2021-10-29: Bijbelleesplan - In twee jaar de Bijbel door

2021-10-29: Bijbelleesplan - In twee jaar de Bijbel door

Bijbelleesplan: https://kiesdanhetleven.nl/bijbellezen/29-10-2021/

Woord voor de dag
Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
Psalmen 116:14

Ezechiël 39:1-29

39

VOORTS, gij mensenkind! profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal!

2 En Ik zal u omwenden, en een zeshaak in u slaan, en u optrekken uit de zijden van het noorden, en Ik zal u brengen op de bergen Israëls.

3 Maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en Ik zal uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.

4 Op de bergen Israëls zult gij vallen, gij en al uw benden, en de volken, die met u zijn; Ik heb u aan de roofvogelen, aan het gevogelte van allen vleugel, en aan het gedierte des velds ter spijze gegeven.

5 Op het open veld zult gij vallen; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.

6 En Ik zal een vuur zenden in Magog, en onder degenen, die in de eilanden zeker wonen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.

7 En Ik zal Mijn heiligen Naam in het midden van Mijn volk Israël bekend maken, en zal Mijn heiligen Naam niet meer laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, de Heilige in Israël.

8 Ziet, het komt en zal geschieden, spreekt de Heere HEERE; dit is de dag, van welken Ik gesproken heb.

9 En de inwoners der steden Israëls zullen uitgaan, en vuur stoken en branden van de wapenen, zo van schilden als rondassen, van bogen en van pijlen, zo van handstokken als van spiesen; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren;

10 Zodat zij geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden houwen, maar van de wapenen vuur stoken; en zij zullen beroven degenen, die hen beroofd hadden, en plunderen, die hen geplunderd hadden, spreekt de Heere HEERE.

11 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik aan Gog aldaar een grafstede in Israël zal geven, het dal der doorgangers naar het oosten der zee; en datzelve zal den doorgangers den neus stoppen; en aldaar zullen zij begraven Gog en zijn ganse menigte, en zullen het noemen: Het dal van Gogs menigte.

12 Het huis Israëls nu zal hen begraven, om het land te reinigen, zeven maanden lang.

13 Ja, al het volk des lands zal begraven, en het zal hun tot een naam zijn, ten dage als Ik zal verheerlijkt zijn, spreekt de Heere HEERE.

14 Ook zullen zij mannen uitscheiden, die gestadig door het land doorgaan, en doodgravers met de doorgangers, om te begraven degenen, die op den aardbodem zijn overgelaten, om dien te reinigen; ten einde van zeven maanden zullen zij onderzoek doen.

15 En deze doorgangers zullen door het land doorgaan, en als iemand een mensenbeen ziet, zo zal hij een merkteken daarbij oprichten; totdat de doodgravers hetzelve zullen hebben begraven in het dal van Gogs menigte.

16 Ook zo zal de naam der stad Hamona zijn. Alzo zullen zij het land reinigen.

17 Gij dan, mensenkind! zo zegt de Heere HEERE: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel, en tot al het gedierte des velds: Vergadert u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen Israëls, en eet vlees, en drinkt bloed.

18 Het vlees der helden zult gij eten, en het bloed van de vorsten der aarde drinken; der rammen, der lammeren, en bokken, en varren, die altemaal gemesten van Basan zijn.

19 En gij zult het vette eten tot verzadiging toe, en bloed drinken tot dronkenschap toe; van Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb.

20 En gij zult verzadigd worden aan Mijn tafel van rij paarden en wagen paarden, van helden en alle krijgslieden, spreekt de Heere HEERE.

21 En Ik zal Mijn eer zetten onder de heidenen; en alle heidenen zullen Mijn oordeel zien, dat Ik gedaan heb, en Mijn hand, die Ik aan hen gelegd heb.

22 En die van het huis Israëls zullen weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben, van dien dag af en voortaan.

23 En de heidenen zullen weten, dat die van het huis Israëls gevankelijk zijn weggevoerd om hun ongerechtigheid, omdat zij tegen Mij hadden overtreden, en dat Ik Mijn aangezicht voor hen verborgen heb, en heb ze overgegeven in de hand hunner wederpartijders, zodat zij altemaal door het zwaard gevallen zijn;

24 Naar hun onreinigheid en naar hun overtredingen heb Ik met hen gehandeld, en Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen.

25 Daarom zo zegt de Heere HEERE: Nu zal Ik Jakobs gevangenen wederbrengen, en zal Mij ontfermen over het ganse huis Israëls, en Ik zal ijveren over Mijn heiligen Naam;

26 Als zij hun schande zullen gedragen hebben, en al hun overtreding, met dewelke zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij in hun land zeker woonden, en er niemand was, die hen verschrikte.

27 Als Ik hen zal hebben wedergebracht uit de volken, en hen vergaderd zal hebben uit de landen hunner vijanden, en Ik aan hen geheiligd zal zijn voor de ogen van vele heidenen;

28 Dan zullen zij weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben, dewijl Ik ze gevankelijk heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb ze weder verzameld in hun land, en heb aldaar niemand van hen meer overgelaten.

29 En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis Israëls zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere HEERE.

 

notiies l .P Dorenbos bij Ezechiel 39

7 maanden lijken opruimen na Gods eindafrekening met de vijanden van Israël

 

Ezechiël 39:1-29

28 oktober [1]

39:1

Gij nu, mensenkind, profeteer tegen Gog en zeg: Zo zegt de Here HERE: Zie Ik zál u, Gog, grootvorst van Mesech en Tubal!

39:2

Ik zal u komen halen en u voortdrijven, u doen optrekken uit het verre noorden en brengen op de bergen van Israël.

39:3

Dan zal Ik de boog uit uw linkerhand slaan en de pijlen uit uw rechterhand doen vallen.

39:4

Op de bergen van Israël zult gij vallen, gij met al uw krijgsbenden en de volken die met u zijn;…

39:6

Ik zal vuur werpen in Magog en onder hen die in gerustheid de kustlanden bewonen; en zij zullen weten dat Ik de HERE ben.

39:7

Ik zal Mijn heilige naam bekend maken onder mijn volk Israël; Ik zal mijn heilige naam niet meer laten ontheiligen; en de volken zullen weten dat Ik de HERE ben, heilig in Israël.

39:8

Zie, het komt, het zal geschieden, luidt het woord van de Here HERE; dit is de dag, waarvan Ik gesproken heb.

39:9

zeven jaar lang zullen zij daarmee hun vuur stoken,

39:11

Te dien dage zal Ik aan Gog een plaats geven, waar zijn graf zal zijn in Israël: het dal der doortrekkenden, ten oosten van de zee;…

39:12

Het huis Israëls zal hen begraven om het land te reinigen, zeven maanden lang;…

39:21

Zo zal Ik mijn heerlijkheid onder de volken brengen, en zullen alle volken het gericht zien dat Ik voltrokken heb,…

39:22

Het huis Israëls zal weten, dat Ik, de HERE hun God ben, van die dag af en voortaan.

39:23

En de volken zullen weten, dat het huis Israëls om zijn ongerechtigheid in ballingschap is gegaan; omdat zij Mij ontrouw geworden waren, had Ik mijn aangezicht voor hen verborgen en hen overgegeven in de macht van hun tegenstanders, zodat zij allen door het zwaard vielen.

39:25

nu zal Ik een keer brengen in het lot van Jakob en Mij ontfermen over het gehele huis Israëls, en ijveren voor mijn heilige naam.

39:26

Zij zullen de smaad en al de ontrouw, waarmee zij Mij ontrouw geweest zijn, vergeten, wanneer zij weer in hun land wonen, veilig, zonder dat iemand hen opschrikt.

39:27

Als Ik hen uit het gebied der volken terugbreng en hen uit de landen van hun vijanden verzamel, dan zal Ik Mij voor het oog der talrijke volken aan hen de Heilige betonen.

39:28

En zij zullen weten, dat Ik de HERE hun God ben, zowel wanneer Ik hen in ballingschap wegvoer onder de volken, als wanneer Ik hen weer in hun eigen land verzamel, zonder dat Ik iemand van hen daarginds achterlaat.

39:29

En Ik zal Mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen, wanneer Ik mijn Geest over het huis Israëls heb uitgestort, luidt het woord van de Here HERE.

God zelf zal Gog en andere volken doen optrekken naar de bergen van Israël en daar zullen de volken vallen die een afkeer van Israël hebben. Hun gedrag is de HERE een gruwel. De HERE duldt niet dat ze zijn volk onderdrukken. Hij neemt het niet. Hij is een jaloers God. Wat denken ze wel dat ze zijn oogappel, waar Hij al zoveel verdriet over heeft gehad, ook nog een trap na kunnen geven. Het is net als een vader die zijn zoon moet straffen, omdat hij ongehoorzaam is. Maar als de buurman er dan ook nog een schepje bovenop doet, dan kan de vader dat niet hebben. Dat drijft hem helemaal dol. Hij vindt het al verschrikkelijk dat hij zijn zoon moet straffen. Dat is toch heel logisch. Zo is het met de volken die er genoegen in hebben dat het volk van God gestraft wordt. Wat laden we dan een schuld op ons als we bedenken dat in het christelijke westen, in het Hitler-Duitsland zes miljoen Joden zijn vergast. Hoe halen we het in ons hoofd om niet vol liefde voor Israël te kiezen? De wereld kijkt toe en het gebeurt opnieuw. Niemand is voor een trein met op transport gestelde Joden gesprongen om hem te doen stoppen. Ze gingen dag in dag uit. Wat een logistiek gebeuren. Ik kan er niet over uit. Dat is in het christelijke hoogbeschaafde Westen gebeurd. Ons Westen. Onze beschaving. En als het in die toen nog conservatieve beschaving kon gebeuren, dan kan het vandaag zeker in ons losgeslagen Westen gebeuren, waar de secularisatie en de norm­loosheid alleen maar is toegenomen. Vreselijk. We moeten er niet aan denken wat er nog kan gaan komen. God rekent daar mee af. Daarom zullen de volken door Hem getrokken worden naar de bergen van Israël en daar zullen ze val­len. Hij zal hun pijlen uit hun rechterhand doen vallen en de boog uit hun linkerhand.

Dan zullen de volken die de kustlanden bewonen met vuur geslagen worden. Bewonen wij ook niet een kustland? Vallen wij daar ook onder? Wij zijn wel erg antisemitisch. Wij kunnen er in principe ook onder vallen. We vallen er hoe dan ook onder, want wij zijn ook dat volk uit het Noorden. En dan de Europese Unie. Antisemitisch tot op het bot. Laten we maar heel voorzichtig zijn en onze handen niet in onschuld wassen, alsof wij er niet onder vallen. Want we hebben heel wat boter op ons hoofd. We hebben heel veel gezondigd en zijn wij ook niet hardnekkig in het ontkennen van de profetie voor land en volk van Israël?. Wij zijn een zeer hardnekkig volk. Wij hebben gezondigd. Wij staan schuldig. We moeten de profeten lezen. We moeten de Bijbel openen. Lezen wat er staat, geloven wat er staat, dan heb je wat er staat. Daar gaat het om.

Dan staat er klip en klaar: En zij zullen weten dat Ik de HERE ben. Ik zal mijn heilige Naam bekend maken onder mijn volk Israël; Ik zal mijn heilige Naam niet meer laten ontheiligen; en de volken zullen weten dat Ik de HERE ben, heilig in Israël. Zo is de cirkel rond. God is de HERE en dat zullen de volken weten. Israël zal het weten en dan weten de volken het ook. Het komt weer goed. God zal zijn macht en majesteit vestigen. Het zal duidelijk worden in die grote eindstrijd op de bergen van Israël. Dit is de dag, waarvan Ik gespro­ken heb. Glorie voor zijn Naam. Looft de HERE. Prijst zijn Naam.

Een geweldige strijd zal er zijn. Die aardbeving zal verwoestend zijn. De in­woners van Israël zullen uitgaan en de buit roven. Ze zullen zeven jaar kunnen stoken van het wapentuig dat ze vinden. Bovendien zullen ze zeven maanden alle lijken verzamelen en die begraven in het dal der doortrekkenden, dat men zal noemen het dal van Gogs menigte. Stel je voor zeven maanden lang lijken verzamelen en die begraven. Zo wordt het land geheiligd. Gereinigd. Het land moet weer rein worden. En dat zal heel precies gebeuren. De dieren van het veld en het gevogelte des hemels worden te hulp geroepen om het bloed te drinken en de lijken te eten. Zo wordt Gods heerlijkheid onder de volken ge­bracht. Denk niet dat je ongestraft tegen Gods uitverkoren volk kunt ingaan. Dat komt je duur te staan. De volken zullen zien dat de HERE dit gericht ge­bracht heeft. En het volk Israël zal weten dat zij in ballingschap zijn gegaan om hun ongerechtigheid, waardoor ze overgegeven waren aan hun tegenstan­ders. Nou dat hebben ze geweten. Vreselijk. Maar ook vreselijk voor die tegenstanders, want die halen Gods oordeel over zich.

Echter nu komt er een keer in het lot van Jakob als de HERE Zich ontfermt over het gehele huis van Israël. Het gehele huis. Dat zijn alle twaalf stammen: Israël en Juda. Het gehele huis. De twee worden weer één. De twee houten worden één. Gans Israël zal behouden worden. Paulus gaat er uitvoerig op in, in Romeinen 9 tot 11. Ze zullen de smaad en al de ontrouw, waarmee zij Mij ontrouw zijn geweest vergeten, wanneer zij weer in hun land wonen, veilig, zonder dat iemand hen opschrikt als Ik hen uit het gebied der volken terug­breng en hen uit de landen van hun vijanden verzamel. Dan zal Ik Mij voor het oog der talrijke volken aan hen de Heilige betonen.

En zij zullen weten, dat Ik de HERE, hun God ben. Ik zal mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen, wanneer Ik mijn Geest over het huis Israëls heb uitgestort, luidt het woord van de Here HERE. Zo dat is kort en krachtig, luid en duidelijk, niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Zo gaat het gebeuren. Zo is het en niet anders. Wie er iets anders van wil maken doet zijn best maar, hij zal absoluut verkeerd uitkomen. Hier staat de marsroute. Ieder doet er goed aan, om op dit kompas te varen en de strategie van hier uit te bepalen. De profetie is een oproep tot bekering voor Israël en de volkeren. Israël is om zijn zonde in ballingschap verstrooid. Maar God zal Zich de Heilige betonen voor Israël en de volkeren als Hij Zich over hen zal ontfermen. Gods Naam zij geloofd en geprezen. Wat een Evangelie. Wat een perspectief. Ook nu mag dat Evangelie klinken als een oproep tot bekering voor Israël en de volkeren. Bekeert U want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. De tijd is vervuld. Prijs de HERE. De HERE zij geloofd en geprezen tot in eeuwigheid. Wat een hoofd­stukken. Wat een dynamiek. Wat een verlossing. Prijs de HERE.

Psalmen 116:1-19

116

IK heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;

2 Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.

3 De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.

4 Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel.

5 De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.

6 De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost.

7 Mijn ziel! keer weder tot uw rust, want de HEERE heeft aan u welgedaan.

8 Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van den dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.

9 Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden.

10 Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest.

11 Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.

12 Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?

13 Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.

14 Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.

15 Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten.

16 Och, HEERE! zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijn banden losgemaakt.

17 Ik zal U offeren een offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.

18 Ik zal mijn gelofte den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.

19 In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!


Notities van drs. L.P. Dorenbos bij Psalmen 116:1-19

Home

Over Ons

Artikelen

 

Bijbelleesplan

Zoeken in rooster

DONEREN

ANBI

CONTACT

Copyright 2021 kiesdanhetleven.nl  |  Privac

 




Naar alle artikelen