2022-10-12; Job 43:6 Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as

2022-10-12; Job 43:6 Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as

Photo courtesy creatov.nl

Job 42:1-17

1 TOEN antwoordde Job den HEERE, en zeide:

2 Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden.

3 Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.

4 Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.

5 Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.

6 Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.

7 Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

8 Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

9 Toen gingen Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet, henen, en deden, gelijk als de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het aangezicht van Job aan.

10 En de HEERE wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en de HEERE vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoveel.

11 Ook kwamen tot hem al zijn broeders, en al zijn zusters, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en vertroostten hem over al het kwaad, dat de HEERE over hem gebracht had; en zij gaven hem een iegelijk een stuk gelds, een iegelijk ook een gouden voorhoofdsiersel.

12 En de HEERE zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kemelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen.

13 Daartoe had hij zeven zonen en drie dochteren.

14 En hij noemde den naam der eerste Jemima, en den naam der tweede Kezia, en den naam der derde Keren-happuch.

15 En er werden zo schone vrouwen niet gevonden in het ganse land, als de dochteren van Job; en haar vader gaf haar erfdeel onder haar broederen.

16 En Job leefde na dezen honderd en veertig jaren, dat hij zag zijn kinderen, en de kinderen zijner kinderen, tot in vier geslachten.

17 En Job stierf, oud en der dagen zat.


Notities van drs. L.P. Dorenbos bij Job 42:1-17
 

Wat een schuldbelijdenis. Wat een bekentenis. Uit het leven gegrepen. Wat zijn wij toch vaak aan het redeneren. We doen alsof we alle wijsheid in pacht hebben. We hebben het over God. We doen alsof wij grote theologen zijn. Het zit zus en het zit zo. We doen steeds maar weer van die geweldige uitspraken. Maar dit is toch wel het ultieme antwoord. We moeten een toontje lager zin­gen. We praten over dingen waar we geen verstand van hebben. Wat een toe­stand. Job is er door schade en schande achter gekomen. Hij sprak over dingen zonder inzicht. Dingen hem te wonderbaar en die hij niet begreep.

Ja, daar zit het leven vol van. Wat is Job toch een geweldig boek. Een levens­les om blij van te worden. Want, wat kan je niet overkomen. Hoe kun je niet in de put zitten. Wat kan het leven je zwaar vallen. En hoe kun je opstandig worden tegen God en tegen jezelf en tegen de omstandigheden. Je wordt gek van de omstandigheden. En je wilt er een antwoord op hebben. Waarom dit en waarom dat. En wat zeggen zullie en hullie. En de mensen om je heen doen er ook nog een schepje bovenop. Want je hebt toch dit en je moet toch dat. En had je maar zus en had je maar zo. Dan zou dit en dan zou dat niet of wel ge­beurd zijn. We bouwen heel onze redeneringen op. En als we het maar vaak genoeg doen geloven we het ook nog.

Job had de zaak omgedraaid. God zegt het radicaal en direct tegen Job. Als je het dan allemaal zo goed schijnt te weten, dan wil Ik je ondervragen, opdat je Mij onderricht. Zeg het dan maar. En dan lezen we hele verhalen over het nijl­paard en de krokodil. Ja, daar kun je niet tegenop. Want we weten er geen snars van. En de sterren aan de hemel en de sluizen van de hemel. Wat weten we ervan? De Here plukt het ene voorbeeld na het andere uit de natuur. En geef daar nu maar eens een antwoord op. We weten er niets van. Wat een arro­gantie, om te doen alsof wij weten hoe het allemaal zit.

En zo is het vandaag aan de dag ook. Wij doen alsof we de wijsheid in pacht hebben. Maar wie heeft het alles geschapen? Dan kun je maar tot één conclu­sie komen: De mens niet. Waarom doen we zo moeilijk om het allemaal achter onszelf te verstoppen. Het bewijs is zo simpel. Het is veel moeilijker om te veronderstellen dat je het zelf hebt uitgevonden, dan dat je tot de conclusie komt, dat God er is. En in de hele discussie over de zin van het lijden kan er maar één antwoord zijn: dat inderdaad de zonde in de wereld gekomen is. Dat het lijden over de aarde giert. Dat inderdaad de zonde, de dood, het kwaad, het duister van de tegenstander van God komt, die zijn zwerftochten over de aarde maakt, om alles wat een beetje de schoonheid van God vertegenwoordigt, ka­pot te maken. Je ziet het aan Job. Job moet vallen voor de boze. Hij moet God vervloeken. God staat bovenaan. Hij regeert het grote wereldgebeuren. Hij wil je vasthouden. Hij wil je beschermen tegen die boze. Deze heeft wel macht. Want de dood heerst in ons sterfelijk lichaam. Maar zo is het van den beginne niet geweest. De dood is dan ook de laatste prikkel. Het kan niet dat kinderen verwekt worden om te sterven. Het kan niet, dat we kunnen berusten in het kwaad, de afval. Sinds de zondeval worden we in zonde ontvangen en gebo­ren. Maar God voert zijn strijd met de duivel. Goed en kwaad heersen in de wereld. We zien het in ons en om ons heen. Maar God gaat alle dingen her­stellen. Hij zendt zijn eigen Zoon, Jezus. Want geen mens is in staat om de zonde te beteugelen. Alleen God zelf. En de opgestane Jezus redt ons van die zondedood. En van al het onheil, dat ons overkomt. En dat wat we allemaal meemaken, heeft maar een doel: om ons dichter bij God te brengen. We krij­gen op zoveel vragen geen antwoord. We weten het ook allemaal niet. We zien verbaasd en verdwaasd rond. Wat is er in ons zelf en om ons heen ook niet een gebrek, een falen, een teleurstelling, een zonde, een chaos. Wij willen voor alles een verklaring, maar we komen er niet uit. Net als Job en zijn vrien­den. Maar God zegt: Job, Bert, Piet, Klaas, zing eens een toontje lager. Zie je niet in alles om je heen, dat Ik de Schepper ben. Ik heb het alles goed gemaakt. En hoe mooi kan het niet zijn. Zo was het en zo wordt het weer. Nu heerst nog de zonde en mijn tegenstander de duivel gaat tekeer. Maar Ik heb alles in mijn hand. En je mag je rustig en helemaal aan Mij onderwerpen. Dan kom je niet in de greep van de boze. Dan kan het wel zijn dat het moeilijk wordt, maar dan kun je net als Job zeggen: De HERE heeft gegeven en de HERE heeft geno­men, de Naam des HEREN zij geprezen. Want zou een Vader zijn zoon stenen geven als hij Hem om brood vraagt. En als we zien hoe Jezus geleden heeft voor ons. Laat ons oog dan alleen op Hem gericht zijn, die zoveel tegenspraak van zondaren tegen zich verdragen heeft. Hij is onze Leidsman en Voleinder des geloofs. En daarom is de tuchtiging, die ons overkomt van de Vader, niet negatief maar positief. De aardse vader die zijn zoon tuchtigt, doet dat om zijn bestwil. Hij wil hem maken naar zijn beeld. En zo is het en dat weten we en dat ervaren we. Daarom is groeien in de genade en kennis zo belangrijk. We mogen zijn Woord indrinken en eruit leven.

Job is een fantastisch boek Wat een zegen, wat een les. En het gevolg van de gehoorzaamheid aan God is, dat we in de vrijheid gezet worden. Niets kan ons dan nog in de war brengen, want we weten dat het goed is bij God. We zijn geborgen in Christus in God. Die vrijheid kan niemand ons ook ontnemen. Dat is een vrijheid die bestand is tegen elke verzoeking. En als God in ons hart woning heeft gemaakt, dan zullen we nooit bovenmate worden verzocht. Dan kunnen we sterven, dan kunnen we leven; want hetzij wij dan leven, hetzij wij dan sterven, wij zijn des Heren. Glorie voor zijn Naam. Dan wil je ook niet anders dan zijn naam doorgeven aan anderen. Want dat is leven en overvloed. Prijs de Heer. Ik kan er niet over ophouden. En het geheimenis? Je moet dat gewoon lezen. Of eigenlijk is het andersom. Jij leest niet, maar de Bijbel, de woorden van God, lezen jou. En dat is het grote geheim in het leven. Als je eenmaal gaat ontdekken dat dat je bestemming is. Om vanuit die Almachtige God te leven. Dan zie je alles in het perspectief van de overwinning en de liefde van God, die je draagt door dit leven heen. Met al de aanvallen op je le­ven, door de tegenstander van God, de duivel. Maar we gaan naar het eeuwige leven, dat vast en zeker komt, omdat God het beloofd heeft. Een leven met Hem, omdat het ook zo is begonnen in het paradijs. Dan zing je zelf een toon­tje lager, want het is genade van die God, die als we tot erkenning van onze grootspraak komen, ons in genade aanneemt en ons zal zegenen. Het boek Job is het loflied op God. Nooit zo geweten. Maar het staat als een huis. Je moet het ook lezen. Wel even volhouden!




Naar alle artikelen