu weer. Ze roofden drie dorsvloeren leeg. David vraagt de HERE of hij de Filistijnen moet aanvallen. En de HERE spreekt tot hem, dat hij ze moet verdrijven. En dat gebeurt dan ook. David vestigt zich in de stad Kehila. En als Saul dat hoort, dan is hij van plan om David in die stad te pak­ken. Hij weet zeker dat de inwoners van de stad hem zullen uitleveren. Dat is toch ook wat. Want David heeft een groot deel van de Filistijnen bevrijd en nu zullen ze hem uitleveren aan zijn aartsvijand Saul? Wat een ondankbaarheid. Wat een wreedheid. Wat een dank. David hoort dat Saul op weg is. Dan vraagt hij Abjathar, die van Nob is gevlucht, vanwege de moord op zijn vader en vijf en tachtig andere. En God maakt duidelijk dat de mensen van Kehila hem zul­len uitleveren aan Saul. David staat niets anders te doen dan de stad te verla­ten. En ze zwerven door de woestijn op goed geluk af.

En dan komt Jonathan bij David om zijn verbond met David te bevestigen. Hij zegt dat de HERE David zal beschermen en dat hij zeker koning zal zijn over Israël. En Jonathan zal hem dienen. Hij hoeft er niet aan te twijfelen. De be­woners van de woestijn verraden echter aan Saul dat David zich in hun gebied bevindt. Ze gaan voor Saul uit en wijzen de plaats aan waar David zich be­vindt. Saul zit David echt op de hielen. Ze trekken beiden aan een kant van de berg voorbij. Het is echt benauwd. Het lijkt nu echt afgelopen met David. Maar dan komt plotseling het bericht dat de Filistijnen het land zijn ingeval­len. Saul kan niet anders dan de achtervolging stoppen en de strijd aangaan met de Filistijnen. Dat is nu ook toevallig. Bijna is het afgelopen met David en dan komt ineens het bericht dat Saul de Filistijnen moet tegenhouden.

En zo is het vaak in het leven. Als de nood het hoogst is, is de redding nabij, zeggen we dan. Dan gebeurt er iets waar we geen touw aan vast kunnen kno­pen, waardoor de hele situatie verandert. Dan is er ineens uitredding. En zo is het hele leven. De mens wikt, maar God beschikt. God weet wat het beste voor ons is. God beproeft ons constant of we het werkelijk wel van Hem verwach­ten of dat we toch eigenlijk op eigen kracht vertrouwen. God is groot. Hij is nooit genoeg te prijzen. Hij wil ons nooit in de steek laten, maar Hij wil dan ook gediend en vertrouwd worden. En daar wringt de schoen. Hoe zijn we niet vaak met ons zelf bezig? Weten we het beter, gaan we onze eigen weg, zullen we het zelf wel opknappen. En dan halen we God er nog wel bij om onze vroomheid te laten zien. Maar God kijkt er dwars doorheen. En steeds op­nieuw bepaalt Hij ons erbij dat we het van Hem moeten verwachten. Hij is goed voor ons. En als voor David de nood op het hoogst is en zijn leven aan een zijden draadje hangt, dan komt God en stuurt de vijand van zijn vijand. En weer krijgt David zicht op de grootheid van zijn God. God zorgt voor hem. Hij hoeft zich niet druk te maken. Hij mag verder gaan.

Natuurlijk moet hij er alles aan doen om niet in de handen van de vijand te komen. Want de vijand blijft het proberen om ons steeds weer uit de bescher­ming van God te halen. We moeten ons verdedigen en afschermen voor de boze. En dat weten we maar al te goed. De boze zit je steeds weer op de hie­len. En daar lijden we allemaal onder. Daar moeten we niet aan toegeven. God is groot. Hij is nooit genoeg te prijzen. God is groot.

Dank U Heer, voor alle zegen. Dank U Heer, dat U ook weer in dit verhaal enerzijds laat zien hoe de vijand tekeer kan gaan als een brullende leeuw zoe­kende wie hij kan verslinden, maar hoe U er anderzijds altijd bent om ons geborgen te houden in uw bescherming. De schuilplaats van de Allerhoogste. Daar is het veilig. Daar kan de vijand niet komen. Geborgen in Christus, in God. Prijs de HEER!

1 Samuël 24:1-23

21 juli [2]

24:1

en hield verblijf in de bergvestingen van Engedi.

24:3

Daarop nam Saul drieduizend uitgelezen mannen…

24:4

David en zijn mannen zaten achter in de spelonk.

24:5

doe met hem wat gij wilt.

24:7

De HERE beware mij ervoor, dat ik aan mijn heer, aan de gezalfde des HEREN, dit zou doen,…

24:9

en riep Saul na: Mijn heer de koning! …en David knielde met het aangezicht ter aarde en boog zich neer.

24:12

dat ik de slip van uw mantel afgesneden heb zonder u te doden, kunt gij duidelijk opmaken, dat ik geen kwaad of muiterij in de zin heb,…

24:14

van goddelozen komt goddeloosheid.

24:16

en mij recht verschaffen tegenover u.

24:17

Daarop verhief Saul zijn stem en weende.

24:18

Gij zijt rechtvaardiger dan ik,…

24:21

Nu dan, zie, ik weet, dat gij zeker koning zult worden en dat het koningschap over Israël in uw hand bestendig zal zijn.

24:23

En David zwoer dit aan Saul.

Wat een verhaal. Hoe is het te bedenken? Het is wel spannend. Hoe is het mo­gelijk? Saul hoort dat David in Engedi is. Kennelijk zijn de Filistijnen versla­gen en Saul gaat er weer met drieduizend man op af om David te pakken. Hij heeft het blijvend op David voorzien. Hij wil hem uit de weg ruimen. Hij wil van hem af. En hoe weet hij zelf niet dat David gezalfd is tot koning door Sa­muël. Dat staat vast. En wie kan daaraan twijfelen? Wat God doet, dat zal ge­beuren. En dan kunnen we nog van alles proberen om dat niet zo te laten ver­lopen. Maar we weten toch nu wel genoeg uit de Bijbel van Gods wil en zijn plan, dat we niet moeten denken dat we daar ook maar een speld tussen kun­nen krijgen. Wat God doet, dat zal gebeuren. Het enige wat wij moeten doen, is gehoorzaam naar de stem van God luisteren. Dan gaat het goed. Dan hebben we vrede in ons hart. Dan hoeven we ons niet ongerust te maken. Dan gaan we de goede kant op. Doen we dat niet, dan komen we verkeerd uit. Dan hebben we het onrustig. Dan zien we de weg niet meer zo scherp. Dan gaan we ver­keerde dingen doen. Dan laten we ons de woorden van de tegenstander influis­teren. En dan gaat het verkeerd. Zie eens hoe verkeerd het gegaan is met Saul. Die hele geschiedenis is een groot voorbeeld hoe we het niet moeten doen. Het loopt ook verkeerd af met Saul. Nu moet Saul een grot in. Waarschijnlijk om zijn behoefte te doen. Hij zondert zich af. Doet zijn mantel uit. En wie zit­ten daar in de grot. David en zijn mannen. Ze hebben zich voor Saul verbor­gen. Het moet wel een grote grot geweest zijn. Wat een opwinding. Nu kun­nen ze zonder problemen Saul uit de weg ruimen. Maar David overtuigt hen en hij gebiedt hen, niet de hand aan de gezalfde des HEREN te slaan. Daar moet je wel een hoge roeping voor hebben om je vijand, die jou naar het leven staat, niet te doden, terwijl het binnen handbereik ligt.

David blijft in het centrum van de wil van God. Het gaat hier om de gezalfde des HEREN. En dan moet je gehoorzaam blijven. Als je dan het heft in eigen handen neemt, dan kom je verkeerd uit. Dat is levensgevaarlijk. Wat zal David zijn mannen moeten hebben overreedden? Hoe zal hij onbegrepen zijn door Saul niet te doden? Maar David blijft in de weg van de HERE. En daar gaat het in ieders leven om. Blijven in de weg van de HERE. Niet links en niet rechts. Niet een beetje dit en een beetje dat. Neen, radicaal blijven bij de HERE. En als Saul dan de stem van David hoort en de slip van zijn mantel in de hand van David ziet, dan beseft hij in welk gevaar hij is geweest. En hoe David in hem nog steeds de gezalfde des HEREN ziet en hem niet wil doden. Davids hart bonst in zijn keel als hij met het zwaard van Goliath dat stuk van de mantel van Saul afsnijdt. Het is toch ook een wonderlijk verhaal? Hoe weet God het weer apart en origineel aan ons over te brengen. En ook aan Saul en David. God test steeds op de meest originele manieren. God is groot. God is goed. Hij houdt ons steeds de meest originele antwoorden voor. Het is onvoor­stelbaar. God is groot. God is goed en nooit genoeg te prijzen. Wat een God. Glorie voor zijn Naam! Prijs de HERE!

En Saul belooft hem niet meer naar het leven te staan. Hij weent. Hij is onder de indruk. Dit moet wel van God zijn. De emoties komen los. Maar dat is niet genoeg. Het gaat ook om het hart. Je moet weten wat je doet. Het moet echt zijn. Het mogen geen tranen zijn. Het moet uit het hart komen. Tranen zijn gevaarlijk. Daar moet ook het verstand bij komen, anders blijft het hangen in emotie. En dat is gevaarlijk. Het gevoel is niet de drijvende kracht waarop we staande kunnen blijven. Het moet door het verstand zijn gevoed en behoed, door geloof en emotie. Want het is ons ook allemaal te veel. Saul weet dat het koningschap over zal gaan op het huis van David. Hij zegt het. En hij maakt de deal met David dat die zijn familie niet zal uitroeien en David zegt het toe. En dan gaat Saul naar huis, maar David en zijn mannen blijven in de bergves­ting. Wat een verhaal. Spannend en onthullend. Een kind kan het begrijpen. God is groot!

Wat een aanschouwelijk onderwijs. Blijf in het centrum van Gods wil. Daar ben je veilig. En anders ben je voor Hem op de vlucht en loopt het verkeerd met je af. En pas op, ga niet de rechtvaardigen bestrijden. Want wie aan de kinderen van God komt, komt aan Hem. En dan loopt het heel slecht met je af.

1 Samuël 25:1-22

22 juli [2]

25:1

Samuël stierf.

25:3

De man heette Nabal en zijn vrouw Abigaïl. …maar de man was hard en ruw in zijn optreden. Hij was een Kalebiet.

25:8

Geef toch uw dienaren en uw zoon David, wat gij voor de hand hebt.

25:10

Wie is David? En wie is de zoon van Isaï?

25:11

van wie ik niet weet, waar zij vandaan komen?

25:17

Nu dan, weet wel wat u te doen staat, want over onze heer en over zijn gehele huis is het onheil vastbesloten, en hij is een man van niets, men kan met hem niet spreken.

25:21

Ik ben er geheel bedrogen mee uitgekomen, dat ik alles beschermd heb wat deze in de steppe had, zodat hij niets mist van al wat hij bezit; hij heeft mij kwaad voor goed vergolden.

25:22

Zó moge God aan de vijanden van David doen, ja nog erger, indien ik, eer het morgen is, van al wat hij bezit, ook maar één man in leven laat.

Doe je alles om die rijke man ten gunste te zijn. Schatrijk is hij. Kijk eens naar zijn schapen. Duizenden. David is met zijn 600 mannen in de buurt van de kudden van de Kalebiet Nabal. Hij heeft z’n mannen met klem bevolen dat zij en de herders en de kudden geen kwaad mochten doen. En door de aanwezig­heid van David en zijn mannen durfden ook de vijanden niets te doen. De ro­vers bleven uit de buurt. Want die waren er altijd om aan de rand van de kud­den schapen te roven. David en zijn mannen waren een gratis bescherming voor de kudden van Nabal. En David was daar blij om. Hij wist dat hij daar­mee deze man en zijn huis een grote gunst bewees. En dan is het het schapen­scheerdersfeest en David zendt een delegatie van zijn mannen naar Nabal. En ze vertellen dat ze altijd de herders van Nabal hebben beschermd. En dat wist Nabal ook wel. Want hoe vaak had hij dat niet gehoord van de herders zelf. De mannen vragen om een gunst of Nabal de mannen van David wil geven wat voorhanden is. En dan komt het barse antwoord: ‘Nee. Ik help geen weg­gelopen mannen. Waar komen ze vandaan, en wat heb ik er aan? Ik doe het niet. Wat denkt David wel’.

En zo gaan de mannen rechts- omkeert en boodschappen dit barse antwoord aan David. Die is woedend. En hij hoeft er niet lang over na te denken. Hij monstert vierhonderd van zijn mannen en trekt erop uit om Nabal en zijn huis met huid en haar uit te roeien. Dat hoort de vrouw van Nabal, Abigaïl. Zij weet wie haar man is. Ruw en onbehouwen en niet mee te praten. Ze beseft wat er gebeurd is en ze maakt een delegatie met allemaal voedsel en gaven om de boosheid van David af te wenden. Ze gaat de aanstormende bende van vier­honderd man onder aanvoering van David tegemoet. Ze ziet hem komen. Da­vid heeft gezworen dat hij deze brute, barbaarse, ondankbare Nabal, uit de weg zal ruimen. Je doet alles om hem te plezieren en je bent bezig om zijn be­langen te bepalen. En dan krijg je stank voor dank. Daar zullen we eens korte metten mee maken.

En zo is dit verhaal ook weer uit het leven gegrepen. Doe je iets omdat je weet dat je het uit naastenliefde of rechtvaardigheid moet doen, of doe je iets omdat je denkt er een beloning voor te vangen. Doe je iets onvoorwaardelijk, of zit er altijd iets bij van er door geëerd te willen worden? En hoe gauw komt het in­derdaad ook niet bij ons allemaal op? Stank voor dank, is een bekende uit­drukking. Als je goed doet voor een ander zit er haast automatisch in dat je dan ook iets terug verwacht. En daar wringt nu net de schoen. Want het is niet zo moeilijk om hen lief te hebben die goed voor jou zijn. Dat is vanzelf. Want dat is wederzijds. Maar het komt er op aan dat je ook je vijanden lief kunt hebben. Want dan doe je iets voor God en niet voor je zelf. God zal wel klaar komen met jouw vijanden. Dat is niet jouw zaak. Jij moet bereid zijn om on­der alle omstandigheden je vijand lief te hebben. Dat is moeilijk. En dat er­vaart David hier. Hij denkt geheel in zijn recht te staan. Hij is vast van plan die man en zijn huis uit te roeien. En het was ook een man van niets. Het was ook een bruut, hij was ook onbeschoft. Dat is allemaal waar. Maar het gaat erom: Hoe ga je daar mee om. Het is belangrijk om te zien dat David die Saul had kunnen doden, het niet deed, omdat hij de gezalfde des HEREN niet wilde aanraken. En dat terwijl hij steeds op de vlucht was voor zijn leven, omdat Saul hem wilde vermoorden. Maar nu laat hij zich gaan. Nu denkt hij in zijn recht te staan. Hij moordt een hele familie uit omdat ze hem een dag geen brood hebben gegeven. Dat slaat toch nergens op.

En zo zitten we in elkaar. We kunnen heel vroom bezig zijn. De meest gees­telijke dingen beweren en beleven. Maar op het moment dat ook maar iemand ons iets in de weg legt, dan komt onze andere kant wreed en meedogenloos naar voren. En dan speelt het eigen ik op, op een onvoorstelbare manier. Als we dat eens leggen naast de opdracht die God ons geeft, dan komen we geheel in de knoei. Het lijkt nergens op. En daar gaat het hier om. David, waar zit je hart? David, ben je gekrenkt, gekwetst? Heb je zelf het idee dat je Gods rech­ter moet spelen? Daar gaat het om.

1 Samuël 25:23-44

23 juli [2]

25:24

wierp zich voor zijn voeten neer en zeide: Op mij, mijn heer, rust de schuld.

25:25

Mijn heer store zich niet aan deze man van niets,… Nabal heet hij en een dwaas is hij.

25:28

want de HERE zal voor mijn heer zeker een bestendig huis maken,…

25:31

dat mijn heer zonder oorzaak bloed vergoten en zichzelf recht verschaft zou hebben.

25:33

gezegend zijt gij zelf, dat gij mij op dezen dag ervan weerhouden hebt om bloedschuld op mij te laden…

25:35

zie, ik luister naar u en ben u welgezind.

25:37

Toen stokte zijn hart in zijn binnenste en hij werd als een steen. En na ongeveer tien dagen sloeg de HERE Nabal, zodat hij stierf.

25:39

De HERE heeft het kwade van Nabal op diens eigen hoofd doen neerkomen. Daarop zond David boden om er met Abigaïl over te spreken, dat hij haar tot vrouw wilde nemen.

25:42

Zij volgde de boden van David en werd zijn vrouw.

25:44

Saul echter had zijn dochter Michal, de vrouw van David, gegeven aan Palti, de zoon van Laïs, uit Gallim.

Daar is Abigaïl. Een gewaagde onderneming. Wat zou deze vrouw de getergde David kunnen zeggen? Niets zou hem toch tegen kunnen houden. Zeker de vrouw van deze brute, dwaze man Nabal niet. Maar toch luistert David. En als ze uitgesproken is dan komt David met een schok tot bezinning, waar hij eigenlijk mee bezig is. Hij zou bloedschuld op zich geladen hebben. Abigaïl zegt, dat als David de heilige oorlogen Gods voert, als David de koning van Israël gaat worden. Als David de hand niet heeft geslagen aan de gezalfde des HEREN, dan moet hij in die opdracht blijven en niet door een of andere niets­nut die bruut tegen hem doet, zich in de war laten brengen. Waarom zou hij bloedschuld op zich laden en afbreuk doen aan de opdracht van de HERE om deze heilige oorlogen te voeren? Hij beseft dat hij zichzelf recht wilde ver­schaffen. En daar kom je altijd bedrogen mee uit. God is de rechter. Hij komt met onze tegenstanders tot zijn doel.

God wil ons steeds opnieuw voorhouden dat wij niet onze eigen rechter moe­ten zijn, maar ons moeten opmaken om recht en gerechtigheid te proclameren en uit te leven. Dat zal mensen en situaties veranderen. De mensen zullen zien dat wij niet meedoen met de alom heersende ongerechtigheid. Ze zullen ja­loers worden. Of ze zullen nog kwader worden. Want de duivel heeft een gloeiende hekel aan rechtvaardige mensen. Maar dat doet er allemaal niet toe. Het gaat erom dat wij in de wegen des HERE blijven, wat er ook gebeurt. En dat is hier ook het geval. David beseft dat hij eigen rechter wilde gaan spelen, terwijl God zijn Rechter is, Die hem de troon beloofd heeft. En alles wat God zegt, dat doet Hij ook. Dus waarom moet David zich druk maken over deze nietsnut, wat Nabal betekent? God zal daar wel mee klaarkomen.

Wij hoeven alleen maar de eer van God te loven en te prijzen. Want het komt allemaal goed, maar de zonde is ook doorgedrongen in de harten van de men­sen en de structuren van de samenleving. Daar lijden we allemaal aan en dat zien we in ons zelf en dat zien we om ons heen. En dwars daar doorheen moe­ten we blijven schuilen in Christus, in God. Zien naar Hem. Niets kan ons scheiden van de liefde van God welke is in Christus Jezus onze HERE. Dat is zo en dat blijft zo. En als we dan zo stom zijn om daar steeds maar weer van af te vallen, dan doen we ons zelf vreselijk tekort en dat zullen we weten ook.

Dan komt Abigaïl thuis. Er heerst een groot feestmaal, want dat kon de man. Abigaïl vertelt daarom de volgende morgen wat ze gedaan heeft. Nabal wordt lijkbleek. Hij is des duivels. Hij stierf na tien dagen. De HERE sloeg Nabal, zodat hij stierf, staat er. Het is de HERE, die afrekent met de onrechtvaardi­gen. Dat hoeven wij niet te doen. Wij moeten ons verre houden van de on­rechtvaardigheid. Wij moeten ons richten op Hem die ons voorbeeld is. Hij, onze Messias, heeft zijn leven gegeven, opdat wij konden leven. Niet meer: Ik leef, maar Christus leeft in mij. En daarom ben ik vrij. Hij heeft mij vrijge­maakt van de zonde. Niet meer de zonde heerst in mij, maar Jezus leeft in mij. Dat is een wonder. Daar komt alle kracht vandaan. En David beseft heel scherp dat God Zelf de ongerechtigheid van Nabal aan hem bezocht heeft. Hij beseft dat hij grote schade had opgelopen als hij eigen rechter was gaan spelen om de gehele familie van Nabal uit te roeien. Wat een verhaal.

David vraagt Abigaïl ten huwelijk. En zij wordt zijn vrouw. Een verhaal om een heel mooi plaatje van te maken. God is groot. Hij kan nooit genoeg gepre­zen worden. De les is: Ga nooit eigen rechtertje spelen. Leg al je bekommer­nissen voor de HERE en Hij zal over je waken. Het komt goed, ook al denk je dat het toch wel eens tijd wordt om zelf ook stappen te ondernemen. Wachten op de HERE duurt nooit lang, want Hij vult je met woorden, gedachten en daden waarmee je ze zeer productief je dagen vult. Glorie voor de HERE!

1 Samuël 26:1-25

24 juli [2]

26:1

Weet gij wel, dat David zich verborgen houdt op de heuvel van Hachila bij de wildernis?

26:5

En David trok op en kwam bij de plaats waar Saul zich gelegerd had.

26:6

Wie wil met mij naar Saul in de legerplaats afdalen? Abisaï zeide: Ik zal met u afdalen.

26:9

Breng hem niet om, want wie slaat ongestraft zijn hand aan de gezalfde des HEREN?

26:10

de HERE zal hem slaan; hetzij, dat zijn sterfdag komt, hetzij, dat hij ten strijde trekt en weggevaagd wordt.

26:11

neem de speer aan zijn hoofdeinde en de waterkruik, en laten wij weggaan.

26:12

want allen sliepen, daar er een diepe slaap des HEREN op hen gevallen was.

26:15

Waarom hebt gij dan uw heer, de koning, niet bewaakt?

26:16

Zo waar de HERE leeft, gij zijt kinderen des doods,…

26:18

Wat voor kwaad heb ik bedreven?

26:20

Want de koning van Israël is uitgetrokken om één enkele vlo te zoeken, zoals men een veldhoen op de bergen najaagt.

26:21

want ik zal u geen kwaad meer doen, omdat mijn leven op deze dag kostbaar geweest is in uw ogen.

26:24

zo moge mijn leven kostbaar zijn in de ogen des HEREN, en Hij moge mij redden uit alle benauwdheid.

26:25

Gezegend zijt gij, mijn zoon David. Wat gij ook doet, gij zult zeker slagen.

David is in de woestijn. De Zifieten die daar wonen zijn hem kennelijk niet zo goed gezind, want zij gaan het aan Saul vertellen. Misschien waren ze ook wel bang. Misschien had Saul bericht laten rondgaan dat iedereen die weet waar David verblijf houdt het moest melden op straffe van de dood. En wat zijn er een mensen die bang zijn. Ze verraden liever iemand waarvan ze dan weten dat zijn dood er op volgt, dan zich in te zetten voor de veiligheid en de be­scherming van hem die in gevaar is. Mensen zijn angsthazen. Er zijn maar weinig dappere mensen. En inderdaad, Saul komt met drieduizend bewapende mannen naar de woestijn om David gevangen te nemen. David ziet het. En hij roept zijn mannen op om naar de legerplaats van Saul af te dalen. Abisaï zegt: ‘Ik ga met u mee’. Wat een moed. Wie haalt het in zijn hoofd? Dat kan toch helemaal niet? Saul ligt zwaar bewapend en omringd door drieduizend man. Hoe kun je dan zeggen om naar hem af te dalen. Maar David zegt het en hij doet het. Wat een dapperheid. Wat een geloof. Wat een moed. Wie zou dat durven? Wie zou daar de moed toe hebben? Dat kan toch niet anders dan ver­keerd aflopen? En zo zijn we aan het redeneren. We zetten alles op een rij. En we weten het allemaal. God kan dit nooit bedoelen. Je moet wel bij je verstand blijven. Je moet geen dingen riskeren die niet verantwoord zijn. En dit is zeker niet verantwoord. Dit kan helemaal niet en David zou het zeker niet moeten doen, want hij is toch de te kronen koning?

Maar David gaat. En ze komen bij Saul. En ze zien hem slapen. En zijn speer en waterkruik staan naast hem. Abisaï zegt hem te kunnen doden door hem met één slag aan de grond te nagelen. Maar David zegt dat het verre van hem is om zijn hand te slaan aan de gezalfde des HEREN. Hoe zou hij dat ooit in zijn hoofd kunnen halen? Neen. Ze nemen de waterkruik en de speer van Saul mee. En niemand hoort het. Want zo staat er: ‘…daar er een diepe slaap des HEREN op hen gevallen was’. Dat is toch wat. Dat is toch een wonder die zijn weerga niet heeft. God kan grote dingen doen. Nu laat hij het leger slapen om David deze mogelijkheid te geven. Wat een wonder. En daar staat de Bijbel vol van. God doet het. God leidt ons leven. We moeten niet denken dat wij het allemaal voor elkaar hebben. De mens wikt, maar God beschikt. Hij weet wat goed voor ons is. Ga dus met God, dan ga je goed. Hij recht je paden. Hij maakt je paden recht. Vertrouw niet op jezelf, maar vertrouw op God. En zo is het. God regeert je leven. En dan roept David vanaf grote afstand. En de leger­overste hoort hem en David ziet smalend dat zijn dagen ook geteld zijn, omdat hij de koning niet bewaakt heeft. Als je zelfs tot in de commandokamer van de tegenstander kunt komen, dan deugt er van het veiligheidssysteem ook niet veel. Saul, waar ben je mee bezig? Ben je bezig met het werk des HEREN om de komende gezalfde des HEREN te vervolgen? Of ben je bezig met je eigen eer en je eigen jaloezie? Pas op wat je doet. Want het kan wel eens verkeerd met je aflopen. Weet zeker dat je in de weg van de HERE bent?

Saul heeft het door. Hij roept: ‘Ik heb gezondigd’. Jij hebt mij het leven ge­spaard terwijl er alle reden was om het te doden. Jij bent goed bezig. Ik doe het verkeerd. Uw leven is gespaard, maar moge ook mijn leven kostbaar zijn in de ogen des HEREN, en Hij moge mij redden uit alle benauwdheid. Saul zeide tot David: ‘Gezegend zijt gij, mijn zoon David. Wat gij ook doet, gij zult zeker slagen’.

1 Samuël 27:1-12

25 juli [2]

27:1

zal ik toch nog door de hand van Saul omkomen.

27:2

naar Achis, de zoon van Maoch, de koning van Gath.

27:4

zocht hij hem niet langer.

27:6

Toen gaf Achis hem Ziklag;…

27:9

Telkens wanneer David dat land overviel, liet hij man noch vrouw in leven;…

27:10

dan antwoordde David: In het Zuiderland van Juda,…

27:12

Hij heeft zich stellig bij zijn volk, bij Israël, in een kwade reuk gebracht; voor altijd zal hij mijn knecht zijn.

David denkt dat hij Saul niet kan vertrouwen. Ook al heeft Saul nog zo stellig gezegd dat hij heeft gezondigd door achter David aan te gaan. Ook al heeft hij hem beloofd met rust te laten. David gelooft het niet. Hij denkt dat hij er stra­tegisch het beste aan doet om in het land van de Filistijnen te gaan wonen. Daar zal Saul hem niet achtervolgen. En inderdaad, als Saul hoort dat David is uitgeweken naar het land van de Filistijnen, dan laat hij hem met rust. David woont in de stad van de Filistijnse koning Achis in Gath. Maar hij vraagt om een bepaald gebied om daar te wonen. Koning Achis staat hem dat toe. En David woont daar een jaar en vier maanden. Hij valt de volken rondom hem aan en roeit hen met huid en haar uit. En als Achis dan vraagt wie hij heeft aangevallen, dan zegt hij steeds dat hij het Zuiderland van Juda heeft aange­vallen. En Achis gelooft dat. En niemand kan David verraden want hij heeft iedereen van de volkeren met huid en haar vermoord. En Achis denkt: Nu zal David voor altijd mijn knecht zijn want hij heeft zich zo gehaat gemaakt in zijn eigen land dat hij daar nooit meer naar kan terugkeren.

Dat is me toch een verhaal. Wat moeten we daar mee? Het is wel een list. Kunnen we daar vrede mee hebben? Het is wel zo, dat David dan de vijanden van Israël uitroeit, maar was dat wat hij had te doen? Was dat de opdracht die hij gekregen had? We lezen er niets van. Het wordt niet veroordeeld. Het wordt alleen maar verhaald. En waarom moest hij naar de Filistijnen gaan? Hij had toch ook in Israël kunnen blijven? Hij had toch ook kunnen afwachten hoe God hem beschermde? God had hem toch elke keer beschermd? Neemt David nu zelf het heft in handen? Je zou toch zo zeggen, dat het toch wel echt een aanwijzing van God zou moeten zijn om naar het land van de Filistijnen te gaan. Dat doe je toch niet zo maar. Maar we lezen er niets van. Zo zijn er vragen waar we geen antwoord op hebben. God gaat wegen ondanks ons zelf.

We hebben net gelezen hoe David behoed is geworden voor het vergieten van onschuldig bloed toen hij vastbesloten was om Nabal te vermoorden, omdat die hem niet welgezind was. En hoe Abigaïl, zijn vrouw, hem behoedde voor deze daad. God zendt zijn knechten om ons te behoeden voor dingen die niet naar zijn wil zijn. Dat betekent niet dat we maar moeten wachten en afwach­ten tot wat God gaat doen. Neen. We mogen gewoon op pad gaan. En het van God verwachten. Hij zal ons sturen en onze paden recht maken. We moeten dan niet op onze eigen inzichten vertrouwen, maar op God vertrouwen, wat God dan doet is goed. Hij maakt onze paden recht. Hij zal ons nooit in de steek laten. Hij ziet ons. Hij heeft ons lief. Hij beschermt ons. Hij zal onze voet voor struikelen behoeden. Dat is ook steeds in het leven van David geble­ken. Hij was de gezalfde des HEREN. En God zou hem koning maken. Daar was geen twijfel aan. Hij zal hem leiden naar grazige weiden. Het is goed om dicht bij God te leven.

Het is goed om onze roeping en verkiezing te bevestigen, want dan zullen we nimmer struikelen. Dan hebben we rijkelijk toegang tot het Koninkrijk van Hem. En daar zijn we allemaal naar op weg. Het eeuwig Koninkrijk van God zal weer opgericht worden. En zo zal er altijd een zoon van David op zijn troon gezeten zijn. Dat is beloofd en dat zal gebeuren. Dat gaat dan wel door allerlei niet te verklaren wegen heen. Zoals ook hier, de een jaar en vier maan­den die David bij Achis, de koning van Gath, in het land der Filistijnen in Zik­lag verbleef. Maar ook vandaag, als de grote spanningen zich ophopen in het Midden-Oosten rondom Israël. We moeten ons oog gericht blijven houden op Hem, Jezus, onze Overste en Leidsman en Verlosser Jezus Christus. God is goed. Daar heeft Hij ons een Bijbel vol van gegeven. Het Woord van God. Daar moeten we ons aan houden. Daar moeten we mee bezig zijn. We moeten met Hem gaan. God is goed. God is groot. Prijs de HERE!

1 Samuël 28:1-25

26 juli [2]

28:1

om een veldtocht tegen Israël te ondernemen.

28:2

Dan stel ik u als mijn lijfwacht aan, voor altijd.

28:3

Samuël nu was gestorven. … En Saul had de dodenbezweerders en de waarzeggers uit het land verwijderd.

28:5

Toen Saul het leger der Filistijnen zag, werd hij bevreesd en zijn hart beefde zeer.

28:6

En Saul vroeg de HERE, maar de HERE antwoordde hem niet,…

28:7

Zoekt mij een vrouw die geesten van doden kan bezweren;…

28:8

Toen vermomde Saul zich,… en laat mij opkomen die ik u noemen zal.

28:10

Zo waar de HERE leeft, om deze zaak zal geen schuld over u komen.

28:11

Laat mij Samuël opkomen.

28:12

Toen de vrouw Samuël zag, slaakte zij een luide kreet. En de vrouw zeide tot Saul: Waarom hebt gij mij bedrogen? Gij zijt Saul zelf!

28:13

Ik zie een bovennatuurlijk wezen uit de aarde opkomen.

28:14

Een oud man komt op, gehuld in een mantel. Toen begreep Saul, dat het Samuël was, en hij knielde met het aangezicht ter aarde en boog zich neer.

28:15

Waarom hebt gij mij verontrust en mij laten opkomen? Saul zeide: Ik verkeer in grote nood:…

28:17

De HERE heeft gedaan, zoals Hij door mijn dienst gesproken had: de HERE heeft het koningschap uit uw hand gescheurd en aan uw naaste, aan David gegeven.

28:18

en zijn brandende toorn over Amalek niet hebt doen komen,…

28:19

en morgen zult gij met uw zonen bij mij zijn.

28:20

Op hetzelfde ogenblik viel Saul in zijn volle lengte op de grond, zeer bevreesd door de woorden van Samuël.

28:25

Daarna stonden zij op en gingen heen, diezelfden nacht.

Achis, de koning van Gath, de koning der Filistijnen, voelt zichzelf nu sterk genoeg. Hij weet zich ook verzekerd van de steun van David, die immers te­gen hem gezegd heeft dat hij steeds het Zuiderland van Juda aanviel. Hij heeft zich volgens Achis dan ook zeer gehaat gemaakt bij Juda. Daarom voelt hij zich waarschijnlijk sterk om met behulp van David, die onoverwinnelijk is, Is­raël aan te vallen. En zo trekt hij op tegen Israël. Hij benoemt David als hoofd van zijn lijfwacht. Wie durft David aan te vallen? Dan is Achis ook veilig. Saul hoort ervan en hij is zeer bevreesd. Hij weet vast en zeker van David die bij Achis een veilig heenkomen gezocht heeft. Wat moet hij doen? Hij vraagt de HERE, maar de HERE antwoordde hem niet. Ook de profeten niet. Noch ook door de Urim en ook door dromen niet. De HERE is er niet.

Het wordt Saul te machtig. En hij vraagt om een tovenares. Maar die had hij­zelf onder Samuël allemaal uitgeroeid. Hoe kon hij daar dan nu weer om vra­gen? En dan vertellen ze hem dat er in Endor toch nog iemand is. Daar gaat hij dan ook naar toe. Hij vermomt zich wel, want niemand mag het weten dat de koning naar een tovenares gaat. Hij komt bij haar en bezweert haar dat haar niets zal overkomen. En hij vraagt om Samuël op te roepen. En dan ziet de vrouw Samuël. Ze schrikt geweldig en meteen weet ze dat de man Saul is. Saul gaat door en dan spreekt Samuël tegen hem. Onvoorstelbaar. We zien hier in een slag hoe groot de bovennatuurlijke kracht is. De vrouw laat Samuël opkomen. Het is dus waar dat er krachten kunnen loskomen die horen bij het bovennatuurlijke, zodat je die op kunt roepen. We horen ervan. We weten er­van, maar als het er op aan komt geloven wij het in ons rationele westen niet. Dat wat we niet met ons verstand kunnen doorzien, daar geloven we ook niet in. Het is te gek voor woorden. We geloven nauwelijks nog in de bovennatuur­lijke kracht van God, laat staan in een duivel. Dat zijn de bangmaker-praatjes van christenen die elkaar de stuipen op het lijf willen jagen en elkaar de schrik willen aanjagen als zou de hel het normale oordeel voor de mens zijn. Maar er is een bovennatuurlijke wereld. God heeft ons geschapen. Hij wil bij ons wo­nen. Maar Hij is God. Hij is nooit genoeg te prijzen. We zijn het wonder van zijn handen.

Maar het enkele bestaan van God betekent, dat er veel meer is dan we kunnen bidden of beseffen. En in die wereld van God, daar is ook de duivel actief, die alles doet om zijn uitstraling naar de mens met kracht door te zetten. En dan komen de tovenaars en de valse herders en leraren. Die de waarheid van de liefde van God verdraaien, tegenspreken en er een eigen evangelie van de duisternis op na houden. En daar hebben we maar al te veel last van. Daar worden we voortdurend mee geconfronteerd. Maar als we in de wil van God blijven, dan maakt Hij onze paden recht. Dan blijven we op het goede pad. Want zijn Woord is een lamp op ons pad. Dat is het licht om te volgen. En doe je dat, dan zul je nooit in de duisternis wandelen, maar het licht des levens hebben. Glorie voor zijn Naam! Prijs de HERE! Dank U HERE voor al Uw liefde en almacht. Uw genade en grootheid. Want het is waar. Uw macht en majesteit houdt eeuwig stand. En wij zijn allen uitgenodigd om daaraan deel te nemen. Want God is groot! Zijn Koninkrijk breekt baan en houdt eeuwig stand. Glorie voor zijn Naam!

Saul is afgeweken van de weg met God. En God spreekt niet meer tegen hem. God heeft het koningschap aan David gegeven, want hij heeft in de strijd met Amelek hen niet geheel uitgeroeid zoals God geboden had. Maar Saul weet het wel, maar hij kan het niet verkroppen en wil David met alle macht uit de weg ruimen. En nu zit hij in de puree. Hij wordt gedwongen om naar deze tovenares in Endor te gaan. En Samuël spreekt tot Saul. En Saul legt hem uit wat hij al wist en waar het op zou uitlopen. Saul zal zijn troon kwijt raken ten gunste van de knecht David. Dat had Samuël duidelijk te horen gekregen van God en dat was ook heel duidelijk voor Samuël en het volk geworden. En zo wordt David koning op de troon in Jeruzalem. En Samuël herhaalt dat het ko­ningschap van hem geweken is en dat hij de volgende morgen zal omkomen in de strijd. God was van Saul geweken omdat Saul van God was geweken en zijn hart zich had verhard. Zijn leger zal in de macht van de Filistijnen vallen. Als Saul al deze rampspoed hoort, valt hij plat op de grond. Hij beeft over heel zijn wezen. Hij beseft dat zijn ure gekomen is. Het is voorbij. David zal zitten op de troon in Jeruzalem. Dat gaat nu gebeuren. Saul eet onder dwang nog door en gaat dan zijns weegs.

Wat gaat er gebeuren? Wat gaat er gebeuren met het leger? Het zal vallen in de hand der Filistijnen. Wat een strijd. God gaat over de strijd. Hij regeert het grote wereldgebeuren. God is groot! Hij heeft zijn oog op ons allemaal ge­richt. We hoeven daar niet aan te twijfelen. God is goed! Daarom moeten we dicht bij Hem blijven. Niet links en niet rechts. Het komt er vandaag heel erg op aan dat we dicht bij elkaar blijven. God is goed. Hij zal ons beschermen. Dan raken we niet van de weg. Wat is Saul toch in een vreselijk dramatische situatie terechtgekomen. Het is verschrikkelijk. En zo zien we weer hoe be­langrijk het is om niet van Gods wegen af te wijken. Het loopt slecht af met de gezalfde des HEREN, koning Jezus. Hem verwachten wij. Hem eren wij. Glo­rie voor zijn Naam! Prijs de HERE!

1 Samuël 29:1-11

27 juli [2]

29:3

Wat moeten deze Hebreeën?

29:4

en niet met ons ten strijde trekken, opdat hij geen tegenstander van ons worde in de strijd.

29:5

Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden?

29:7

Nu dan, ga in vrede terug en doe niets wat de stadsvorsten der Filistijnen mishaagt.

29:9

Ik weet het, gij zijt werkelijk aangenaam in mijn ogen als een engel Gods.

29:10

en gaat heen.

De Filistijnen gaan ten strijde tegen Israël. Alle troepen staan in slagorde. Ook de troepen van David, want die was bij de Filistijnen. Maar dan zeggen de oversten tegen de koning: ‘Laat hij niet meegaan. Hij zou eens van een vriend in een vijand kunnen omslaan. En tegen ons strijden’. Is hij het niet waarvan gezegd is: ‘Saul zal zijn duizenden verslaan, maar David zijn tienduizenden?’ Ze wisten het dus heel goed. Er ging een roem van David door het land. Maar de koning wil David houden. David heeft de afgelopen jaren niets verkeerds gedaan. Maar de oversten willen er niet van weten. En David moet gaan en gaat. Alhoewel koning Achis heel goed weet dat het niet eerlijk is, want David heeft alleen maar goed gedaan voor de koning. De koning weet dat ook wel, maar durft niet tegen de oversten in te gaan. Geen krachtig koningschap. Maar zit er misschien meer achter? Dit is geen nederlaag, maar vanuit Gods gedach­te een geweldige bescherming voor David. Want in het leger had hij tegen de gezalfde des HEREN moeten strijden en tegen zijn boezemvriend Jonathan. Dat is je toch ook niet voor te stellen. Vechten tegen de gezalfde des HEREN, dat kan al helemaal niet.

Wij denken misschien: ‘Vreemd, wat raar’. Maar van God uit gezien is David bewaard voor een grote fout. Voor een doodzonde. Want je strijdt niet tegen de gezalfde des HEREN. Je bidt hem alle goeds toe en hoopt op succes voor allen die naar hem kijken. We zien hier een geweldige les. We zouden zeggen: ‘Er is toch niets op tegen, dat David tegen Saul vecht, want hij is toch de ge­zalfde des HEREN?’ Maar we moeten heel goed oppassen. Wij moeten ons allemaal houden aan de tijdklok van God. En dat vertaalt zich naar allerlei ac­tiviteiten waar we al dan niet aan mee doen. Het is belangrijk dat we ons in­zetten voor dat eeuwige Koninkrijk van God. Doen we dat, dan houden we het juiste zicht op die warwinkel van verwarring waar we door alle communicatie ook steeds meer gek van worden. Dat kan nooit goed zijn. We moeten op God vertrouwen. Was het wel goed dat David zich probeerde schuil te houden bij de Filistijnen? Hij was tenslotte te gast bij de meest goddeloze koningen. En dat doe je toch niet. Ik heb er eigenlijk niet zo over nagedacht, maar het is wel waar. Daar moeten we heel voorzichtig mee zijn.

We moeten dicht bij Jezus blijven, dan komen we goed uit. Dan probeer je juist zoveel mogelijk weg te blijven bij niet gelovige mensen die je van het spoor afbrengen. Het doel is juist om deze mensen met het evangelie te con­fronteren. Het geheim is dan ook dat je dat dan ook moet doen. Prijs de Heer! Een krachtig en eerlijk stukje.

1 Samuël 30:1-25

28 juli [2]

30:4

Toen verhieven David en het volk dat bij hem was, hun stem en weenden, tot zij niet meer wenen konden.

30:6

Maar David sterkte zich in de HERE, zijn God.

30:8

Achtervolg, want stellig, gij zult inhalen en bevrijden.

30:13

Mijn heer heeft mij achtergelaten, omdat ik drie dagen geleden ziek werd.

30:17

David richtte een slachting onder hen aan,…

30:18

David redde alles wat de Amalekieten geroofd hadden; ook zijn beide vrouwen bevrijdde hij.

30:24

het deel van wie bij het pakgoed blijft, zal hetzelfde zijn…

David is ook constant onder druk. De Amalekieten hebben vanuit het Zuider­land een inval gedaan. Ze hebben Ziklag verbrand en alles meegenomen. Ook de vrouwen van David. Niets is er meer over. Er is een groot geween in het kamp. David zit in een lastig parket. Je kunt wel een sterke held zijn, maar je hebt niet je vrouw en je kinderen en heel je have goed beschermd. Je kunt wel denken dat je veilig bent bij de Filistijnen, maar nu hebben ze alles afgestolen. Je kunt wel denken dat de vijand niet uit het zuiden komt, maar nu zie je maar. De mannen worden opstandig en willen David doden. Het was ook een stelle­tje ongeregeld dat hij bij zich had. ‘Maar David sterkte zich in den HERE’, staat er. Daar moet je moed voor verzamelen. Je neemt het initiatief weer. Je laat je niet meesleuren in de chaos. Je gaat rechtop staan. Dat is onze houding als we het van de HERE verwachten. Dan zegt God: ‘Achtervolg, want stellig, gij zult inhalen en bevrijden’. En net zo gebeurt. Een Egyptische knecht leidt hen naar het kamp en ze brengen een grote slachting aan en krijgen nagenoeg alles terug. Wat een wonder. Ook de vrouwen komen terug. Prijs de Heer! De Heer is genadig.

David verwacht het van God. En God zegent hem. Dat is het grote verschil met Saul. Saul zal het zelf wel doen en natuurlijk gelooft hij in God en doet hij aan de eredienst, maar als het erop aankomt dan gaat hij op eigen wegen. Er is geen onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en geloof in de HERE God. Daar komt het op aan. Er bestaat geen half geloof. Dat is ongeloof. Daar moe­ten wij ons ook eens op onderzoeken Waar nemen we het op de koop toe? Waar zijn we slap? Ze nemen de buit mee. En als een klein staartje wordt een bekend probleem opgelost. Twee honderd man waren bij het pakgoed geble­ven om op te passen. De rest kwam met de buit terug. David beslist dat ze alle­maal gelijk delen in de buit. Daarover wordt wel gemord. Maar het is een in­zetting geworden, tot op de huidige dag, staat erbij. En dat is ook alleszins redelijk. Weer zo’n verhaal.

Een vraag is nog: De Amalekieten hadden toch uitgeroeid moeten worden? Wie heeft dat dan niet gedaan? En nu ontvluchten er nog vier honderd. Die gaan weer verder om de aartsvijand van Israël te zijn. Ook hier zie je dat als je Gods bevelen niet letterlijk uitvoert, je blijft zitten met een steeds meer onop­losbaar probleem. Dat zien we ook weer hier. Ze hadden de Amalekieten hele­maal moeten uitroeien; dat was de opdracht. Maar omdat ze het niet gedaan hebben, blijven ze er altijd last van houden. Stom. Maar ook weer uit het leven gegrepen. Wij moeten ons onvoorwaardelijk aan Gods geboden houden. Dat is dan echte vreugde. Dan gaat het ook goed. Dan komen we goed uit ook al lijkt het soms precies andersom. Toch is het zo. Prijs de Heer!

1 Samuël 30:26-31:13

29 juli [2]

31:2

De Filistijnen dan zaten Saul en zijn zonen op de hielen en zij doodden Jonathan,…

31:4

Daarop nam Saul het zwaard en stortte zich erin.

31:8

vonden zij Saul en zijn drie zonen liggen op het gebergte Gilboa.

31:10

en zijn lijk hingen zij aan de muur van Beth-San.

31:13

Toen vastten zij zeven dagen lang.

De Filistijnen blijven de vijanden van Israël. Saul heeft zijn hele leven oorlog gehad. Er was geen vrede in het land. En dan had hij ook nog een hekel aan David. Ook al spaarde David zijn leven, hij kon niet hebben dat David toch zijn meerdere was. Hij wist ook dat David koning zou worden. Nu gaat het mis. De Filistijnen zijn aan de winnende hand. Ze achtervolgen het leger. Ze doden Jonathan. En dan ziet Saul, dat hij ook onder vuur ligt van de boog­schutters. En dat is zijn eer te na. En als zijn wapendrager hem dan niet wil doden, dan valt hij zelf in zijn zwaard. De Filistijnen komen en nemen hem mee. Hakken zijn hoofd eraf. En ze hangen zijn lijk aan de muur. Een roem­loos einde van dit koningschap. Saul en Jonathan en twee andere zonen ster­ven. Verloren van de Filistijnen. De gezalfde des HEREN sterft. Wat zal David een verdriet hebben van de dood van Jonathan. Dat was zijn grootste vriend.

Zo zien we het leven van een koning vergaan. Saul was niet onvoorwaardelijk gehoorzaam aan God. Hij liep God voor de voeten. Hij zou het zelf wel in de hand nemen. Als Samuël zei: ‘Wacht’, dan nam hij het voortouw. Als God hem toch alles had verteld, dan gaat hij toch naar de waarzegger te Endor. We kunnen niet een spelletje met God spelen. We kunnen God niet erbij halen als het ons uitkomt. God laat zich niet door ons sturen. God wil dat we ons on­voorwaardelijk overgeven aan Hem. Daar zijn we veilig. En doen we het niet, dan moeten we het zelf maar weten, maar dan komen we niet goed uit. Dat weten we maar al te goed. Want de hele bijbel staat daar vol van. Het is tel­kens opnieuw weer de oproep, maar ook de waarschuwing om gehoorzaam te zijn. Zijn geboden zijn niet zwaar. We hoeven er niet van alles voor uit te ha­len om ze te gehoorzamen. Ze zijn goed voor alle mensen. We horen zo vaak dat het toch wel erg moeilijk is om Gods geboden te houden. Maar het omge­keerde is waar. Als we het doen, dan gaat het goed. En als het verkeerd gaat, dan kunnen we altijd weer bij God terugkomen. Hij is een genadig God. Hij wil ons altijd weer helpen op de goede weg te komen en te blijven. Maar ver­harden we ons. Gaan we moedwillig de verkeerde kant op. Gaan we tegen beter weten in, dan gaat het verkeerd. Het kan dan wel lijken of het ons voor de wind gaat, of we het zonder God wel kunnen. Maar vanuit God gezien gaat het faliekant mis. Nu of in het nadere leven. Want God wil gerechtigheid en rechtvaardigheid. We zijn voor Hem totaal doorzichtig. Hij ziet alles. Dat is niet om ons bang te maken, maar het ons gemakkelijk te maken en ons bij de les te houden. En als een richtingwijzer ons de goede kant op te sturen.

Het leven van Saul is een voorbeeld hoe we verkeerd kunnen gaan. We kun­nen precies aangeven waar hij verkeerd gaat. Daar kunnen wij van leren voor ons leven. Daarom is het zo belangrijk om de Bijbel te lezen. Zo hebben we in dit boek Samuël gezien hoe de HERE in allerlei situaties de zaken bekijkt. Het is een uit het leven gegrepen boek. Goed om steeds maar weer te lezen.